Bekijk het origineel

Instelling van productschappen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Instelling van productschappen

14 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van Ir van Dis

Volgens artikel 66 sub 1 van de wet op de Bedrijfsorganisatie, welke in 1950 van kracht geworden is, kunnen voor twee of meer groepen van ondernemingen, die in het bedrijfsleven een verschillende functie vervullen ten aanzien van bepaalde producten of groepen van producten, openbare lichamen worden ingesteld, productschappen geheten.

In het tweede lid van hetzelfde artikel wordt bepaald, dat door ondernemingen, die in het bedrijfsleven een gelijke of verwante functie vervullen, eveneens openbare lichamen kimnen worden ingesteld, die hoofdbedrijfschappen of bedrijfschappen worden genoemd.

Er kan alzo in het kader van bovengenoemde wet volgens artikel 66 een tweetal instanties worden ingesteld, namehjk productschappen en bijdrijfschappen, die van elkander onderscheiden zijn door de richting, waarin georganiseerd wordt.

Er wordt namehjk gesproken van verticaal en horizontaal organiseren.

Bij een verticale organisatie worden groepen van ondernemingen betrokken, die ten aanzien van één of andere productie een verschillende functie hebben. Verticale organisatie omspant alzo de productie vanaf het ogenblik, dat de grondstof beschikbaar komt, totdat deze grondstof. verwerkt tot gereed product, bij de verbruiker terecht komt door middel van de handel. Om dit met een paar voorbeelden duidelijk te maken, zij gewezen op de producten leder en hout.

Bij het product leder zijn in verticale zin o.m. betrokken de huidenhandel, de leerlooierijen, de lederhandel, de schoenindustrie en de schoenhandel.

Bij het product hout heeft men de importeurs van het hout, de groot-en kleinhandelaren in hout, en voorts allen, die hout als grondstof voor de fabricatie verwerken , zoals bijv. meubelfabrieken, en dan de handeldrijvenden in de eindproducten, bijv. meubelen.

Organiseert men nu de hier genoemde ondernemingen, dan is er sprake van verticale organisatie, en het tot stand gekomen orgaan noemt men een productschap.

Van horizontale organisatie wordt gesproken wanneer de ondernemingen, die gezarnenhjk georganiseerd worden, grote overeenkomst vertonen. Indien bijvoorbeeld de sohoenindustrie en de industrieën van andere lederen voorwerpen, zoals tassen, portemormaies, in het algemeen van lederwaren, tezamen in een organisatie verenigd worden, dan heeft men horizontale organisatie en in dit ge- val worden de tot stand gebrachte organen bedrijfschappen genoemd.

De regering heeft nu, nadat er ruim drie jaren overheen gegaan zijn, de eerste serie Vi'etsontwerpen tot insteUing van productschappen bij de Staten-Generaal ingediend, en het was hierover, dat de Tweede Kamer zich moest uitspreken.

Het ging hierbij om een zevental wetsontwerpen, welke ten doel hadden te komen tot de iastelhng van productschappen voor vee en vlees, voor groenten en fruit, voor siergewassen, voor tuinbouwzaden, voor margarine, vetten en oliën, voor gedistilleerde dranken en voor akkerbouwproducten.

Verscheidene sprekers voerden bij deze wetsontwerpen het woord, hetgeen voor de fractie der S.G.P. gedaan werd door Ir van Dis, wiens rede wij thans, na de boven gegeven inleiding, kunnen laten volgen.

Ir van Dis sprak als volgt:

Mijnheer de Voorzitter!

Bij meer dan één gelegenheid hebben wij er blijk van gegeven, dat wij niet behoren tot de voorstanders der P.B.O. Wij deden dit enkele jaren geleden reeds bij de behandeling van het wetsontwerp tot invoering van de P.B.O., viaj deden dit ook - om ons slechts te bepalen tot enkele voorbeelden uit de laatste tijd - bij de algemene beschouwingen over de Rijksbegroting voor 1954 en bij de behandeling van de begroting van Verkeer en Waterstaat, eveneens voor 1954.

Op al de bezwaren, die wij tegen de P.B.O. hebben, behoeven wij dus thans niet in te gaan. Slechts één er van wensen wij nog eens naar voren te brengen, en wel dit, dat wij er in zien een aantasting van de vrijheid van het bedrijfsleven, met name van het niet georganiseerde bedriffsleven.

Er zijn toch onder degenen, die één of ander bedrijf voeren, nog altijd personen, die er niet van wiUen weten zich bij de één of andere organisatie aan te sluiten. Wanneer nu ter uitvoering van de Wet op de pubHekrechtelijke bedrijfsorganisatie de in de onderhavige wetsontwerpen voorgestelde productschappen zullen worden ingesteld en in werking zullen treden, dan zullen deze krachtens de verordenende bevoegdheid, die hun bij de wet is toegekend, kunnen verordenen, dat ieder, die er een bedrijf op nahoudt, dat onder één der betreffende productschappen valt, zich bij een organisatie moet aansluiten. Daardoor zullen dan diegenen, die van het zich aansluiten bij een organisatie nimmer iets hebben willen weten, gedwongen worden om zich aan te sluiten en zich te onderwerpen aan alle maatregelen, die de besturen der productschappen menen te moeten nemen. Ook zal van hen geëist worden, dat zij de opgelegde contributies zullen opbrengen, gelijk ook reeds zo vele werkgevers en werknemers, die niet bij één of andere organisatie aangesloten zijn, de verplichting wordt opgelegd om ten behoeve van één of ander verzekeringsfonds, zoals b.v. het bediijfspensioenverzekeringsfonds, een bijdrage te leveren, hetzij in de vorm van een verzekeringspremie, of, indien zij van verzekering zijn vrijgesteld, ten behoeve van een spaarregeling.

Voorts vragen virij ons af, hoe het er daarbij naar toe zal gaan. Zullen de besturen der productschappen evenzo handelen als dit destijds gedaan werd vanwege het bestuur der Landbouwcrisisorganisatie, waarbij de boeren een formulier ter tekening voorgelegd kregen, waarbij zij - nota bene! — zelf verzochten om als lid der Landbouwcrisisorganisatie te worden toegelaten? Of zoals dit gedaan werd door de provinciale gezondheidsdiensten, waarbij aan de veehouders kaarten werden toegezonden, waarin zij met hun handtekening moesten verklaren, dat zij zich zouden onderwerpen aan alle maatregelen en nog te nemen maatregelen, welke de Gezondheidsdienst mocht nodig achten?

Ziende op hetgeen waartoe men van de zijde van overheids-en semi-overheidsorganisatiesinstanties in staat is, vrezen wij maar al te zeer, dat bij de in te stellen productschappen dezelfde taktiek zal worden gevolgd. Zulk een optreden moeten vvdj echter met alle beslistheid afkeuren en wij bepleiten met alle nadruk, dat de regering er voor zorg drage, dat door de productschappen zulk een dwangsysteem niet zal worden toegepast Daar wij hierop allerminst gerust zijn, kunnen wij mede om die reden onze instemming met de indiening der onderhavige wetsontwerpen niet betuigen en kunnen wij ook niet de minister — zoals dit door sprekers, die ons voorafgingen, is gedaan — onze gelukwens daarmede aanbieden.

0e wetsontwerpen zijn echter ingedien«l en ziende op de samenstelling dezer Kamer, waarvan de grote meerderheid in mindere of meerdere mate sterke voorstander der P.B.O. en ook van deze wetsontwerpen is, zullen zij ongetwijfeld aangenomen worden. Desniettegenstaande wensen wij over de inhoud er van nog enkele opmerkingen te maken.

Daarbij merken wij allereerst op, dat v«j het een ernstige fout achten, dat de Sociaal-Economische Raad, het toporgaan der P.B.O., verleden jaar een amendement van prof. de Gaay Fortman, inhoudende, dat de in de bedrijf-en productschappen niet vertegenwoordigde vrije organisaties van een ontwerpverordening tevoren inzage zouden kunnen verkrijgen, verworpen heeft. Zo achten wij het ook een ernstig verzuim van de regering, dat, terwijl zij op andere punten wel van het advies van de Sociaal-Economische Raad is afgeweken, op dit punt de S.E.R. is gevolgd en in haar ontwerpen niet de bepaling heeft opgenomen, dat het bestuur van het productschap alle organisaties, welke bij dit productschap betrokken zijn, in de gelegenheid behoort te stellen haar mening kenbaar te maken omtrent verordeningen, welke bindende regelen inhouden. Het achterwege laten van een dergelijke bepaling achten wij onbillijk. Wanneer de ene organisatie gelegenheid gegeven wordt om haar standpunt uiteen te zetten, dan behoort de andere organisatie, die bij hetzelfde productschap betrokken is, eveneens daartoe in de gelegenheid te worden gesteld. Al hebben wij tegen onderscheidene organisaties grote bezwaren, nochtans staan wij er op, dat zij alle in dit geval gelijke rechten zullen hebben.

Een tweede bezwaar, Mijnheer de Voorzitter, dat wij tegen de onderhavige wetsvoorstellen hebben, is, dat aan de consumenten in het productschap geen plaats is toegekend, hoewel de belangen der sonsumenten hierbij toch zo nauw betrokken zijn. Dit klemt te sterker, doordat aan de productschappen ook marktordenende bevoegdheden zijn toegekend, waardoor zij de prijzen, die op het ogenblik in de wetsontwerpen over het algemeen niet door de productschappen geregeld worden, toch zullen kunnen beïnvloeden, en wel zo, dat de consumenten de nadelige gevolgen daarvan kunnen ondervinden. De minister heeft in de Memorie van Antwoord hiertegenover wel opgemerkt, dat dit gevaar niet te duchten is, omdat door middel van het preventief toezicht op het gebruik, dat de productschappen van hun verordenende bevoegdheid maken, gewaakt zal worden tegen een monopolistische beïnvloeding van de prijzen ten koste van de consumenten, doch wij vrezen zeer, dat dit geen voldoende waarborg bieden zal om het ook in het Voorlopig Verslag gesignaleerde gevaar af te wenden. Ook kan ons het antwoord van de minister in de Memorie van Antwoord ten deze niet bevredigen, waarin door hem wordt opgemerkt, dat bij de parlementaire behandeling van het ontwerp van de Wet op de Bedrijfsorganisatie er van is uitgegaan, dat de opbouw van een productschap uit geledingen met onderling min of meer uiteenlopende belangen in het algemeen genoegzame waarborgen biedt voor de belangen van derden, die niet in het productschap vertegenwoordigd zijn, o.a. van de consument. Wij kunnen dit standpunt allerminst delen en blijven van gevoelen, dat het een ernstige leemte in de wetsontwerpen is, dat daarin ook aan de consumenten geen plaats in de productschappen is toegekend. Dit klemt te meer, nu de regering ons niet kan toevoegen, dat de cnsumenten op zichzelf staan en dat het dus niet mogelijk is om de consumenten door middel van een vertegenwoordiging in de productschappen op te nemen.

Hoewel wij ook hierbij niet voor organisaties als een zodanige pleiten, wensen wij er toch op te wijzen, dat er sedert enige tijd een consumentenbond bestaat, een particuliere organisatie, die zich ten doel stelt de algemene economische belangen der consumenten te behartigen en hiermede een aandachtiger en groter gehoor voor consumentenbelangen wenst te bevorderen in het bedrijfsleven, bij de overheid en onder de consumenten zelf. Wij zijn van gevoelen, dat ook deze particuliere organisatie, in welker bestuur onderscheidene intellectuelen zitting hebben, in het kader van de Wet op de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie in de productschappen een plaats had behoren te worden toegekend. De minister heeft in de Memorie van Antwoord wel kenbaar gemaakt, dat het in sommige gevallen wenselijk kan zijn, te voorzien in een vertegenwoordiging van zodanige belangen, b.v. door toekenning van zetels in commissies, die door het productschap kunnen worden ingesteld, maar wij achten zulk een vage toezegging beslist onvoldoende. Het hangt immers nu geheel van het productschap af, of het dergelijke commissies zal instellen en of daarin een vertegenwoordiging der consumentenbelangen zal opgenomen worden. Het productschap kan het doen, maar kan 't ook nalaten. Daarom ware het verre te verkiezen geweest, wanneer nu direct aan de consumenten vertegenwoordiging in de productschappen gegeven ware.

Dat dit niet geschied is, achten wij een ernstig verzuim, en ook niet in het belang der consumenten. Evenzo is het niet uitgesloten, dat de productschappen nadelig zullen werken voor de Meine ondernemers, die gewoonlijk geen kans krijgen in de besturen een plaats te krijgen, daar de besturen de beschikking krijgen over allerlei gegevens van de bedrijven, waarvoor een productschap wordt ingesteld, en met behulp daarvan de kleine ondernemers in een nadelige positie kunnen brengen of zelfs geheel kunnen uitschakelen. Tenslotte, Mijnheer de Voorzitter, wensen vsrij nog op te merken, dat bij deze wetsontwerpen nog weer eens duidelijk aan het Hcht is getreden, dat de overheid bij de uitvoering der Wet op de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie wel dege. lijk een stem in het kapittel heeft. Meet dan eens is, vooral van Protestants-Chris, lelijke zijde, de voorstelhng gegeven, dat bij de uitvoering der P.B.O. uitsluitend de belanghebbende bedrijfsgenoten zowel ondernemers als werknemers, betrokken waren, en dat daardoor de overheidsbemoeiing met het bedrijfsleven zou eindigen of althans tot veel kleinere proporties zou worden teruggebracht. De onderhavige wetsontwerpen geven editer het tegendeel te zien. l z t g

Als voorbeeld wijzen wij op het productschap in zake groenten en fruit, waarbij de regering betreffende de samenstelling van het bestuur van dit productschap is afgeweken van het advies van de Sociaal-Economisch© Raad, hoewel dit advies ten deze gebaseerd was op hetgeen na moeizame besprekingen met de belanghebbende organisaties was overeengekomen. Het is te begrijpen, dat dit in de betreffende kringen van belanghebbenden grote ontevredenheid heeft verwekt. Hier was toch een regeling tot stand gekomen uit het bedrijfsleven, doch de overheid brengt daarin een wijziging, die door de belanghebbenden niet begeerd wordt.

De regering heeft zich in haar Memorie van Antwoord ten deze verdedigd door op te merken, dat zij bet noodzakelijlt achtte, dat de importeursgroep, waarom het hier gaat, met zodanige economische belangen bij het productschap betrokken is, dat een vertegenwoordiging in het bestuur daarom noodzakelijk is. De belanghebbenden zijn het met dit antwoord der regering echter in het geheel niet eens. Zij zijn van oordeel, dat door het toekennen van een extra-zetel aan de hierbedoelde groep van importeurs van gedroogde sniidvruchten, specerijen en ^rondnoten een te sterke vertegenwoordiging wordt gegeven, hetgeen nog te sterker klemt, omdat het advies van de S.E.R. de speciale belangen en rechtmatige eisen van deze groep reeds in aanmerking heeft genomen door het productschap te voorzien van organen, die samengesteld zuUen worden uit vertegenwoordigers van de hier bedoelde groepen, waardoor aan deze een belangrijke mate van zelfstandigheid zou worden gegeven bij de voorbereiding en uitvoering van eventuele maatregelen. Des te meei acht men van de zijde der belanghebbenden het door de regering ingenomen standpunt verwerpelijk, omdat de ervaring bij het tegenwoordige bedrijfschap voor groenten en fruit, in welks bestuur de telers en andere ondememersgroepen gelijkelijk vertegenwoordigd zijn, geleerd heeft, dat op deze wijze een goede behartiging der belangen mogelijk is. Wij achten deze zienswijze alleszins billijk en dringen er daarom op aan, dat de regering ten deze op de door haar aangebrachte wijziging terugkomt.

Bij het ontwerp tot instelling van het productschap voor groenten en fruit was door de heer v. d. Heuvel een amendement ingediend, dat tot strekking had om het aantal zetels voor het bestuur van het productschap, dat door de regering met een tweetal vermeerderd was, terug te brengen tot het aantal, zoals dit door de belanghebbende groepen was overeengekomen, en waarbij dit bestuur, voor wat de ondernemersorganisaties betreft, zou bestaan uit 4 leden voor de ondernemingen op het gebied van de teelt van groenten en fruit, 1 lid voor de groenten evsxiJ-be-en verwerkende industrie, 2 leden voor de groothandel en de werkzaamheid van tussenpersonen in groenten en fruit, 1 Hd voor de detailhandel in groenten en fruit, en voorts voor de organisaties van werknemers in de zoeven genoemde groepen respectievelijk 4, 1, 2 en 1 leden.

Dit amendement werd door de Kamer met 48 tegen 27 stemmen aanvaard. De Kamerleden der S.G.P. stemden er vóór, omdat zij dit amendement een verbetering achtten van het door de minister ingediende wetsontwerp, die het amendement sterk ontraden had. Eveneens werd een aantal amendementen—v. d. Ploeg aangenomen, welke aan de productschappen prijsregelende bevoegdheid toekennen, indien en voor zo ver de minister dit bepaalt. Met de P.v.d.A., de V.V.D., de C.P.N, en een deel der C.H. stemde de S.G.P.-fractie hier tegen.

Bij de eindstemming over de wetsontwerpen verzochten en verkregen de Kamerleden der S.G.P. aantekening, dat zij geacht wensten te worden er tegen te hebben gestemd.

De opheffing van de thans bestaande hoofdbedrijfschappen, waartoe een geHjk aantal wetsontwerpen was ingediend, werd zonder hoofdelijke stemming door de Kamer aanvaard.

1. Heeft de minister kennis genomen van de volgende mededelingen, betrekking hebbende op het in beslag genomen vermogen van de niet-genaturaliseerde Duitser R. Liffers:

a. dat de transactie, welke in 1944 heeft plaats gevonden met betrekking tot het herenhuis Prinsessegraoht no. 3, te 's-Gravenhage, dat sedert 16 Januari 1941 in het bezit was van de genoemde Liffers, vermoedelijk een schijntransactie is geweest;

b. dat het Beheersinstituut, hetwelk geweigerd heeft voornoemde Duitser te ontvijanden, en diens bezittingen als vijandelijk vermogen in beslag genomen heeft, desniettemin geen beslag heeft gelegd op bovenvermeld herenhuis, hoewel dit gewezen Duits eigendom was en het Beheersinstituut van de hele zaak op de hoogte was; c. dat R. Liffers na de oorlog gezocht werd, waarbij zijn spoor leidde naar het Seminarie te Rijsenburg bij Driebergen, waar men hem niet meer vond, maar wel achter een muur verborgen een grote collectie juwelen en kunstvoorwerpen, tei waarde van ruw geschat 50 millioen gulden; d. dat deze schat in beslag genomen, maar sedertdien spoorloos verdwenen is? 2. Zijn de in vraag 1 opgenomen mededelingen conform de werkelijke toedracht der feiten, en, zo ja, is de minister dan bereid mede te delen: a. waarom het Beheersinstituut in gebreke gebleven is beslag te leggen op bedoeld herenhuis; b. of er maatregelen genomen zijn om de schat van circa 50 millioen te achterhalen en, zo ja, welke? 10 Juni 1954

Zodra het antwoord van de minister op bovenvermelde vragen ontvangen is, hetgeen op zijn minst een maand kan duren, zal dit bij leven en welzijn in „De Banier bekend gemaakt worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1954

De Banier | 8 Pagina's

Instelling van productschappen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1954

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken