Bekijk het origineel

De behandeling van de begroting van Overzeese Rijksdelen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

De behandeling van de begroting van Overzeese Rijksdelen

12 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van Ds Zandt

Bij de behandeling van de begroting van Overzeese Rijksdelen zijn tal van voor ons land belangrijke zaken ter sprake gekomen; onder meer een verzoek van de Indonesische regering, dat inhield, dat de Organisatie der Verenigde Naties een uitspraak zou doen, welke er op aandrong, dat de onderhandelingen over Nieuw-Guinea door Nederland en Indonesië hervat zouden worden, de behandeling van - dat verzoek in de politieke commissie van die Organisatie, de infiltraties der Indonesiërs op Nieuw-Guinea en de verhouding van Nederland tot en in Nieuw-Guinea.

Veel behoeven vdj daarover niet in dit woord van toelichting te schrijven, dewijl deze onderwerpen op een duidelijke wijze in de rede zelf besproken zijn geworden. Alleen wensen wij nog mede te delen, dat de minister op het punt van een door Ds. Zandt gestelde vraag hem een uitvoerig antwoord gaf. Het betrof een bericht, dat in een aanzienlijk aantal Indonesische bladen te lezen gestaan had, waarin geschreven was, dat er een opstand tegen het Nederlandse gezag op

Nieuw-Guinea was uitgebroken. De minister verklaarde, dat dit bericht uit de lucht gegrepen was, daar op heel Nieuw-Guinea volkomen rust, orde en veiligheid heerst.

Wij laten nu de rede van Ds Zandt in haar geheel volgen. Zij luidt als volgt:

Mijnheer de Voorzitter!

Het verheugt ons, dat de Regering in de Memorie van Antwoord verklaard heeft, dat zij het standpunt heeft ingenomen en ook thans nog inneemt, dat de souvereiniteit over Nieuw-Guinea bij Nederland berust en dat zij dit standpunt in al haar handelingen onverkort tot gelding zal brengen.

Deze verklaring klinkt ferm en onomwonden. Dat wij op dit punt desondanks niet gerust zijn, heeft gegronde redenen.

In de Indische kwestie

heeft de Regering destijds even ferm en onomwonden verklaringen afgelegd. Om u uit de vele slechts één voorbeeld te noemen: Minister Logeman heeft toen uit naam van de Nederlandse Regering verklaard, dat het even onwaardig als onvruchtbaar zou zijn met Soekamo en diens Regering te onderhandelen, maar in weerwU van deze zo plechtige verklaring heeft zij toch met hen onderhandeld. Dit is allenninst de enige keer geweest, dat zij haar woorden en beloften niet gestand heeft gedaan. Ook niet de enige maal, dat zij grote woorden heeft gesproken, welke zij later heeft ingeslil< t. De geschiedenis gewaagt, dat er in Engeland eens een kunstenaar was, die zich zelf aankondigde als de grootste springer ter wereld. Hij beweerde zijn mond groot te zullen maken en door zijn eigen keel naar beneden te zullen springen. Dit bleek louter humbug te zijn. Doch er zijn personen, die dit wondere kunststuk wel kunnen verrichten. Zij zetten een grote mond op, spreken grote woorden, die zij straks inslikken, en springen door hun eigen keel naar beneden. Dat zoiets niet raadzaam is en zeker niet voor magistraatspersonen, behoeft geen nader betoog. Toch zijn zulke sprongen in de Indische kwestie gedaan, hetgeen niet geschikt is, om een groot verti-ouwen in Regeringsverklaringen te stellen. Bovendien geeft de houding van vele leden en fracties in deze Kamer, welke zij in de Indische kwestie aangenomen hebben, niet minder reden tot ongerustheid. „Hebt gij ook genoeg van Soekamo? ", is de verkiezingsleus van één der partijen geweest, welke partij Soekamo in minzaamheid als het ware om de hals is gevallen toen haar Kamerleden hun stem uitbrachten vóór de souvereiniteitsoverdracht over Indië aan Indonesië. De overeenkomst van Lingadjatti is hier door de geachte afgevaardigde prof. Rommè eerst naakt uitgekleed, zo afkerig betoonde hij zich er over, en daarna weer heel netjes opgetuigd en, ofschoon deze overeenkomst precies dezelfde bleef, als model van onberispelijk fatsoen aangeprezen.

Veel zouden wij hierover nog in het midden kunnen brengen, ook ten aanzien van de houding van de geachte afgevaardigde de heer Tilanus, doch wij hebben er genoeg van gezegd om aan te tonen, dat vele fracties en Kamerleden al even veranderlijk zijn als het weer, dat ook de meest krasse veranderingen vertoont. Daarop lettend, is er reden tot ongerustheid te over, welke ongerustheid, in stede van verminderd te zijn, vermeerderd is door de wijze, waarop onze Regering zich heeft gedragen bij de behandeling van de kwestie Nieuw-Guinea in de politieke commissie van de Organisatie der Verenigde Naties. Evenals voorheen bij de Indische kwestie is daar ook nu weer verklaard, dat deze organisatie haar be-* voegdheden ver overschreed, waar zij ook ditmaal een aangelegenheid in behandeling nam, welke ver buiten haar bevoegdheid en haar beoordeling viel. Doch deze fermheid was geheel zoek, toen zij haar afgevaardigden deed deelnemen aan besprekingen er van. Nu geldt één van tweeën: de behandeling der kwestie geschiedde hier op een geheel onrechtmatige wijze of zij geschiedde rechtmatig. Doch waar zij naar het oordeel der Regering onrechtmatig was, daar had zij zich verre moeten houden van dit onrechtmatig gedoe, van dit politieke gekonkel en had zij het voorbeeld van Frankrijk en Engeland moeten volgen, welke beide landen onder dergelijke omstandigheden de daad bij het woord gevoegd hebben door zich aan de discussies daarover te onttrekken en te tonen, dat zij met een onrechtmatige handeling niets van doen wilden hebben. Door wel aan de discussies deel te nemen, maakte zij haar eigen woord krachteloos en stelde zij zich in het oog van de afgevaardigden aan als iemand, die wel zo sprak, maar niet zo deed als een persoon, die gemakkelijk te kneden is in de vorm, waarin men dat wil, als men maar tegen hem optreedt. Het valt zeer te betreuren, dat onze Regering het fiere oude Nederlandse spreekwoord „een man een man, een woord een woord" zo te schande maakte. Nu heeft de Regering verklaard aan de discussies voortaan geen deel te zullen nemen, als de kwestie van Nieuw-Guinea in - één der vergaderingen van de Verenigde Naties ter sprake komt, maar wordt daardoor de afkeurenswaardige houding in het oog van menigeen mogelijk wat verkleind, daarmede wordt zij niet goedgemaakt en daarmede is de ernstige misslag niet ongedaan gemaakt. En dit is — want het deelnemen en het zich niet onttrekken aan een onrechtmatige handeling is een ernstige misslag, dewijl het hier het recht betreft, dat Godes is — zelfs een emstig vergrijp. Veel krachtiger dan er gedaan is, had door onze gedelegeerden in dezen opgetreden dienen te worden. Het wapen van het recht, vrijwel het enige wapen, waarover een klein land als het onze beschikt, had beter en krachtiger dan gedaan is gehanteerd behoren te worden. Voor een onrechtmatige behandeling behoort het hoofd niet deemoedig, laf in de schoot gelegd te worden, zoals gedaan is, nu en ook al in de Indische kwestie.

Bovendien — het moet ons van het hart — is het ook nu weer helder aan de dag gekomen in welk een wespennest van ongerechtigheden onze Regering, daartoe aangemoedigd door de overgrote .meerderheid van ons Parlement, haar handen heeft gestoken, toen zij het lidmaatschap van de Organisatie der Verenigde Naties aanvaardde, wat geen verwondering behoeft te baren, want daar viert de ongerechtigheid hoogtij, waar men Gods wet niet als richtsnoer voor alle handelingen erkent; daar zoekt ieder het zijne, gelijk dat in de Organisatie der Verenigde Naties het geval is, waarin grote Mogendheden als de grootste en de machtigste dit wel op geheel bijzondere wijze doen. Het Handvest van de Verenigde Naties bepaalt, dat deze Organisatie voor de rechten van de mens in het algemeen en voor die der volken in het bijzonder heeft te waken en op te komen. Bij de behandeling van de Nieuw-Guinea-kwestie is er echter niets, totaal niets van gebleken. Integendeel, de Columbiaanse resolutie, welke o.m. inhield, dat er ook met de wens en de belangen van de hierbij betrokken bevolking en van het land — dat is Nieuw-Guinea — behoorde gerekend te worden, is door de Politieke Commissie met grote meerderheid van stemmen verworpen. Er is over deze bevolking gehandeld zoals er op de veemarkt over vee gehandeld wordt. Dat is wel naar de wens van de Indonesische Regering geschied, welke in haar resolutie over de wens en de belangen van de bevolking van Nieuw-Guinea met geen woord gerept heeft. Zij kon daar ook niet van reppen, want deze bevolking is allerminst er op gesteld onder het bestimr van Indonesië gesteld te worden. Dit is nog eens weer nadrukkelijk uitgesproken door de heer Jouwe, vertegenwoordiger van Nieuw-Guinea, - die in dezen wel de opinie van de bevolking van Nieuw-Guinea vertegenwoordigt.

Wij willen geen slaven van Soekamo worden, zo sprak hij met grote nadruk. Hij heeft daarbij gewezen op de van eeuwen her daterende antipathie, welke de bevolking van Nieuw-Guinea tegenover Indonesië koestert. Deze bevolking wil niet onder Indonesisch bestuur gesteld worden. Zij verkiest dit zelfs in geen enkel opzicht. Integendeel, zij zal zich daartegen met hand en tand verzetten. Namens haar is zelfs aangekondigd, dat zij met alle kracht zal optreden tegen de infiltraties der Indonesiërs en niet zal schromen, als deze plaats hebben, naar de wapens te grijpen. Dat had ook de Politieke Commissie bekend kunnen zijn, maar zij heeft daannede in het minst geen rekening gehouden. Zij heeft integendeel een koehandel met deze bevoll< ing gedreven. Dit is op zichzelf reeds een afschuwelijke, hoogst verwerpehjke zaak. Andere belangen, eigen belangen, hebben bij haar leden gegolden en de doorslag gegeven. Dit wordt wel in hfet bijzonder getypeerd door de houding, welke de Verenigde Staten van Amerika in dezen hebben aangenomen. Deze wilden de geit en de kool beide sparen. Zij wilden niet tegen de aangenomen resolutie stemmen, waarin de hoop werd uitgesproken, dat Nederland en Indonesië de besprekingen over Nieuw-Guinea zouden hervatten, kennelijk om de Aziatische volkeren niet onwelgevallig te zijn, naar wier gunst zij voortdurend streven. Zij wilden evenmin him bondgenoot Nederland openlijk in de steek laten, hoewel zij dit metterdaad gedaan hebben en zich daarbij in feite als een vijand van Nederland gedragen hebben. Het vormt bij ons een zeer ernstige grief, dat deze aangelegenheid niet naar de normen van recht en gerechtigheid behandeld is, maar door een belangenpolitiek. Dit komt ook al daarin aan de dag, dat al de Aziatische landen, die de Nieuw-Guinea-kwestie als een Aziatisch belang opgevat hebben, hun stem aan de resolutie van de politieke commissie der Verenigde Naties hebben gegeven.

Deze zaak, welke al zo ergerlijk is, wordt nog te ergerlijker, als men daarbij let op de houding van Indonesië. Tijdens de behandeling van de Indische kwestie was het geroep om vrijheid in Indonesië niet van de lucht. Dat was toen de leuze, waarmede men de strijd om onafhankelijkheid gevoerd heeft. Het was een gefingeerde leuze, want na de souvereiniteitsoverdracht heeft de Regering van Soekamo getoond maling aan die leuze te hebben. Zij heeft toch met geweld de vrijheid van tal van Indonesische volken, onder meer die van het volk van Ambon, onder de voet gelopen. Zij heeft daar met drastische middelen, daarbij ten aanzien van Ambon, schandelijk genoeg, de steun van onze Regering gehad hebbende, korte metten mede gemaakt. En ook nu betoont zij maling te hebben aan de vrijheid van de bevolking van Nieuw-Guinea. Deze wil zij ten onder gebracht zien, koste wat het kost. Zij zet er alles op hetzij goedschiks, hetzij kwaadschiks, Nieuw-Guinea onder haar macht te krijgen. Daarvoor heeft zij zich tot de Organisatie der Verenigde Naties gewend, welke haar daarbij een handje geholpen heeft. ken, dat de aangenomen resolutie van de Politieke Commissie de Indonesische Regering niet in allen dele bevredigt, ; och heeft zij daarmede een zeker vsdnstpunt verkregen. In deze resolutie wordt in Indonesië een zeker middel gezien om het einddoel te bereiken. Een Indonesisch blad constateert, dat in de Politieke Commissie verkregen is een stilzwijgende erkenning van de zijde der Verenigde Naties van het bestaan van een Indonesisch geschil en een afkeuring van de weigering der Nederlandse Regering besprekingen met Indonesië te voeren. Dit blad noemt het resultaat een kleine terugslag, welke tot groter krachtsinspanning dient aan te - poren. Dat er een grote krachtsinspanning ingezet zal worden door Indonesië, zien wij thans reeds. In Djakarta

is reeds een grote demonstratie gehouden, waaraan duizenden bij duizenden hebben deelgenomen en waarbij tenslotte de eis is ingesteld van het verbreken van de diplomatieke betrekkingen met Nederland. Bovendien zullen er nog twee wedstrijden tussen Nieuw-Guinese voetbaU en volleybalgroepen en locale elftallen in het grote Djakartaanse stadion, waar President Soekarno de aftrap zal verrichten, worden gehouden. Deze wedstrijden moeten dienen om de wereld er van te overtuigen, dat Nieuw-Guinea een integrerend deel van Indonesië is. Dat heeft mede tot gevolg, dat de hetze, die in Indonesië tegen Nederland gevoerd wordt, nog zoveel te sterker zal aangroeien. De Indonesische Regering vindt in deze hetze een geschikt middel om de aandacht van de bevolking af te wenden van de desolate toestand, waarin Indonesië verkeert. Hoe gans anders

is het toch verlopen dan de voorstanders van de souvereiniteitsoverdracht voorspeld hebben, toen zij voorspelden, dat de overdracht tussen Nederland en Indonesië veel betere verhoudingen tussen deze landen zou brengen dan ooit bestaan hebben. De geachte afgevaardigde de heer Van de Wetering heeft gisteren gesproken over het Indonesische piratendom. Hierbij is het toch wel erg merkwaardig, dat hij er zijn stem vóór heeft uitgebracht, dat de souvereiniteit over Indonesië aan dat piratendom zou worden overgedragen. Mijnheer de Voorzitter!

De verhouding tussen Nederland en Indonesië is al slecht en dreigt nog veel slechter te worden. De aangenomen resolutie biedt de Indonesische Regering, waar de Nederlandse te kennen heeft gegeven deze niet tot uitvoering te zullen brengen, een uiterst geschikte gelegenheid om jaar op jaar deze kwestie in de Organisatie van de Verenigde Naties ter sprake te brengen. Wat, gezien de houding van de overgrote meerderheid van de leden der Organisatie van de Verenigde Naties, Nederland niet ten goede kan komen. En toch mag Nederland onder geen enkel beding hier weer als in de Indische kwestie bakzeil halen. Zij heeft Nederlands grondgebied niet andermaal prijs te geven aan de internationale aandrang en toch bestaat daarvoor gevaar. Als wij bedenken, hoe heel Indië daaraan eenmaal prijsgegeven en opgeofferd is, dan behoort zulks allerminst tot de onmogelijkheden en blijft het nog immer te duchten. De zucht naar het internationalisme zit vele Nederlanders in het bloed; zat de huidige president van de Organisatie der Verenigde Naties ook al zo

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1954

De Banier | 8 Pagina's

De behandeling van de begroting van Overzeese Rijksdelen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1954

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken