Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

De wijziging van de inentingswet van 1939

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De wijziging van de inentingswet van 1939

15 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Al brengt de voorgestelde en ook door de Tweede Kamer aangenomen wijziging van de Inentingswet van 1939 geen verandering ten aanzien van de verplichting om zichzelf of zijn kind te laten inenten, toch beoogt zij de inenting te bevorderen.

Al blijft dus een ieder geheel vrij om zichzelf of zijn kind te laten inenten — wij vestigen daarop de volle aandacht — nochtans gevoelde Ds Zandt zich geroepen, dewijl het wetsvoorstel de inenting wil bevorderen, daar tegen op te komen, omdat hij zulks heüloos voor ons volk en diens leven en gezondheid achtte.

En dat dit zijn oordeel gegrond is, heeft hij met tal van bevrijzen in zijn rede aangetoond; bewdjzen, waartegen de staatssecretaris dr Muntendam niets, hoegenaamd ook niets heeft kunnen inbrengen. Had hij dit gekund, grote voorstander van de inenting als hij is, hij zou dit zeker gedaan hebben. Doch dit ging nu eenmaal niet.

Bleef dr Mimtendam in deze geheel in gebreke, hij bleef het ook al even zeer, waar Ds Zandt hem vroeg een bewijs te leveren voor zijn stelling, welke hij in Amsterdam geponeerd had, namelijk dat de vaccinatie vóór alles de pokkenziekte had teruggedrongen.

Het is waar, dat de vaccine-verheerlijkers, evenals dr Muntendam, het ons volk bij voortduring hebben voorgesteld en diets hebben willen maken, dat de inenting het middel geweest is, dat de pokkenziekte in ons land is teruggedrongen; maar het is even waar, dat zij voor hun bewering nooit enig bewijs hebben kunnen aanvoeren. Heel die bewering berust op een loutere veronderstelling, mist elke wetenschappelijke grond.

Tegenover de klare veronderstelling van dr Muntendam stelde Ds Zandt wetenschap en wetenschappelijke feiten, welke zo juist en waar waren, dat de staatssecretaris dr Muntendam er ook zelfs geen enkele van heeft tegengesproken of kunnen tegenspreken.

In zijn rede legde Ds Zandt er de nadnik op, dat m'emand zich mag laten inenten, dewijl de inenting gevaar voor leven en gezondheid in heeft. Hij wees er daarbij met alle klem op, dat volgens Gods Woord niemand zijn leven en gezondheid in gevaar mag stellen, hetgeen dit Woord scherp als een verzoeken van Gods veroordeelt, en de inenting ook bovendien als een ongeoorloofd voorbehoedmiddel af te keuren is.

op het einde van zijn rede sprak Ds Zandt als zijn wens uit, dat de officiële medische wetenschap van de dwaling haars weegs terug mag keren. Hij achtte zulks immer nog mogelijk. Zij heeft toch ook het aderlaten, waarbij zij eenmaal gezworen heeft, zelfs zo, dat stervenden adergelaten werden, thans geheel laten varen.

Hiermede menen wij D s Z a n d t s rede voldoende toegelicht te hebben en laten haar thans in haar geheel volgen. Zij luidt: Mijnheer de Voorzitter'. Was het onderhavige voorstel van wet, dat een wijziging van de Inentingswet 1939 voorstelt, er één van slechts technische aard, wij zouden de tijd van de Kamer met het houden van een rede niet in beslag willen nemen.

Doch het is daarmede anders gesteld. De voorgestelde wijziging beoogt, naar de eigen verklaring van de staatssecretaris van Volksgezondheid, die haar indiende,

de inenting te bevorderen. De Inentingswet van 1939 bepaalt, dat aan ouders en voogden in de maand, waarin het kind vier maanden oud wordt van gemeentewege een bericht gezonden wordt om hen opmerkzaam te maken op de in artikel I der wet neergelegde verplichting om, vóórdat het kind de leeftijd van één jaar heeft bereikt, het bewijs te leveren, dat het tegen pokken is ingeënt, of een verklaring over te leggen, houdende de reden, waardoor deze inenting achterwege wordt gelaten (artikel 2 der wet).

Deze bepaling acht de staatssecretaris niet doeltreffend, in zoverre, dat in de meeste gemeenten slechts éénmaal per kwartaal gelegenheid wordt gegeven tot kosteloze inenting. Naar zijn oordeel is het hierdoor mogelijk, dat er tussen het tijdstip der berichtgeving en de gelegenheid tot kosteloze inenting enige maanden verlopen, waardoor het effect van de aanmaning grotendeels verloren gaat.

Om dit nu te voorkomen, is voorgesteld, dat artikel 2 van de Inentingswet 1939 aldus wordt gewijzigd: , , 1. De burgemeester zendt aan ieder, die de ouderlijke macht of de voogdij uitoefent over een in het bevolkingsregister der gemeente opgenomen kind, dat de leeftijd van vier maanden heeft bereikt, ten minste zeven en ten hoogste veertien dagen voordat gelegenheid tot kosteloze inenting, als bedoeld in artikel 8, wordt gegeven, een bericht, waarin op de in artikel 1 bedoelde verplichting wordt gewezen, terwijl tevens tijd en plaats van de kosteloze inenting worden medegedeeld.

2. Dit bericht wordt op gelijke wijze na zes maanden herhaald, wanneer niet is gebleken, dat aan de iri artikel 1 bedoelde verplichting reeds is voldaan".

Ook met een ander middel zoekt het wetsvoorstel de inenting te bevorderen. En wel door artikel 8 van de Inentingswet van 1939 te wijzigen.

Dit artikel wordt ten behoeve van de toeneming der inenting aldus gewijzigd: „Door de zorg van het gemeentebestuur wordt in de gemeenten met minder dan vijftigduizend inwoners ten minste eenmaal in elke drie maanden en in gemeenten met meer inwoners ten minste eenmaal per maand gelegenheid gegeven tot kosteloze inenting en herinenting.

Onze minister, belast met de uitvoering van deze wet, kan, indien één of meer gevallen van variola major (pokken) of van variola minor (alastrim) zich voordoen, of indien in enig deel van het land gevaar voor overbrenging van deze ziekten bestaat, bepalen, dat in door hem aan te wijzen gemeenten gedurende een door hem vast te stellen tijd die gelegenheid dagelijks moet worden gegeven, aan welk voorschrift door de zorg van het gemeentebestuur onverwijld wordt voldaan. Tijd en plaats voor de inenting wordt bij openbare aankondiging ter algemene kennis gebracht".

Mijnheer de Voorzitter! Beginselshalve kunnen wij ons allerminst met deze bevordering van de inenting verenigen Niemand mag volgens Gods Woord zijn leven en gezondheid in gevaar brengen. Dit wordt daarin als een verzoeken van God scherp veroordeeld. En dit doet n\en telkenmale als men zich of zijn kind laat inenten. Daaraan zijn toch altijd gevaren voor het leven en voor de gezondheid verbonden. Dat staat ontegenzeggelijk vast. Dit bewijzen de minstens zeven mensen, die bij de inentingsrage van 1951 als slachtoffer van de inenting het leven verloren. Dit bewijzen ook de vele personen, die tijdens de alastrim in Rotterdam door de inenting de dood zijn ingedreven, evenzeer de vele encephalitisgevallen, waaronder twee met dodelijke afloop, tijdens de periode, waarin van officiële medische zijde zo sterk in Tilburg op inenting en herinenting is aangedrongen; niet minder de zo vele kinderen, die in de jaren 1928 en daarvoor de inenting met verlies van hun leven hebben moeten bekopen. Degenen, die toentertijd ten gevolge van de inenting stierven,

waren zo talrijk, dat de regering op advies van de officiële gezondheidsdienst de verantwoordelijkheid van de verplichte inenting niet langer op zich durfde nemen en tot opschorting van die verplichting over is gegaan.

Thans stelt men het in bepaalde medische kringen wel voor, dat de inenting van kinderen beneden het jaar geen gevaar of minder gevaar voor het leven en voor de gezondheid oplevert, doch die voorstelling wordt door de feiten gelogenstraft.

Het is toch een onloochenbaar feit, dat volgens officiële opgave in 1946 zich 6 encephalitis-gevallen ten gevolge van de inenting bij kinderen in het eerste levensjaar hebben voorgedaan, waarvan er vier, dus ruim 66 procent, gestorven zijn, terwijl deze cijfers in 1947 eveneens 6 met een sterftepercentage van 50 bedroegen. Bovendien kunnen het er nog best meer geweest zijn, want de artsen zijn niet verplicht — wat wel een hoogst ernstig gebrek in deze wetgeving is — aangifte te doen van postvaccinale encephalitisgevallen, zodat de officiële opgaven nimmer nauwkeurig zijn.

De staatssecretaris moge de postvaccinale gevallen van encephalitis wel willen goedpraten met in zijn Nota op te merken, dat deze gevallen van twdjfelachtige, meer dan twijfelachtige aard waren, maar daarmede zijn de kinderen, die gestorven zijn, niet in het leven teruggeroepen en daarmede biedt men de hun kinderen betreurende ouders al bitter weinig troost aan. Feit is, dat deze kinderen, die gestorven zijn. gezonde, levende kinderen voor de inenting waren, anders zouden zij toch niet gevaccineerd zijn, of durft men het aan ook al zieke kinderen in te enten?

Met alle nadruk stellen wij nog eens vast, dat — wat zelfs de staatssecretaris niet ontkennen kan — zij na de inenting gestorven zijn. Daar komt nog bij, dat de inenting allerlei zeer ernstige kwalen, als kinderverlamming, blindheid en nog al zo vele andere hoogst ernstige kwalen kan veroorzaken, alsook idiotisme. Ons is een geval bekend, dat een gezond kind in Eindhoven ten gevolge van inenting idioot is geworden. Dat geva' kan onderzocht worden. Het is ongetwijfeld waar.

Wij hebben dan ook geen woord ts veel gezegd, als wij even te voren gezegd hebben, dat, als ouders hun kinderen of zichzelf laten inenten, hun leven en gezondheid — hetgeen de Heilige Schrift ons als een verzoeken van God nadrukkelijk verbiedt — in gevaar brengen.

En deze zo heilloze zaal: wil deze wetgeving nu gaan steunen door de gelegenheid tot inenting te bevorderen. Indien toch een kind de leeftijd van vier maanden heeft bereikt, moet het gemeentebestuur, waaronder de ouders of voogden er van ressorteren, ten minste zeven en ten hoogste veertien dagen, voordat de gelegenheid tot kosteloze in-. enting wordt gegeven, een bericht zenden, waarin op de in het desbetreffende artikel bedoelde verplichting wordt gewezen.

Zo wordt nog eens te meer de indruk gevestigd, dat de inenting een heilzame zaak is, wat het volstrekt niet is, en zo kan allicht bij ouders en voogden de indruk gevestigd worden, dat de inenting verplicht is, wat zij volgens de wet volstrekt niet is.

Daarbij komt dan nog, dat er in grote steden meer gelegenheid tot inenting zal gegeven worden, wat al weer zeer de indruk vestigt, dat de inenting een volksbelang van de eerste rang is en dat ouders of voogden, die hun kind niet laten inenten, de volksgezondheid daarmede in gevaar brengen en hun allerlei scheldwoorden naar het hoofd geslingerd worden, zoals personen, die zich om des gewetens vvil niet lieten inenten, voor een pest uitgescholden zijn en voor liefdeloze lieden, die zich om het welzijn van hun naasten in het geheel niet bekommeren, zijn uitgemaakt en vaak de meest hatelijke dingen hebben moeten ondervinden.

Heel die rage om de inenting er bij ons volk door te drijven, want anders kunnen 'wij het niet bezien, wordt nog zo veel te ernstiger als wij zien, dat in artikel 8, als het straks tot wet verheven wordt, de hierbij betrokken minister de bevoegdheid bekomt, indien één of meer gevallen van pokken of alastrim zich voordoen, of indien in enig deel van ons land gevaar voor overbrenging van deze ziekten bestaat, om in de door hem aan te wijzen gemeente gedurende een door hem vast te stellen tijd gelegenheid gegeven wordt om zich dagelijks kosteloos te laten inenten.

Dit ontmoet bij ons wel, evenals het door ons tevoren tegen de inenting aangevoerde, een hoogst ernstig bezwaar.

De geschiedenis heeft ons toch geleerd, hoe Uchtvaardig er in deze door de officiële gezondheids­ dienst wordt omgesprongen. Hoe deze, ls hij ook maar een klein wolkske aan e lucht meent te zien, op de grote trom n de dagbladen en anderszins liet slaaa; oe er dan de schrik bij de bevolkini; werd ingejaagd, hetgeen toch afschuweijk en hoogst afkeurenswaardig is.

Heel die schrikaanjagerij is in staat om een mens van schrik — zoals kort geleden iemand van louter schrik bij een brand gestorven is — te doen sterven en het is allerminst geschikt om mensen, die met schrik bevangen zijn, in te enten. De mensen hebben de schrik nog in het lijf en moeten zich dan nota bene laten inenten. Dat kan nooit goed zijn. Telkens en telkens hebben wij bij deze schrikaanjagerij gezien, dat er heel wat meer mensen aan de inenting gestorven zijn dan aan de pokken of de alastrim.

En waarvoor nu dit alles? Zogenaamd om de pakken te bestrijden. De staatssecretaris heeft, sprekende voor Amsterdamse afgestudeerde studenten, gezegd; „Gij weet, dat het hier vóór alles de vaccinatie was, welke de ziekte (pokkenziekte) heeft teruggedrongen".

Deze woorden houden een grootscheepse verheerlijking van de inenting in. Doch op de keper beschouwd kan men er niet de geringste waarde aan toekennen. Dr Muntendam toch is jammerlijk in gebreke gebleven ook maar ééa bewijs voor de door hem geponeerde stelling aan te voeren. Hij heeft tegenover de studenten wel beweerd, dat zij het wisten, dat het vóór alles de vaccinatie is, welke de pokkenziekte heeft teruggedrongen. Zij wisten het echter niet, konden dit ook niet weten, want daar is nooit enig mens of geleerde geweest, hoe kundig hij overigens ook moge zijn, die dit heeft kunnen bewajzen. Het is dan ook geen wetenschap geweest, die dr Muntendam, met alle eerbied voor zijn persoon en voor zijn wetenschappelijke kennis, aan de in Amsterdam afgestudeerden heeft bijgebracht; neen, het was niet anders dan een hypothese, dan een loutere veronderstelling. Wij zouden vandaag gaarne van dr Muntendam bewijzen willen horen, dat de vaccinatie inderdaad de pokken heeft teruggedrongen.

Dat bewijs is nog nooit door iemand geleverd. Dr Muntendam zal ook in gebreke moeten blijven, dat bewijs te leveren.

Wetenschap zou er aan de studenten gebracht zijn, als hun was gezegd, dat indertijd op hoog medisch advies de verplichte vaccinatie, zoals zij sinds 1872 in ons land bestond, is opgeschort, omdat noch de medici, noch de regering de verantwoordelijkheid daarvoor langer konden of wilden dragen vanwege de vele encephalitisgevallen tengevolge van inenting. Wetenschap zou de studenten bijgebracht zijn, indien hun was medegedeeld, dat in 1872 tijdens-de toen heersende pokkenepidemie in sommige provincies meer ingeënten dan oningeënten aan de pokkeii zijn overleden. Wetenschap is het al evenzeer, dat tijdens de in Rotterdam heersende alastrim heel wat meer mensen ten gevolge van de inenting dan aan de alastrim zijn overleden; ivetenschüp is het al niet minder, dat er in Tilburg destijds tijdens de met inzet van alle krachten gevoerde campagne voor inenting tal van mensen ten gevolge van de inenting encephalitis hebben beko­ men, waaronder twee met dodelijlce afloop. Wetenschap is het al niet minder, dat er bij de een paar jaar geleden plaats gevonden hebbende vaccinatie-rage minstens zeven personen gestorven zijn. Wetenschap is het ook al, dat er onder de medici, waaronder professoren van naam, zijn, die aan de vaccinatie als middel tegen de pokken geen geloof geslagen hebben. Zulke medici waren er ook ii! 1S72 en 1880 al. Wetenschap is ook, dal de kring van medici, die bepaald tegenstanders van de vaccinatie zijn, er niet kleiner, maar groter op wordt.

Dit is wetenschap; dit zijn wetenschappelijke feiten, waarmede de voorstanders van de inenting veel en veel te weinig rekening houden, ja sommigen hunner zelfs moedwillig kleineren of opzettelijk verzwijgen. Daarom bepleiten wij ook met alle nadruk, dat de artsen bij de wet verplicht zullen worden om de gevallen van encephalitis aan te geven, waarover onzerzijds een amendement is ingediend, alsook, dat er veel spoediger een officiële opgave gedaan zal worden van de encephalitisgevallen dan tot dusverre geschied is, alsook, dat de regering zelf aan deze gevallen meer bekendheid zal geven, of dat zij krachtiger mede zal werken, dat daaraan meerdere bekendheid zal gegeven worden. Ons volk heeft er in deze zo ernstige zaak recht op volledig te worden ingelicht.

En wi] twijfelen er niet aan, indien zulks volledig geschiedt, dat nog veel minder mensen zichzelf of hun kinderen zullen laten nienten.

Mijnheer de Voorzitter! Zeer wel kumien wij ons voorstellen, dat indien iemand een vaste mening heeft, het hem hoogst moeilijk vallen zal, deze te laten varen. Doch wij zien, dat er ook in de wetenschappelijke wereld gedurig verandering v'an inzicht en opvatting plaats vindt. Ook in die der medici.

Hoe heeft men in die kring eertijds niet gezworen bij het aderlaten. Zelfs zo, dat men ze nog op stervenden toepaste. Thans verwachten tal van medici het heil van inenting, welke zij op mens en dier zo ruimschoots mogelijk wensen toegepast te zien. Het is een ware inentingswoede, welke hen thans drijft. Nochtans kan al die ijver niet wegnemen noch ontkennen, dat de vaccinatie allerlei zeer ernstige kwalen, zelfs de dood kan veroorzaken.

De bekende R.K. dokter Hofman, het oud-Statenlid van Zuid-Holland, placht tegen de ouders, die zich in zake de vaccinatie tot hem wendden, te zeggen: ik wens als dokter alleen mensen gezond, maar geen gezonde mensen ziek te maken.

En dit doet de inenting ontegenzeggelijk. Zelfs kan zij de dood tengevolge hebben. Het is daarom, dat wij op geheel Bijbelse grond vaststellen, dat niemand zich aan de inentiiig mag onderwerpen, daar zij ge­ vaar voor leven en gezondheid inhoudt. Alsook veroordelen wj haar als een voorbehoedmiddel.

Het is om de door ons genoemde redenen, dat wij ons genoodzaakt zien, onze stem tegen het wetsontwerp uit te brengen, daarbij de hoop uitsprekende, dat de medische wetenschap van de dwalingen haais weegs ten spoedigste moge terugkomen, en dit is nog altijd mogelijk. Al zal het vele vaccinatie-verheerlijkers hoogst moeilijk vallen, het is immer mogelijk, dat de medische wetenschap tot een ander inzicht komt, gelijk dat ook bij het aderlaten het geval geweest is.

N.B.

Tot onze spijt zien wij ons wegens plaatsgebrek genoopt om het verslag van het debat over de toijziging van de Ineiitingswet 1939 hier te beëindigen. Hetgeen er vervolgens op Vrijdag 13 Februari betreffende het voortgezette debat in de Kamer plaats vond, zijn wij voornemens in het volgende nummer van „De Banier" weer te geven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1953

De Banier | 8 Pagina's

De wijziging van de inentingswet van 1939

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 februari 1953

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken