Bekijk het origineel

Uit het eigen land

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Uit het eigen land

8 minuten leestijd

Het gaat onze regering thans allesbehalve voor de wind. Zij heeft op het ogenblik met allerlei moelijkheden te kampen. Deze zijn zelfs van die aard, dat de vraag rijst of het kabinet zijn zittingsdutu' van vier jaar wel zal voleindigen. Al wil het er bij ons nog niet in, dat het kabinet vóór die tijd tot aftreden gedwongen zal worden, desniettemin zal er toch danig gelijmd en gekramd, gemeten en gepast moeten worden om zijn val te voorkomen. Dewijl men echter in de kring van de regering en de regeringspartijen de kunst van lijmen en krammen, meten en passen, zeer wel verstaat, zal men, om de val van het kabinet te voorkomen, ook nu deze wel weer met succes weten toe te passen. In die kunst heeft men daarin betoond volleerde meesters te zijn. Hoe heeft men daarin niet weten te lijmen en te krammen, te meten en te passen, bij de samenstelling van het kabinet! Het heeft toen wel lange tijd gedum'd voordat men daarin geslaagd was, maar men is er tenslotte toch in geslaagd. Het huidige kabinet is uiteindelijk toch geformeerd geworden.

Desniettemin is er in de loop der jaren wel iets veranderd in de verstandhouding tussen de twee partijen, de K.V.P. en de P.v.d.A., waarop de regering in hoofdzaak steunt.

In de eerste tijd na de oorlog bestond er tussen hen een min of meer hartelijke samenwerking, getuige het toen opgetreden kabinet, dat vrijwel geheel uit leden van deze partijen bestond. Doch de K.V.P. had daar al heel spoedig haar bekomst van. Zij wilde per se, toen het hoofdzakelijk uit R.K. en socialisten bestaande kabinet aftrad, niet weer een kabinet, dat zo goed als geheel uit R.K. en socialisten bestond. De P.v.d.A. vdlde dit per se wel. Doch zij heeft met veel tegenzin en tegenstribbelen er in moeten berusten, dat er in het toen geformeerde kabinet twee ministers van Christelijk-Historische huize werden opgenomen; gelijk zij dit ook al heeft moeten doen toen er benevens twee ministers van de C.H.U. in het thans fungerende kabinet nog twee ministers van de A.R.P. zitting verkregen.

En sindsdien is de verstandhouding tussen de K.V.P. en de P.v.d.A. er waarlijk niet op verbeterd. Het mandement van de R.K. bisschoppen heeft destijds een grote storm van verontwaardiging in de P.v.d.A. verwekt. Het heeft er zelfs op geleken — in sommige kringen werd dit als vrij zeker aangenomen — dat dit mandement tengevolge zou hebben, dat er in het ministerie zulk een onenigheid zou ontstaan, dat het deswege zou moeten aftreden.

Zó ver is het echter bij lange niet gekomen; de storm toch heeft vrijwel geheel buiten het ministerie om gewoed. Nochtans doet de nawerking van het mandement zich wel gevoelen.

Dit had toch onmiskenbaar ten doel om de positie van de K.V.P. te versterken en dat niet weer, gelijk bij de Kamerverkiezingen van 1952, vele R.K. hun stem op de candidatenlijst van de P.v.d.A. zullen uitbrengen.

Dit en nog vele andere zaken hebben vrij sterke wrijvingen tussen de K.V.P. en de P.v.d.A. verwekt, welke hun weerslag in 'het ministerie, dat daardoor in moeilijke omstandigheden is komen te verkeren, hebben.

Dit is onder andere, om maar iets te noemen, ook al het geval ten opzichte van het onlangs bij de Tweede Kamer ingediende wetsontwerp 'betreffende de huurverhoging? Dit wetsontwerp heeft 't ministerie al in bijzondere moeilijkheden gebracht, omdat geen enkele partij, blijkens het Voorlopig Verslag, daarmede instemt. Hieiibij komt nog het geschil, dat er tussen de K.V.P. en de P.v.d.A. bestaat ten aanzien van dé instelling van een regeringsfonds, waarin een deel van de verhoogde huuropbrengst ten nutte van de bouw van woningen gestort zal worden. In de Tweede Kamer werd door de K.V.P., alsook in een groot deel van de R.K. pers. De instelling van zulk een fonds afgewezen, terwijl de P.v.d.A. gekant bleek te zijn tegen elke humiverhoging, waarbij zulk een fonds niet tegelijk in het leven werd geroepen. Daar dient wel danig gelijmd en gekramd te worden, om in deze de partijen tot overeenstemming te brengen. Doch de lijmpot en de krammen zijn al reeds ter hand genomen om dit te bereiken.

In de Eerste Kamer verklaarde de R.K. minister niet tegen de instelling van een regeringsfonds te zijn en zeide de woordvoerder van de R.K. Kamerfractie onder zekere voorwaarden met de instelling van esn regeringsfonds accoord te kunnen en te zullen gaan. Of men er echter in zal slagen om tot een overeenstemming te komen, dient afgewacht te worden. In elk geval zal dit nog niet zo gemakkelijk gaan en is de positie der regering daarbij verre van gemakkelijk. Zal zij bereid zijn om het wetsontwerp in zake de huurverhoging in te trekken of het geheel om te werken, of met een nieuw wetsvoorstel te komen, of er genoegen mede nemen, dat het wetsontwerp door indiening van amendementen zodanig gewijzigd wordt, dat de huurverhoging zowel voor de Rooms-Katholieken als voor de socialisten aanvaardbaar wordt? Worden de huren aanmerkelijk verhoogd, dan zullen er wel door de regering compensaties moeten worden ingevoerd, wat wijziging van de lonen-en prijzenpolitiek tengevolge zal hebben; een wijziging welke de regering nog kort geleden heeft afgewezen, verklarende, dat er rust in de prijzen-en lonenpolitiek diende te komen.

Geen wonder, dat er onder deze omstandigheden reeds stemmen zijn opgegaan om van de hum-verhoging maar geheel af te zien en de regeling daarvan maar uit te stellen tot na de Kamerverkiezingen van 1956 en deze over te laten aan de na deze verkiezingen gevormde regering, hetgeen tegenover de huiseigenaren, die van al de Nederlanders al verreweg het zwaarste door de regeringsmaatregelen getroffen zijn, wel een grove onbillijkheid zou zijn.

Is de positie van de regering, als wij op bovenvermelde zaken letten, al een moeilijke, zij is dit nog te meer indien wij er acht op geven, wat er in het Voorlopig Verslag 'betreffende de belastingvoorstellen door de leden van de Tweede Kamer is opgemerkt. In dit verslag, dat dezer dagen is uitgekomen, treffen wij een vrij algemene klacht aan, dat in de Memorie van Toelichting iedere motivering van het voor de verlaging beschikbare Ibedrag van ƒ 500 millioen ontbreekt. De regering — zo wordt daarin verklaard — mag echter niet van de Kamer verwachten, dat zij de apodictische uitspraken, welke de toelichting op dit punt bevat, een voldoende grondslag acht voor het nemen van beslissingen.

Daarenboven verklaarden vele leden, dat zij wel met voldoening de indiening van een reeks wijzigingen in de belastingen hebben begroet, maar dat zij zich teleurgesteld gevoelden — en dit zeer terecht — door het voornemen van de regering, het totaal van de belastingverlaging te beperken tot ƒ 502 millioen, terwijl blijkens de Memorie van Toelichting de regering oorspronkelijk van plan was om de belastingen met een bedi'ag van ƒ 550 millioen te verlagen. Deze leden waren van oordeel — hetgeen onder de gegeven omstandigheden zeer begrijpelijk is — dat er veel meer reden bestaan om 't destijds genoemde bedrag van ƒ 550 millioen, bestemd voor belastingverlaging, te verhogen, dan, zoals de regering het thans voorstelt, het tot ƒ 502 millioen te verlagen. Zij drongen hierbij bij de regering er op aan, 'hun opgave te willen verstrekken van de opbrengst van de rijksmiddelen van 1955. Ook werd de klacht geuit, dat de verlaging der mkomstenbelasting in het voorstel der regering niet zo ver gaat als toch met het oog op de gunstige staat van de rijksschatkist zeer wel mogelijk zou zijn, terwijl ook al over de onbillijkheden en de ongelijke behandeling werd geklaagd, welke de regeringsvoorstellen, indien zij aanvaard worden, voor de belastingbetalers zullen mede brengen. Zo wordt er volgens deze klacht de grootste verlichting bij de door de regering voorgestelde belastingverlaging gegeven aan hen, die deze het minst van node hebben, terwijl de middengroepen niet of nauwelijks enige verlichting zullen bekomen.

Ook in dit Voorlopig Verslag komt een diepgaand verschil tussen de Kamerleden van de K.V.P. en die van de P.v.d.A. aan de dag. De socialistische Kamerleden hdbben hun bedenkingen tegen de belastingverlaging in dit verslag niet onder stoelen of banken gestoken. Zij betonen zich er in feite afkerig van. Dit blijkt wel uit verschillende vragen en opmerkingen, welke 'beslist van hun kant in het verslag gebracht zijn. Zo stelden zij onder meer de vraag, of de regering bereid was een nadere toelichting te geven over de kwestie, of de actuele budgetaii'e toestand een belastingverlaging tot het voorgestelde bedrag van ƒ 502 millioen wel toelaat. Daarbij bepleitten de socialistische Kamerleden op grond van conjunctuele overwegingen althans de verlaging van de directe belastingen uit te stellen totdat de stand van de werkgelegenheid een nieuwe injectie in het economisch leven wenselijk inaakt, en wezen zij op allerlei uitgaven, welke de regering in de nabije toekomst zal hebben te doen.

De R.K. Kamerleden daarentegen stonden wel terdege op belastingverlaging en bepleitten met vele andere leden een verlaging van de vennootschap'belasting. Uit dit alles blij'kt wel, dat de positie der regering op het ogenblik moeilijk is, en dat haar straks nog allerlei moeilijkheden te wachten staan, onder meer bij de behandeling van de wetsvoorstellen van de huurverhoging en de 'belastingverlaging. Nochtans wil het er 'bij ons nog niet in, dat het kabinet daarop zal stranden en ten val gebracht worden. Veel wijst er op, dat er dan weer gelijmd en gekramd zal worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1955

De Banier | 8 Pagina's

Uit het eigen land

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1955

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken