Bekijk het origineel

Algemene beschouwingen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Algemene beschouwingen

13 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van Ds Zandi

Deze beschouwingen hadden vruchtbaarder kunnen zijn. Er ontbrak een uiteenzetting van de minister over de Miljoenennota. En dit niet alleen. De Memorie van Antwoord was in vage termen gesteld. Vele vragen waren daarin onbeantwoord gebleven. Dit was niet zo zeer te wijten aan de nieuw opgetreden minister van Financiën, als wel veel meer daaraan, dat de kabinetscrisis zo enorm lang had geduurd. Daarom moesten de debatten zich tot algemene opmerkingen bepalen.

Het opmerkelijke hierbij was, dat de communisten, die bij deze gelegenheid in vroegere jaren heel wat noten op hun zang hadden, deze keer in het geheel niet aan het debat hebben deelgenomen. Al de overige fracties deden zulks wel.

Ook de S.G.P.-fractie, namens welke Ds. Zandt het woord voerde. Deze drong in zijn rede op de betrachting van de versobering van de zo hoog geklommen rijksuitgaven aan en dat er nu eindelijk eens een einde gemaakt diende te worden aan de geldsmijterij door de minister van Financiën, alsook dat de ambtenarij en bureaucratie ingekort behoorden te worden. Niet minder sterk bepleitte hij, dat tegen verdere inflatie, de vermindering van de waarde van onze munt, de gulden, opgetreden moest worden, en dat het leven niet nog al duurder gemaakt moest worden, hetgeen zeer te vrezen is als wij letten op de door de minister van Financiën aangekondigde maatregelen der regering.

Het kwam toch bij deze debatten reeds vast te staan, dat onder meer suiker, melk en ook de benzine in prijs verhoogd zullen worden. De prijsverhogingen voor melk en suiker, dit zijn levensmiddelen, welke, doordat de regering haar tot dusver toegekende subsidie op deze artikelen voornemens is te verlagen, ontegenzeggelijk er toe zullen bijdragen, dat het leven duurder wordt en dat het levensonderhoud voor menigeen en menig gezin, die over geen grote inkomsten te beschikken hebben, nog al zo veel te moeilijker wordt dan het nu al is.

En wat de verhoging van de benzineprijs tot 45 cent per liter betreft, deze verhoging zal er ook aan medewerken, dat het leven duurder en het levensonderhoud nog al moeilijker., wordt. Verhoging van de benzineprijs gaat onvermijdelijk gepaard met een aanzienlijke verhoging van de exploitatiekosten van automobielen, en in het bijzonder ook van bedrijfsautomobielen, zoals vrachtauto's, autobussen, taxi's en dergelijke. Deze verhoogde kosten zullen wel vrij zeker tot uitdrukking komen in de vervoersprijzen.

Indien men bedenkt, dat naar schatting alleen al 90 procent van de bouwmaterialen en 80 procent van de landbouwproducten over de weg wordt vervoerd, dat dagelijks een zeer groot aantal arbeiders per autobus naar de bedrijven wordt vervoerd voor rekening van de ondernemingen, dan kan het niet uitblijven, dat het publiek uiteindelijk met de financiële gevolgen van een hogere benzineprijs wordt belast.

Geen wonder dan ook, dat er in de kringen van vervoer en verkeer grote tegen­ zin en verontrusting over de verhoging van de benzineprijs tot 45 cent heerst.

Ten aanzien van deze verhoging van de prijzen van suiker, meDc en benzine verklaarde Ds. Zandt in zijn rede zich er tegen, gelijk hij dit ook deed tegen een verdere verzwaring van de lasten en belastingen, welke dit ministerie zal willen invoeren. De druk van de belastingen is nu reeds zo exorbitant hoog, gelijk de minister zelf erkende. Hierbij komt nog, dat de belastingen in 1957 door de extra-belasting ten bate van de Algemene Ouderdomswet voor talloze Nederlanders reeds zo aanmerkelijk verzwaard worden, zodat niet verantwoord is zowel voor vele particulieren als vele bedrijven deze nog verder de hoogte in te drijven.

Daarom bepleitte Ds. Zandt met alle nadruk, dat er op de uitgaven van het Rijk sterk bezuinigd diende te worden, hetgeen ook stellig zeer wel kan, want er is tot op heden maar al te zeer met de rijksgelden gesmeten.

Na deze toeUchting laten wij de rede van Ds. Zandt hier onverkort volgen. Zij luidt:

Mijnheer de Voorzitter!

De minister zijn wij erkentelijk voor zijn royale verklaring, door hem in het begin van de Memorie van Ant\voord gedaan.

Hij schrijft namelijk daarin, dat door het niet tijdig tot stand komen van het nieuwe kabinet

een uiteenzetting

in de Miljoenennota omtrent het in 1957 door de regering te voeren financiële beleid grotendeels moest ontbreken. Dit heeft tengevolge, dat de debatten niet naar behoren kunnen worden gevoerd, en betrekkelijk weinig waarde zullen hebben, althans niet die waarde als wanneer die uiteenzetting volledig had plaats gevonden. De

betrekkelijke vruchteloosheid

van de debatten wordt nog versterkt door het feit, dat het advies van de Sociaal Economische Raad over de zo belangrijke aangelegenheid van de beperking der bestedingen niet is uitgebracht.

Het komt ons voor, dat het beter ware geweest, de debatten enige tijd uit te stellen, waaraan — wdj geven het toe — ook bezwaren verbonden waren. Nochtans, zoals de debatten thans moeten plaats vinden, is er toch een zeer sterke schaduwzijde aan verbonden, ook al doordat veel vaagheid omtrent tal van zaken in de Memorie van Antwoord is aan te treffen.

Mijnheer de Voorzitter! Overgaande tot de eigenlijke besprekingen van de financiën des lands constateren wij, dat deze zich in

een zeer précaire toestand

bevinden. Het behoeft ook niet te verwonderen, dat het daarop is uitgelopen. Jaren achtereen is er met rijksgelden gesmeten. Tevergeefs is onzerzijds daartegen ook al jaren achtereen gewaarschuwd. Telkens werden daarentegen de uitgaven van de staat op een onverantwoorde wijze de hoogte ingedreven. Een bewijs daarvoor wordt door de minister zelf geleverd, waar hij in de Memorie van Antwoord opmerkt, dat de

uitgaven voor 1957

in vergelijking met 1956 met ruim 800 miljoen gestegen zijn. Het scheen wel, of het geld maar voor het grijpen lag en alsof de regering over een boom beschikte, waaraan zij maar behoefde te schudden en duizenden, honderdduizenden en müjoenen vielen er van af. Thans is het zover gekomen, dat de schatkist leeg is en dat trots de geweldige opbrengst van de belastingen de steeds toenemende staatsuitgaven daardoor niet meer kunnen worden gedekt. Allerlei maatregelen van de regering hebben het hare daartoe bijgedragen. Door de uitoefening van

allerlei staatsdwang

is het aantal ambtenaren tot een heirleger uitgegroeid. Om ons maar bij de twee laatste jaren te bepalen: op 1 Juni 1955 bedroeg het aantal rijksambtenaren reeds 77.324. Daarbij is het nog niet gebleven. Bij de begroting voor 1956 werden gelden aangevraagd voor

83.941 rijksambtenaren,

hetgeen neerkwam op een toeneming van 9%, en dat in een enkel jaar. Toen werden alleen op het departement van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening 832 ambtenaren aangesteld en op het departement van Oorlog en Marine steeg het aantal ambtenaren nog zoveel te sterker. Daar steeg het aantal ambtenaren in twee jaar Hjds met niet minder dan

ruim 11000,

terwijl op het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen in 1956 eveneens een grote vermeerdering van het aantal ambtenaren plaats vond.

Wat de begroting voor 1957 betreft, de minister 'deelt in de Memorie van Antwoord mede, dat er voor de uitvoering van de algemene ouderdomswet 800 man personeel zal moeten worden aangesteld en dat er ten behoeve van het departement van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening een toeneming met ongeveer 700 man is geraamd. Dit wil zeggen, mijnheer de Voorzitter, dat de begrotingssterkte voor 1957 met betrekking tot het burgerHjk personeel, waarbij het departement van Defensie buiten beschouwing is gelaten,

circa 7% hoger

is dan de werkelijke sterkte op 30 Juni 1956. Ons lijkt, dat, hoewel wij nogmaals willen verklaren, dat wij goede ambtenaren voor het rijk onmisbaar achten en wrij hun werkzaamheden ook zeer wel waarderen, het steeds maar opvoeren van het aantal ambtenaren niet verantwoord is, niet verantwoord, waimeer wij letten op de hachelijke financiële toestand des lands, evenmin verantwoord omdat de bureaucratie daardoor danig wordt bevorderd en ook al niet verantwoord voor de ambtenaren zelf. Indien toch de conjunctuur omslaat, dan zullen noodwendiger wijze

vele ambtenaren

ontslagen moeten worden en met hun gezinnen op straat komen te staan.

Voorts willen wij er nog aan toevoegen, dat bij de grote schaarste in het particuliere bedrijfsleven aan arbeidskrachten, het steeds en het steeds maar weer aanstellen van nieuwe ambtenaren, voor de bedrijven hoogst schadelijk is.

Mijnheer de Voorzitter! Voor het tot stand komen van de zo nodige versobering in de zo

exorbitant hoge rijksuitgaven,

achten wij de steeds doorgaande aanstelling van honderden ambtenaren funest. Daaraan dient eindehjk eens een einde te komen, ja zeKs is er vermindering nodig. De minister, die in zijn Memorie van Antwoord zelf gewaagt van het huidige geweldig hoge peil van de rijksuitgaven en daarin voorts mededeelt, dat hij zich als eerste doel gesteld heeft, na te gaan, welke gewone uitgaven kunnen worden verlaagd, zou er dan ook goed aan doen, aan deze materie zijn volle aandacht te vidjden en de zo nodige, vereiste maatregelen ten aanzien van de

ambtenarij en de bureaucratie

te treffen.

Mijnheer de Voorzitter! Wij sluiten ons bij de overgrote meerderheid van de kamerleden aan, die in het Voorlopig Verslag op beperking van de bestedingen hebben aangedrongen, vooral wat betreft de bouw van sommige, zo

kostbare gebouwen

— paleizen worden zij in sommige bladen genoemd — waarin de rijksdiensten gevestigd worden. Dat deze beperking op een doelmatige wijze, zonder dat de goede gang van zaken in den lande daardoor benadeeld wordt, plaats moet hebben, zijn wij volkomen met de geachte bewindsman eens. Vooral op dit punt betreuren wij het, dat het advies van de S.E.R. ons nog niet ter beschikking staat.

Mijnheer de Voorzitter! Een andere aangelegenheid besprekende welke wij ten aanzien van de algemene en ook de financiële welstand van ons volk van groot gewicht beschouwen, gaan wij er toe over, bij de minister te bepleiten, dat door hem, naar menselijk vermogen, alles in het werk gesteld zal worden

om de inflatie te voorkomen.

De waarde van onze munt, de gulden, is reeds zo ontzagHjk gedaald.

Duizenden Nederlanders,

die heel hun leven lang hard hebben gewerkt om voor hun oude dag een kapitaaltje bijeen te brengen, opdat zij daarvan zouden kunnen leven op hun oude dag, zonder iemand nodig te hebben, zijn van de waardevermindering van onze gulden al de dupe geworden.

Zij kunnen nu, oud geworden, met dat kapitaaltje in him levensonderhoud niet meer voorzien, dewijl mede en vooral door de muntontwaarding, het leven zo duur is geworden. En dit dreigt nog duurder te worden en zal ook door de regeringsmaatregelen duurder worden.

Zo is onder meer door de regering aangekondigd, dat

suiker, melk en benzine

duurder zullen worden door de door haar te nemen maatregelen. Wij vrezen, dat het daarbij volstrekt niet zal blijven, doch dat ook nog andere artikelen in prijs zullen stijgen. Dat is wel schier onvermijdelijk. De regering zegt wel er naar te streven, dat de prijzen stabiel bhjven en

het leven niet duurder

zal worden, doch hoe kan zij dat op den duur voorkomen, temeer als wij bedenken, dat ook al in verband met de huurverhoging en de invoering van de Algemene Ouderdomswet loonsverhogingen op komst zijn.

Bovendien valt uit de gewisselde stukken op te maken, dat ook aan een verhoging van de tarieven van de Post en van andere overheidsbedrijven niet te ontkomen zal zijn. Dit zal vrij zeker tot gevolg hebben, dat de gulden nog meer van zijn waarde zal verliezen en dat het leven voor velen nog duurder en voor menigeen nog benauwder zal worden. Dit zal niet alleen voor

de vergeten groepen,

maar ook voor nog zovele andere Nederlanders, die maar over bescheiden inkomsten te beschikken hebben, voor wat het maatschappeüjke leven betreft, zeer ernstige gevolgen hebben. Doch wel in het bijzonder voor de vergeten groepen, wier inkomens niet verhoogd zijn, hoewel het levensonderhoud voor hen door het stijgen van de prijzen steeds benarder is geworden. En dit zijn — de minister zal het ook bekend zijn —

duizenden en duizenden Nederlanders,

onder wie laag gepensionneerden, de weduwen en wezen, de kleine winkeliers, kleine zelfstandigen, Indische Nederlanders en nog al zovele anderen, die maar weinig inkomsten hebben. Instede dat de prijzen steeds maar de lucht in worden gedreven moge de regering er naar staan om het leven

goedkoper

te maken, hetgeen maatschappelijk beschouwd voor een zeer groot aantal Nederlanders een grote weldaad zou zijn. Integendeel is het wel zeker, dat mede door de opheffing van de subsidies op melk en suiker en door de verhoging van de invoerrechten op benzine, het voor vele groepen steeds moeihjker zal worden om in het levensonderhoud te voorzien. Met het oog daarop betrachte de regering toch de nodige voorzichtigheid en ga tot bezuiniging over.

De regering bepleit haar maatregelen wel met een beroep op de noodzaak voor de schatkist, verklarende, dat de afschaffing van de subsidies op melk en suiker ca. ƒ 70 miljoen per jaar ten bate van de schatkist zal opleveren. Wij zijn het met de minister volkomen eens, dat er moet

worden bezuinigd,

maar waarom dan niet op

de grote subsidies

aan sport en spel, toneel en opera, tot het dansen en de danskunst toe. Waarom ook niet bezuinigd

op de miljoenen en nog eens miljoenen,

welke letterlijk weggesmeten worden aan de Organisatie der Verenigde Naties, een instituut, dat machteloos is om ook maar iets goeds uit te voeren, zoals de mtkomst van de laatste dagen ten aanzien van Polen en Hongarije voor de ogen van de gehele wereld getoond heeft? Daar gooit de regering miljoenen en nog eens miljoenen aan weg, maar

zovele behoeftige Nederlanders,

die reeds in zeer zorgelijke omstandig­ heden verkeren, moeten straks levensbehoeften, zoals suiker en melk voor menigeen zijn, maar duurder betalen, waardoor het leven voor hen nog ondraaghjker wordt. En dit zijn stellig niet de enige regeringsmaatregelen, waardoor het leven nog al zoveel duurder wordt.

Dit is onder meer ook het geval met de verhoging van de benzineprijs, welke voor de vervoerbedrijven als die van autoverhuurders, taxi-ondernemers en ook voor zaken, welke benzine gebruiken, bezwaarlijk, soms zelfs hoogst bezwaarlijk zal zijn. Bovendien blijkt uit de Memorie van Antwoord, dat de geachte bewindsman ten aanzien van de verzwaring van de belasting nog meer pijlen op zijn boog heeft en dit, terwijl Zijne Excellentie in de Memorie van Antwoord zelf verklaart, dat de belastingdruk nog altijd zwaar is. Daarom achten wij het ook thans, hetgeen wij al jaren gedaan hebben, niet Merantwoord de belasting te verzwaren. Wij zijn er beslist tegen om

de belastingschroef

nog sterker aan te draaien. De belasting diende verlaagd te worden in stede van verhoogd. Zij is nu reeds moeüijk op te brengen voor menig particulier alsook voor menig bedrijf. En die belastingdruk wordt al zwaarder voor menigeen

door de extra belasting,

welke ten behoeve van de Algemene Ouderdomswet straks moet worden opgebracht. Iemand met een inkomen van ƒ 6900 zal dan een bedrag tot dicht bij de ƒ 500 als extra belasting voor de Algemene Ouderdomswet hebben op te brengen; iemand met een inkomen van ƒ 6000 om en bij de ƒ 420; iemand met een inkomen van ƒ 5000 omstreeks ƒ 350 en iemand met een inkomen van ƒ 3000 om en bij de ƒ 210, terwijl slechts degenen, die geen inkomen van ƒ 2100 hebben, zo zij getrouwd zijn, vrij zijn.

De toeneming van belastingen en lasten heeft bovendien nog dit tegen, dat het daardoor zoveel te moeilijker wordt om te sparen. Voor vele particulieren wordt het zelfs vrijwel onmogelijk

om te sparen.

En voor de bedrijven wordt het vrijwel onmogelijk om de hoog nodige verbeteringen aan te brengen, verbeteringen, welke nodig zijn om de buitenlandse concurrentie het hoofd te kunnen bieden, zulks in het belang van de zo noodzakelijke export en niet minder ten behoeve van het opvoeren der productie.

Wij verklaren dan ook thans reeds, dat wij onze stem niet zullen kunnen geven aan verzwaring van belastingen.

Mijnheer de Voorzitter! Tenslotte zou ik bij de minister met alle aandrang wHlen voorstaan, dat het financieel beleid zodanig wordt gevoerd, dat

de woningbouw

krachtig wordt bevorderd, daar de woningnood nog steeds ontstellend groot is en alles in het werk gesteld dient te worden en ook financiële offers daarvoor dienen gebracht te worden om aan

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1956

De Banier | 8 Pagina's

Algemene beschouwingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 november 1956

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken