Bekijk het origineel

Financiële beschouwingen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Financiële beschouwingen

16 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van Ir van Dis

Gezien de droeve omstandigheden, waarin Ds. Zandt met het oog op de toestand van zijn vrouw verkeerde, was het hem begrijpelijkerwijs niet mogelijk, de vorige week deel te nemen aan de Algemene Beschouwingen over 's Rijks financiën, zoals hij bij vorige gelegenheden placht te doen. Daarom werd dit op Ds. Zandts verzoek dit keer gedaan door Ir. van Dis. Voordat wij echter diens rede laten volgen, achten wij het nodig eerst enige toelichting te geven op enkele in deze rede voorkomende uitdrukkingen, waar wellicht niet ieder weet wat daarvan de betekenis is. Zo wordt er in gesproken over de „gewone dienst" en de „gehele dienst", hetgeen wel enige opheldering vereist.

Men moet dan weten, dat er in ons land eigenlijk drie diensten zijn, waarover de inkomsten en uitgaven verdeeld zijn. Ten eerste is er een gewone dienst, ten tweede een buitengewone dienst I en ten derde een buitengewone dienst II.

Op de gewone dienst worden elk jaar aan de ene kant de ieder jaar terugkerende uitgaven verantwoord, zoals die ten behoeve van de lonen en salarissen, kan­ toorbehoeften, rente van de nationale schuld, subsidies en premiën voor de woningbouw, en nog vele andere meer, terwijl aan de andere kant de inkomsten uit de belastingen en enkele andere bronnen verantwoord worden.

De buitengewone dienst I heeft in hoofdzaak betrekking op de uitgaven tot afwikkeling van de rijksbijdragen in geleden oorlogs-en watersnoodschade, terwijl de opbrengst van de liquidatie van vijandelijk vermogpn daar tegenover staat. Het is begrijpelijk, dat deze buitengewone dienst I na verloop van enige jaren zal ophouden te bestaan.

Nu is er nog de buitengewone dienst II, die kortweg ook wel de kapitaaldienst wordt genoemd, omdat zij betrekking heeft op de kapitaalsuitgaven en kapitaalsinkomsten. Het gaat bij deze dienst dus om de investeringen van het Rijk, zoals bijvoorbeeld de aankoop van grond, de Zuiderzeewerken en andere inpolderingen, de aanleg van land-en waterwegen, alsook die van bruggen, dijken, vliegvelden, bouw van oorlogsschepen enz. Ook de aflossingen op de Staatsschuld en de kapitaalverstrekkingen aan de staatsbedrijven, zoals de Staatsmijnen, de P.T.T. enz., worden op de kapitaaldienst verantwoord.

Nu is het gewoonte om de cijfers van de gewone dienst en de buitengewone dienst I samen te nemen en daaraan toe te voegen het 'bedrag, dat het Rijk ten laste legt aan het Landbouw-Egalisatiefonds. Deze cijfers tezamen vormen dan de zogenaamde „lopende dienst", die dan ook wel gemakshalve de gewone uitgaven worden genoemd. Op de begroting voor 1956 nu komt op de lopende dienst een bedrag aan uitgaven voor van 5691 miljoen gulden, terwijl dit op de begroting voor 1955 een bedrag van 5589 miljoen was. Hieruit blijkt dus, dat de uitgaven van de lopende dienst, vergeleken met een jaar geleden, 102 miljoen gulden hoger zijn. De inkomsten voor 1956 zijn geraamd op 5661 miljoen, zodat er voor genoemd jaar een tekort is op de lopende dienst van 30 miljoen gulden. Dit tekort is 22 miljoen hoger dan voor 1955 was geraamd, want toen was er een tekort van 8 miljoen. Het blijft voor 1956 echter niet bij een tekort van 30 müjoen gulden, er zullen zeker nog wel — zoals de minister van Financiën heeft verklaard — 50 miljoen bijkomen, zodat het tekort daarmede zal stijgen tot 80 miljoen!

Op de kapitaaldienst voor 1956 echter, met een uitgavencijfer van 991 miljoen en een inkomstencijfer van 441 miljoen, is een tekort van 550 miljoen.

De gehele begroting, dat wil zeggen de lopende dienst en de kapitaaldienst tezamen, geven alzo voor 1956 aan uitgaven een bedrag van 6682 müjoen te zien, en aan inkomsten een bedrag van 6102 müjoen, zodat het tekort op de gehele dienst 580 müjoen bedraagt.

Uit het bovenstaande volgt alzo, dat het allergi-ootste gedeelte van het tekort op de gehele dienst veroorzaakt wordt door de kapitaaldienst.

Dit neemt niet weg, dat de stijging van de uitgaven van de lopende dienst geen gering bedrag is. Honder-en-twee müjoen gulden is toch geen kleinigheid. Doordat de inkomsten voor 1956 hoger geraamd konden worden, is het tekort 30 müjoen geworden, waar echter — zoals opgemerkt — nog 50 miljoen bijkomen. Het zou toch op de weg van de regering hggen om dit tekort te voorkomen, hetgeen mogelijk zou zijn door de uitgaven krachtig in te perken.

Daarvan wil zij echter niet weten. Integendeel, de uitgaven van de lopende dienst zijn voor 1956 maar eventjes 102 miljoen hoger geraamd, vergeleken bij 1955, hetgeen begrijpelijk is als men bedenkt, dat er ongeveer 6000 nieuwe ambtenaren zullen worden aangesteld. Voorwaar geen kleinigheid! De belastingbetalers moeten het geld er maar voor opbrengen, ook al moeten ze er vaak krom voor hggen en zich allerlei ontberingen getroosten. Bovendien worden er jaarlijks müjoenen en nog eens miljoenen guldens uitgegeven voor de Organisatie der Verenigde Naties en andere internationale instellingen. Gezien het totale fiasco hiervan, kunnen al deze müjoenen niet anders dan weggesmeten geld genoemd worden. Daarbij komen dan nog de vele subsidies aan dans, toneel en andere dingen, die al niet minder weggegooid geld zijn. Van belastingverlaging wil de regering echter niets weten. De minister van Financiën had dit reeds in zijn Memorie van Antwoord van de hand gewezen, en in zijn antwoord op de rede van de heer van Dis verklaarde hij bij vernieuwing, dat er aan verdere belastingverlaging persé niet te denken valt. Wij zullen onze toeHchting hiermede be­

ëindigen en thans de rede laten volgen.

Mijnheer de Voorzitter!

Bij de algemene financiële beschouwingen over de Rijksbegroting voor 1956 wensen wij te beginnen met de opmer­ king, dat wij ons kunnen aansluiten bij die leden, die in het Voorlopig Verslag te kennen gegeven hebben, dat zij het eens zijn met hetgeen de Regering in de Mülioenennota heeft verklaard, namelijk dat het oordeel over deze ontwerp-begroting niet onverdeeld gunstig kan luiden. Er is toch inderdaad reden te over om de financiële toestand des lands met bezorgdheid aan te zien. De

sterke stijging der Overheidsuitgaven,

die in de laatste jaren op verontrustende wijze heeft plaats gevonden, geeft daar alle aanleiding toe. In 1952 toch wees de on'twerp-begroting aan, dat de uitgaven voor de Gewone Dienst op 3801 mUlioen moesten worden gesteld, terwijl zij voor 1956 op niet minder dan 5169 mUlioen gesteld zijn. Dit komt hier op neer, dat in vier jaar 'tijds de Overheidsuitgaven met

niet minder dan 36 pet.

gestegen zijn. Bepalen wij ons tot de laatste jaren, dan blijkt, dat de Overheidsuitgaven ten behoeve van de Gewone Dienst, vergeleken met 1955, een stijging te zien geven van 4467 tot 5169 mülioen, dat is dus een stijging van ruim 10 pet. Bezien wij de Gehele dienst alleen voor 1955, dan komt daarbij vast te staan, dat de vermoedelijke uitgaven 7744 mülioen zullen bedragen, terwijl zij door de Minister van Financiën in dat jaar op 6625 mülioen geraamd waren. Dit houdt dus in, dat de uitgaven voor de Gehele Dienst van dat jaar niet minder dan

17 pet. hoger zijn

dan de raming. En wat voor 1955 geldt, kan ook gezegd worden van vroegere jaren. Ook toen zijn de ramingen van de Rijksuitgaven beneden de werkelijke uitgaven gebleven.

Dit maakt het ontegenzeggelijk zeert moeilijk om een juist inzicht over de Rijksfinanciën 'te bekomen. Wij kunnen dan ook ten volle onderschrijven wat in het Voorlopig Verslag is opgemerkt, dat, waar financiële deskundigen reeds de

grootste moeite

hebben om zich een juist beeld van de Rijksfinanciën 'te kunnen vormen, dit voor niet deskundigen, al hebben zij overigens een behoorlijke ontwiklceling, schier onmogelijk is. Dat de ramingen veel te laag en dus niet betrouwbaar waren, blijkt overigens wel zeer duidelijk uit het feit, dat er telkenjare suppletoire begrotingen no'dig waren, welke de toegestane uitgaven sterk deden stijgen. Dit zal ook wel voor 1956 het geval zijn, hetgeen door de Minister zelf wordt toegegeven, waar hij in zijn Mülioenennota mededeelt, dat er voor 1956 met zekerheid enige suppletoire begrotingen verwacht moeten worden tot een bedrag van omstreeks 50 mülioen, waardoor het thans op 30 mülioen geraamde tekort zal stijgen tot circa

80 miUioen.

Hierbij komt nog, dat er thans ontvangsten zijn opgegeven, welke niet elk jaar terugkeren, bijvoorbeeld het bedrag van 120 mülioen wegens liquidatie van vijandelijke vermogens. Wanneer dergelijke ontvangsten ia de toekomst vervallen, hetgeen wel zeker is, dan wordt de positie der Rijksfinanciën nog ongunstiger. Mede met het oog hierop behoorde dan ook door de Regering alles in het werk te zijn gesteld om 'te komen tot

beperking der Rijksuitgaven.

In plaats hiervan zijn echter de gewone Staatsuitgaven voor 1956, vergeleken met die voor 1955, weer met 102 mülioen hoger geraamd. Hoewel dit bedrag reeds aanmerkelijk hoog is, komt dit in nog veel ongunstiger licht te staan, als men bedenkt, dat voor herstel van materiële oorlogsschade 382 mülioen en voor watersnoodschade 111 mülioen op de huidige begroting minder geraamd kon worden. Zo bezien, is de begroting dus nog veel

ongunstiger.

En dit alles wordt zoveel te erger, als de conjunctuur omslaa't. De Regering heeft de laatste jaren van een hoogconjimctuur kunnen profiteren. Doch er bestaat volstrekt geen zekerheid, dat deze toestand zal voortduren. Indien de conjunctuur teruggaat, dan kunnen de gevolgen voor heel ons volk van

zeer ernstige

aard zijn. Er bestaat vrijwel geen klasse van mensen, welke daardoor niet uiterst zwaar getroffen zou worden en de minstdraagkrachtigen onder hen wel het zwaarst.

Wanneer toch de conjunctuur omslaat, dan zal dit stellig ook zijn terugslag hebben op de opbrengs't der belastingen. De opbrengsten van de omzetbelasting, van de loon-en inkomstenbelasting, van de vermootschapsbelasting, van de invoerrechten en accijnzen, welke tezamen

meer dan 80 pet.

van de totale belastingopbrengst vormen, zullen alsdan stellig dalen.

Voorts vraagt de sanering van de Indische pensioenen, waarvan is toegezegd, dat zij, ongeacht het tijdstip van totstandkoming der herziening, in elk geval op 1 Januari 1956 zal ingaan, de nodige voorzieningen.

Mijnheer de Voorzitter! Gezien dit begrotingsbeeld, kunnen wij niet verhelen, dat de toestand van 's lands financiën ons met grote zorg vervult. Met het oog daarop verontrust ons de

sterke toeneming

van het aantal Rijksambtenaren. Bij alle Departementen, behalve die van Justitie en Financiën, is hun aantal uitgebreid. Op 1 Juni 1955 bedroeg hun aantal 77.324, terwijl thans gelden worden aangevraagd voor 83.941 ambtenaren, hetgeen neerkomt op een toeneming van 9 pet. Bij het Departement van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening alleen reeds zal er een vermeerdering zijn van 6697 tot 8204. Ook als men in aanmerking neemt, dat in deze vermeerdering begrepen is een aantal van 675, dat in vas'te dienst wordt opgenomen, dan zullen er bij dit Departement 832 nieuwe ambtenaren worden aangesteld. Ook bij de Departementen

van Oorlog en van Marine

is het aan'tal ambtenaren sterk toegenomen, namelijk van 9449 in 1954 tot 20.610 in 1956. Dit is alzo in twee jaren met meer dan 100 pet., al moet ook hierbij in aanmerking worden genomen, dat een deel daarvan in vaste dienst is overgegaan. Toch is de toestand zo, dat op een totaal aantal ambtenaren van 34.064, overeenkomend met de sterkte van twee divisies, slechts één parate militaire divisie staat.

Voorts valt bij het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen eveneens een

sterke vermeerdering

van het aantal ambtenaren waar te nemen. De Staatsdienst wordt dus inplaats van ingekrompen nog maar steeds uitgebreid. Brengt de grote vermeerdering van het aantal Rijksambtenaren met zich mede, dat de uitgaven van het Rijk daardoor niet onaanzienlijk stijgen, uitgaven, welke de belastingbetaler maar heeft op te brengen, ook wordt daardoor de ambtenarij bevorderd. Wanneer wij daartegen

ernstige bezwaren

hebben, wü dit geenszins zeggen, dat vnj een goede ambtenaar niet zouden waarderen, en eveimiin, dat wij op het standpunt staan, dat het Rijk geen ambtenaren nodig heeft, maar hun aantal behoort niet al maar hoger te worden opgevoerd, daar dit èn voor de schatkist nadelig is èn ook de

bureaucratie

danig in de hand werkt. Bovendien schuilt hier ook een groot gevaar voor de nieuw aangestelde en nog aan te stellen ambtenaren zelf. In welk een benarde positie 'toch komen dezen met-hun gezinnen te verkeren, indien de conjimctuur omslaat en zij, gelijk al meer gebeurd is, zelfs

in groten getale ontslagen

moeten worden. Voorts worden door hot aanstellen van nieuwe ambtenaren nog meer arbeidskrachten onttrokken aan het bedrijfsleven, dat toch al met zulk een groot gebrek aan personeel te kampen heeft.

Te meer nog verwondert ons de sterke toeneming van het aantal ambtenaren, waar toch anderzijds het aantal ambtenaren verminderd moet zijn, als wij er acht op geven, dat de uitgaven voor oorlogs-en watersnoodschade vrijwel vervallen zijn.

Mijnheer de Voorzitter! Bovendien hadden wij het wenselijk gevonden, indien de verminderde uitgaven voor oorlogsen watersnoodschade besteed waren aan

verlaging van de belastingen.

Niettegenstaande vwj dit jaar een belastingverlaging gekregen hebben, is de belastingdruk toch nog zeer zwaar. Zowel voor het leven van particulieren als voor de bedrijven zijn de belastingen nog veel te hoog. Al sedert jaren hebben vnj daarom bij de Regering verlaging van de

zwaar drukkende belastingen

bepleit. Niet dat wij daarbij het recht der Overheid op het heffen van belastingen hebben ontkend. Integendeel, wij hebben er steeds op gewezen, dat de Overheid van Godswege het recht is toegekend belastingen te heffen.

Belasting moet echter geen overbelasting gaan worden of, zoals een ^

Middelburgs predikant uit de 17e eeuw

het eens uitdrukte: de Overheid mag wel de wol, maar niet de huid van de schapen voor zich opeisen.

En dit laatste is in de jaren na de bevrijding maar al te zeer het geval geweest, waar in die jaren op ons volk een schier ondraaglijke belastingdruk werd en nog wordt uitgeoefend. Een overmatige belastingdruk wordt ook door de

Heilige Schrift

nadrukkelijk afgekeurd en door haar vergeleken met een kastijden met schorpioenen.

Het ontmoet bij ons voorts ernstige b& zwaren, als de Overheid tot het bekomen van een groot Staatsvermogen extra zware belastingen en lasten gaat heffen.

Wij kunnen ons niet ontworstelen aan de indruk, dat de politiek van de naoorlogse Ministers van Financiën gericht geweest is op nivellering en Staatskapitalisme.

Wij zijn van oordeel, dat de zware belastingdruk nimmer zo hoog had behoeven te zijn als hij geweest is. Daarom hebben wij in 1951 dan ook tegen belastingverhoging gestemd. De uitkomst heeft ons daarin volkomen gerechtvaardigd, want het is gebleken, dat die verhogingen in het geheel niet nodig geweest zijn. Wij verkeren hierbij in de vaste overtuiging, dat het voor de welvaart des lands van veel groter belang is, dat het

volksvermogen

ook al door te kunnen sparen, in goede staat verkeert dan dat het Staatsvermogen wordt opgedreven.

Hoge en zware belastingen hebben bovendien nog dit tegen, dat zij onder de bevolking een

ontevreden, zelfs verbitterde

stemming verwekken en dit wel vooral, indien deze belastingen slechts met de grootste moeite kunnen worden opgebracht. En dit is in zeer vele gevallen zo geweest. Om de hoge belastingen te kunnen opbrengen, is er menigmaal bezuinigd moeten worden op kleding, dekking en voeding, terwijl het voorgekomen is en nog voorkomt, ook in de

middengroepen en de middenstand,

dat mede door de hoge belastingen men zijn kinderen niet die opvoeding en opleiding kon geven, welke men hun had vifensen te geven.

Het heeft ons dan ook wel zeer teleurgesteld, dat de Minister een verdere belastingverlaging heeft afgewezen. Te meer, om dat ook voor 1956 een

hogere belastingopbrengst

wordt verwacht dan geraamd is, namehjk van 189 miUioen gidden, hetgeen vanwege de thans bestaande hoogconjunctuur ook begrijpelijk is, daar hierdoor de inkomsten van een zeer groot deel van ons volk verhoogd zijn. Alleen de zo genoemde

vergeten groepen

delen daarin niet. Deze verkeren wel in zeer benarde maatschappehjke omstandigheden, daar het leven voor hen steeds duurder werd. Deze groepen vertegenwoordigen een behoorlijk aantal mensen. Zij omvatten kleine renteniers, laag gepensionneerden, Indische Nederlanders, weduwen en wezen en zovele anderen, die over geen ruime geldmiddelen beschikken en van een

klein inkomen

moeten rondkomen. Voor deze lieden is van Regeringswege vrijwel niets gedaan, terwijl zij toch wel in bijzondere mate door het dure leven zwaar getroffen worden.

De Regering ga voorts alles tegen wat het leven nogal duurder zal maken, hetgeen ongetwijfeld het geval zal zijn als er weer opnieuw algemene loonronden zouden worden ingevoerd. Hierbij heeft tenslotte niemand baat, ook de

arbeiders

niet, daar bij de algemene loonronden steeds de prijzen gaan stijgen. Bovendien dreigt dan het grote gevaar, dat onze export daaronder schromelijk zal gaan lijden, hetgeen uiteindelijk ten gevolge zal hebben, dat er werkloosheid zal optreden en alzo de ellende daaraan verbonden, onder ons volk zal terugkeren. Ook zal een algemene loonronde ten gevolge hebben, dat onze munt, de gulden, welke reeds zozeer in waarde gedaald is, nog meer zal dalen, wat ook-al geen geringe maatschappelijke ellende over ons volk zal brengen.

Mijnheer de Voorzitter! Overgaande tot de bespreking van een ander onderwerp, gaan wij thans enkele opmerkingen maken over de

defensie-uitgaven.

Het is bekend, dat vidj de goede verdediging van ons land steeds als een van God opgelegde verplichting beschouwd hebben en daarom ook steeds onze medewerking hebben verleend aan het verschaffen van de geldmiddelen ten behoeve van de landsverdediging. Wij hebben eohter

met bezorgdheid

ervan kennis genomen, dat thans in de stukken betreffende de begroting wordt gewaagd van kosten van vervanging en onderhoudskosten, welke nog meer zullen vragen dan in het 3-jarenplan voor de opbouw werd voorzien. Wat de defensie-uitgaven betreft, zijn wij er vol-Strekt niet overtuigd van, dat daarbij steeds nodige zuinigheid wordt betracht. Zo frappeert het ons zeer, dat de militaire kasuitgaven in het eerste halfjaar van 1955

877 millioen

beliepen tegen 722 mülioen in het overeenkomstige tijdvak van 1954. Wij zijn voorstanders — zoals tevoren reeds door mij is opgemerkt — van een deugdelijke landsverdediging en de offers, welke ons volk daarvoor opbrengt, zijn waarlijk niet gering. De

dienstplichtige militairen

hebben een lange diensttijd te vervullen en hebben die soms onder hoogst moei-Hjke omstandigheden met allerlei opofferingen, voor wat betreft studie, werkkring en ook anderszins, waar te nemen. Hierop lettend, is het te meer dure plicht der Regering te zorgen, dat de gelden voor de verdediging.

zuinig en doelmatig

worden besteed en dat er alzo niet met het geld wordt gesmeten. En wat voor de defensie geldt, geldt evenzeer voor alle andere Departementen, niet alleen voor wat betreft de personeelsuitgaven, waarop wij reeds de aandacht gevestigd hebben, maar ook tal van andere uitgaven. Om maar een voorbeeld te noemen, wijzen wij op het Departement van Onderwijs. Op de begroting van dit Departement prijken tal van posten, die daarop niet meer behoorden voor te komen. Wij noemen onder meer de gelden, welke uitgegeven worden ten behoeve van

l-oneel en opera,

tot zelfs voor het

dansen en de danskunst

toe en ook nog voor andere dingen, welke eveneens uit principiële overwegingen door de Overheid niet behoorden te worden gesteund met gelden uit de Staatskas.

Ook de millioenen en millioenen, welke jaar op jaar op de begroting voorkomen ten behoeve van het

internationalisme,

de Organisatie der Verenigde Naties en andere instellingen van gelijksoortige aard, zijn weggesmeten geld. Kortom, er hebben tal van Rijksuitgaven plaats gehad — en zij hebben nog plaats — welke beslist overbodig zijn en die voor heel wat nulttiger doeleinden hadden kunnen besteed worden. Wij denken bijvoorbeeld aan de

woningbouw.

Hoeveel beter zou ons volk er bij gevaren zijn, indien de zovele onnodig uitgegeven millioenen waren aangewend ten behoeve van de zo ontzaglijk grote ellende van de woningnood, welke na tien jaren nog niet gelenigd is, ja in onderscheidene plaatsen zelfs nog erger is dan na de beëindiging van de oorlog. Hierbij, Mijnheer de Voorzitter, zullen wij het laten na nog eens met alle nadruk er op gewezen te hebben, dat het van een

wijs en voorzichtig

financieel beleid zou getuigen, wanneer de Minister en de Staatssecretaris het daarheen zouden leiden, dat de enorm hoog opgevoerde Rijksuitgaven worden verminderd en de zwaar drukkende belas'tingen verlaagd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1955

De Banier | 8 Pagina's

Financiële beschouwingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1955

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken