Bekijk het origineel

Wetsontwerp omzetbelasting

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Wetsontwerp omzetbelasting

15 minuten leestijd

textiel en iulker; verhoging benzinebelastfng en accijns op gedistiSieerd

Rede van Ir. van Dis

De Tweede Kamer kreeg onlangs een vrij ingewikkeld wetsontwerp te behandelen. In dit ontwerp toch stelde de regering niaatregelen voor, welke enerzijds geen, maar anderzijds wel zeer ernstige bezwaren bij de Kamer ontmoetten. Allereerst werd voorgesteld om de vrijstelling van omzetbelasting op textielproducten, tot welke vrijstelling in 1955 met het oog op de huurverhoging was besloten en die tot 1 Januari 1957 gelden zou, definitief te doen worden. Dit kwam dus hierop neer, dat van textielproducten na 1 Januari 1957 geen omzetbelasting meer zou geheven worden. Het is te begrijpen, dat dit voorstel bij de Kamer een gunstig onthaal ten deel viel, en dat ook de S.G.P.-fractie zich daarmede ten volle verenigen kon.

Anders stond dit echter met betrekking tot de omzetbelasting op suiker. Ook van deze belasting was in 1955 ter wüle van de huurverhoging vrijstelling verleend tot 1 Januari 1957. Ten aanzien hiervan echter stelde de regering voor, dat deze vrijstelling vanaf 1 Januari 1957 zou komen te vervallen. Met ingang van 1 Januari 1957 zou er dus op suiker weer omzetbelasting geheven worden. Daartegen rees verzet, ook van de zijde der S.G.P.fractie, namens welke het woord gevoerd werd door Ir. van Dis. De suikerprijs zou tengevolge van deze maatregel toch 3% cent per kg. gaan stijgen. En daarbij zou het niet blijven, want de regering had ook in uitzicht gesteld, dat de consumentensubsidie op suiker zou worden afge­ schaft, waardoor de suikerprijs nog weer hoger zou worden. Zoals men weet, is dit inmiddels reeds 'gebeurd, en dat nog wel tegen het advies van de S.E.R. in. Deze toch had geadviseerd om deze subsidie niet direct af te schaffen, doch daarmede nog even te wachten. De minister van Financiën heeft dit advies echter naast zich neergelegd, zodat de suikerprijs met ingang van 1 Januari 1957 niet met 3y2 cent, maar met 7 cent per kg. is verhoogd.

Vervolgens werd door de regering in het wetsontwerp voorgesteld met ingang van 7 Januari 1957 het bijzonder invoerrecht op benzine van ƒ 16.65 per honderd liter tot ƒ 24.25 te verhogen, wat tot gevolg zal hebben, dat de benzineprijs aan de pomp tot 45 cent per liter zal stijgen. Tevens hield het voorstel in, dat het percentage, dat volgens de Motorrijtuigenbelasting voor dieselautomobielen geldt, van 150 tot 220 verhoogd wordt. Ook voor motorrijtuigen, die op propaangas rijden, werd in het voorstel een belastingverhoging voorgesteld.

Tegen dit voorstel rees sterk verzet, daar het toch niet minder inhield dan dat de benzineprijs met circa 20 % zou stijgen. Ook namens de fractie der S.G.P. werden hiertegen ernstige bezwaren ingebracht.

Dit was niet het geval met het voorstel, dat ook al in dit wetsontwerp verankerd lag, namelijk om de accijns voor hier te lande vervaardigd gedistilleerd van ƒ 475 per hectoliter te verhogen tot ƒ 596.50 per hectoliter. Deze verhoging, waarvan werd voorgesteld deze op 14 Januari 1957 te doen ingaan, zou hierop neerkomen, dat 1 liter jenever met een alcoholgehalte van 35 % een prijsverhoging van 86 cent zou ondergaan.

De regering gaf aldus met haar wetsontwerp een zeker bedrag prijs door de omzetbelasting op textielproducten voorgoed te laten verdwijnen, doch door verhoogde heffing van andere belastingen trachtte zij'dit meer dan goed te maken. Zij paste namelijk geen compensatie, maar overcompensatie toe. Een overcompensatie zelfs van 65 miljoen gulden. Voordat de Kamer met de behandeling van het wetsontwerp aanving, hield de minister van Financiën eerst nog een rede naar aanleiding van het inmiddels ingediende rapport over de S.E.R. (Sociaal Economische Raad) inzake het vraagstuk der bestedingsbeperking, waarin onder meer aan de regering geadviseerd wordt de bestedingsbeperking door te voeren tot 700 miljoen gulden. Volgens minister Hofstra was dit bedrag echter niet voldoende. Het moest zeker met 30 a 40 % worden verhoogd, zodat de bestedingsbeperking ongeveer 1000 miljoen of 1 miljard gulden zal moeten bedragen. En daar de regering deze beperking deels door verhoging der belastingen wil verkrijgen, achtte hij aaimeming van het onderhavige wetsontwerp noodzakelijk.

De minister hield deze rede kennelijk om druk op de Kamer te zetten teneinde haar er toe te bewegen het wetsontwerp ongewijzigd te aanvaarden. Er was echter nog meer, wat bij een deel der Kamer op grote bezwaren stuitte. Deze bezwaren hielden in, dat het niet juist geacht werd om voorstellen tot verhoging van belastingen op benzine, suiker en gedistilleerd te behandelen zonder dat de Kamer een overzicht had van het complex van maatregelen, dat de regering van plan is binnenkort naar aanleiding van het S.E.R.-rapport voor te stellen. Daarom werd het beter gevonden de behandeling van het wetsontwerp nog enige, zij het korte tijd, uit te stellen en het dan tegelijk te behandelen met de te verwachten nota inzake de maatregelen betreffende de bestedingsbeperking. Prof. Oud diende daartoe dan ook een motie in. Deze motie kon echter geen meerderheid behalen. Zij verwierf slechts de stemmen van de fracties der V.V.D. (Oud), der S.G.P. en der C.P.N. De verwerping dezer motie hield in, dat het wetsontwerp afgehandeld zou worden. Dit geschiedde dan ook, doch er werd eerst nog een wijziging in aangebracht door aanneming van het amendement- Lucas (K.V.P.), dat beoogde aan het voorstel tot verhoging der benzinebelasting een tijdelijk karakter te geven. Na twee jaar zal de Kamer dus moeten beslissen of de verhoging dezer belasting al of niet bestendigd moet worden. Deze wijziging heeft echter niet veel om het lijf, daar de ervaring geleerd heeft, dat een tijdelijke maatregel gewoonlijk van blijvende aard is, gelijk dat indertijd het geval is geweest met het tijdelijk gezantschap bij de paus, en ook al, om nog maar één voorbeeld te noemen, bij de wet Toezicht Kredietwezen. Ook hierbij werd van roomse zijde een amendement ingediend om die wet een tijdelijk karakter te geven, welk amendement door de Kamer werd aanvaard, maar na afloop van de gestelde termijn stelde de minister verlenging voor, wat ook weer door de Kamer aangenomen werd, zodat die wet nog steeds van kracht is.

Het wetsontwerp werd tenslotte aanvaard met alleen de stemmen van de leden der V.V.D.-fractie tegen. De S.G.P.fractie kon zich ook met het wetsvoorstel, in zover dit verhoging der prijzen van suiker en benzine tengevolge heeft, niet verenigen. Er tegen te stemmen vonden de Kamerleden der S.G.P. echter niet verantwoord, daar zij dan tevens zouden stemmen tegen het vervallen van de omzetbelasting op textielproducten.

Daarom vonden zij het beter zich ten deze van stemming te onthouden. Na deze inleiding laten wij thans de rede volgen, welke door Ir. van Dis namens de fractie der S.G.P. bij de behandeling van dit wetsontwerp gehouden werd. Ir. van Dis sprak als volgt:

Mijnheer de Voorzitter! Het wetsontwerp tot vrijstelling van omzetbelasting voor textielproducten, alsmede tot verhoging van enkele andere belastingen, heeft in brede kringen

sterke beroering

verwekt. Dit geldt niet de vrijstelling van de omzetbelasting voor textielproducten, welk voorstel onder ons volk grote bijval heeft gevonden en waarmede ook de leden der Kamer in het Voorlopig Verslag hun instemming hebben betuigd. De beroering betreft de verhoging van de prijs van de suiker en bepaaldelijk, zoals uit bij de Kamer ingekomen adressen wel zeer duidelijk blijkt, de verhoging van de

benzinebelasting

en de accijns op gedistilleerde dranken. Wat mijn fractie betreft, richten onze bezwaren zich in het bijzonder tegen de verhoging van de suikerprijs, als gevolg van het niet continueren van de vrijstelling van omzetbelasting voor dit product, en die van de benzineprijs tengevolge van het verhogen van de benzinebelasting. Dat het indienen van dit wetsontwerp onder ons volk grote

verontrusting

heeft gewekt, ligt voor de hand. Het leven is reeds zo duur en voor zeer velen, die van een gering inkomen moeten rondkomen, uitermate bezwarend, terwijl het bedrijfsleven, met name dat inzake het vervoer, reeds zo zwaar belast is. Voor wat de suiker aangaat, welke toch als een belangrijk volksvoedsel moet aangemerkt worden, geldt bovendien nog, dat de prijsverhoging, welke van dit wetsontwerp het gevolg zal zijn, binnenkort door een tweede prijsverhoging gevolgd zal worden, wanneer namelijk het

subsidie op suiker

door de regering zal worden ingetrokken, gelijk onlangs door haar aangekondigd en in de Memorie van Antwoord door de minister bevestigd is. Vooral de grotere en grote gezinnen zullen de gevolgen van de verhoging van de suikerprijs gaan ondervinden. Naar ons oordeel zou het dan ook stellig in het belang van ons volk geweest zijn, indien de prijs van de suiker in plaats van verhoogd, verlaagd had kunnen worden. Onzerzijds is in de loop der jaren reeds herhaaldelijk bij de regering er op aangedrongen het daarheen te leiden, dat het leven

goedkoper

zou worden. Daarmede zou zij aan de wens van een groot deel van ons volk voldaan hebben, want zeer velen kan men dagelijks horen klagen over het zo dure leven. De regering verklaart wel er op uit te zijn, dat de prijzen gestabiliseerd zullen worden, maar zij gaat met haar maatregelen juist een geheel andere kant uit. De tarieven van de spoorwegen bijvoorbeeld zijn verleden jaar verhoogd en zij zullen in het komende jaar opnieuw verhoogd worden. Aangaande de tarieven der P.T.T. is al eveneens een verhoging aangekondigd, terwijl ook de

tarieven

van gas en electriciteit, die al evenzeer van overheidswege worden vastgesteld, hoger opgevoerd worden. Bovendien is het zeer te duchten, wat schier onvermijdelijk is, dat onze munt, de gulden, nog meer van haar waarde zal verliezen, hetgeen betekent, dat het leven van miljoenen nog moeilijker zal worden. Voorts zal de verhoging van de suikerprijs haar invloed doen gelden in de

suikerwerkende industrieën,

zodat het moeilijk aan te nemen is, dat deze over kortere of langere tijd, willen zij blijven bestaan, niet gedwongen zullen worden om hun prijzen te verhogen. Hierbij komt nog, dat ook de verhoging van de benzineprijs de stabilisatie der prijzen, welke de regering voorstaat, stellig niet zal bevorderen doch deze veeleer in gevaar brengt. De verhoging van de benzineprijs is toch verre van gering. In de loop der jaren is deze reeds zo sterk gestegen. Oorspronkelijk is de heffing op benzine als een maatregel van

tijdelijke

aard ingevoerd. In het jaar, waarin zij ingesteld werd, namelijk in 1932, bedroeg de heffing ƒ 4.50 per honderd h- ter. Nadien werd zij voortdurend verhoogd. In 1936 bedroeg zij ƒ 6.45 per honderd liter.

In 1947 steeg het bijzonder invoerrecht tot 11 gulden per honderd liter, en in 1950 werd het verhoogd tot ƒ 16.65 per honderd liter. Thans stelt de minister voor deze heffing te verhogen tot ƒ 24.25 per honderd liter. De oorspronkelijke heffing zal door de voorgestelde verhoging dus ruim vijfmaal zo groot zijn als de oorspronkelijke heffing. Daarbij komt dan nog het gewone invoerrecht van ƒ 1.06 per honderd liter, zodat het gewone en het bijzondere invoerrecht 56 pet. zal bedragen van de verkoopsprijs, welke op 45 cent per liter zal komen. Mijnheer de Voorzitter! Nu heeft de minister bij de algemene financiële beschouwingen aangevoerd, dat de

schadelijke invloed

van de verhoging van de benzinebelasting beperkt zou zijn en dat deze op het beroepsvervoer gering is, omdat het zware beroepsvervoer niet op benzine, maar op dieselolie en wellicht ook op propaangas loopt. Volgens een adres van de Verkeers- en Vervoersorganisaties is deze opmerking van de minister niet juist. Daarin wordt namelijk gezegd, dat volgens de laatste statistiek der motorrijtuigen het totale aantal vrachtauto's 97.699 bedroeg, waarvan 7.966 stuks, of slechts 8 pot., op dieselolie of propaangas liep. Volgens „De Vrije Vervoerder", het officiële orgaan van de Nederlandse Bond van Protestants-Christelijke Beroepsgoederenvervoerders, in het nummer van 24 November 1956, lopen er thans zelfs

120.000 bedrijfsauto's,

waarvan 10.000 voorzien zijn van een dieselmotor. Zijn de door mij genoemde cijfers juist, wat wel als zeker verondersteld mag worden, dan is toch het getal bedrijfsauto's, dat op benzine loopt, zeer groot. In tegenstelling met de minister, die in zijn Memorie van Antwoord opmerkt, dat de concurrentiepositie van de wegvervoersbedrijven niet zo belangrijk verslechteren zal, wordt in het adres der verkeers- en vervoersorganisaties nadrukkelijk verklaard, dat de voorgestelde verhogingen een onmiddellijke weerslag op de vervoerskosten zullen geven, waardoor niet alleen de

concurrentiepositie

op de binnenlandse markt ongunstig beïnvloed wordt, maar ook het grensoverschrijdend verkeer, waaraan in het buitenland zo vele fiscale en andere belemmeringen in de weg worden gelegd, hier­ door in een nog nadeliger positie zal komen.

Zo zullen dan. Mijnheer de Voorzitter, de belastingen weer verhoogd worden. Hoewel er in 1954 enige verlaging van de belastingen heeft plaats gevonden, zijn deze nog buitengewoon hoog. Zelfs de minister heeft erkend, dat de

belastingdruk

nog zeer zwaar is, wat ook inderdaad het geval is. Deze druk rust zwaar op de particulieren, inzonderheid ook op de ongehuwden, die wel op een zware wijze belast zijn, en ook op het bedrijfsleven. In één woord, een groot aantal Nederlanders zucht daaronder, onder vde er niet weinigen zijn, die de belasting met de

grootste moeite

opbrengen. Daarbij komt, dat de lasten straks nog verzwaard zullen worden, doordat vele van onze landgenoten dan nog weer eens extra belast zullen worden als zij voor de Algemene Ouderdomswet een groot bedrag aan belastingen zullen moeten opbrengen.

Het is bekend, dat mijn fractie al sinds jaar en dag op verlaging van belasting heeft aangedrongen. Daarom kunnen wi] ons niet verenigen met de voorstellen, welke verhoging van de prijzen van suiker en benzine tengevolge zullen hebben. Evenmin kunnen wij dit ten aanzien van de verhoging van 150 op 220 procent van het tarief der motorrijtuigenbelasting voor wat betreft het gebruik van benzine- en dieselmotoren bij het motorwegverkeer, waarbij het door de betreffende ondernemers als een onbillijkheid wordt aangemerkt, dat voor hen de motorrijtuigenbelasting verhoogd wordt en voor anderen niet.

Mijnheer de Voorzitter! Dat wij ons niet verzetten tegen de verhoging van de

accijns op gedistilleerd,

benist op ethische gronden. Wij zien er een zegen voor ons volk in, wanneer het drankmisbruik afneemt, waartoe verhoging van de accijns kan medewerken. Overigens zijn wij van oordeel, dat, indien de uitgaven des rijks niet zo exorbitant hoog zouden opgedreven zijn en er niet zo op allerlei vvrijze met de Rijksgelden gesmeten ware, de verhogingen van de suiker- en benzineprijzen in het geheel niet nodig zouden geweest zijn en de belastingen nog in veel sterkere mate verlaagd hadden kunnen worden dan zij in 1954 verlaagd zijn. De toelichting, welke de minister gisteren in zijn rede gegeven heeft, een toelichting, welke ook onzes inziens wel erg laat gekomen is, heeft ons dan ook niet van ziensvsrijze kunnen doen veranderen. Dit betekent allerminst, dat wij onwillig zijn de regering in moeüijke omstandigheden te steunen. Het gaat bij ons om de oorzaken van de moeilijke financiële omstandigheden en hieromtrent staat het bij ons vast, dat het regeringsbeleid van vorige jaren

allerminst een zuinig beleid

is geweest. Er is maar al te zeer van de hoge boom geleefd, onder meer ook door het geven van subsidies aan sport en vermaak, terwijl er in de roes van hoogconjunctuur en welvaartsronden maatregelen genomen zijn, welke op ons volk zware lasten leggen. Waar het zo gesteld is. Mijnheer de Voorzatter, en wij er voorts niet van overtuigd zijn, dat de door de minister gisteren op grond van het S.E.R.-advies aangekondigde bezuinigingsmaatregelen — waarvan ook helemaal nog. niet bekend is, hoe zij over het Rijk, de provincies en de gemeenten verdeeld zullen worden — voldoende zijn, achten wij ons

ten zeerste bezwaard om aan het voorgestelde wetsontwerp, voor zover daarin maatregelen worden voorgesteld, welke de suiker- en benzineprijzen zullen doen stijgen, onze steun te geven.

Nadat de minister van Financiën de onderscheidene sprekers beantwoord had, werd er gerepliceerd. Hierbij werd door Ir. van Dis de navolgende

Repliekrede

uitgesproken.

Mijnheer de Voorzitter! De vrij uitvoerige rede, welke de minister vanmiddag gehouden heeft, heeft ons niet tot andere gedachten kunnen brengen, omdat daardoor de bezwaren, welke wij hebben ingebracht tegen de prijsverhogende maatregelen, die in het wetsontwerp inzake suiker en benzine vervat zijn, niet weggenomen zijn. Voor wat de verhoging van de

suikerprijs

betreft, hebben wij namelijk sterk de indruk gekregen, dat de minister daarover wel al te gemakkelijk heenstapt. Wij kunnen het met hem eens zijn, dat voor velen de voorgestelde verhoging niet zo bezwaarlijk is, maar daar staat tegenover, dat voor grote groepen van ons volk, vooral voor de grotere gezinnen, deze verhoging wel terdege belangrijk is. Wij wijzen slechts op de

vergeten groepen

en nog zo vele anderen, die over een kleine beurs beschikken en die het in deze tijd toch al zo bijzonder moeilijk hebben. Voor hen zal de verhoging van de suikerprijs ongetwijfeld onwelkom zijn, hetgeen nog te sterker zal ondervonden worden als binnenkort ook nog het subsidie op suiker vervallen zal, waardoor de suikerprijs nog sterker zal gaan stijgen. Wat de verhoging der benzinebelasting betreft, heeft de minister medegedeeld, dat deze verhoging door de

vervoersondernemingen

doorberekend mag worden. De minister komt met dit antwoord echter niet alleen in strijd met de door de regering voorgestane prijsstabilisatie, doch ook is het de grote vraag, of doorberekening voor de vervoersondememers mogelijk zal zijn. Doorberekening toch betekent, dat de vervoerskosten hoger zullen worden, hetgeen op de concurrentiemogelijkheid der particuliere vervoersondernemingen, zowel ten opzichte van het eigen vervoer als 4e spoorwegen, van geen geringe invloed is. Ook met betrekking tot het internationale vervoer (grensoverschrijdend verkeer) zal de concurrentiepositie beduidend

ongunstiger

worden. De minister heeft in zijn rede over de ooncurrentiefactor dan ook met geen woord gesproken. Wanneer wij voorts bedenken, dat de particuliere vervoersondernemingen voor het grootste deel bestaan uit middenstandsbedrijven, waarin man, vrouw en kinderen hard werken om het hoofd boven water te houden, en dat de

kosten en lasten

dezer ondernemingen de laatste jaren steeds hoger zijn geworden, ontmoet het bij ons ernstige bedenkingen om nu juist deze categorie van nijvere middenstanders te gaan bezwaren met verhoging van de benzineprijs met 20 pet. Wanneer kon aangetoond worden, dat deze categorie van het bedrijfsleven door overmatige investeringen of door overmatige bestedingen in de consumptiesector de betalingsbalans of het staatsbudget in ge- vaar had gebracht, dan zou voor het voorstel der regering nog een redelijke basis aan te voeren zijn. De minister heeft ons echter in zijn rede niet er van kunnen overtuigen, dat dit van de particuliere vervoerders kan worden gezegd. Daarom zien vnj ons genoodzaakt onze bezwaren te handhaven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1957

De Banier | 8 Pagina's

Wetsontwerp omzetbelasting

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 januari 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken