Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CV.

Verschil tussen Groen en Da Costa in zake handhaving der Formulieren. Oordeel van dr. Vos.

Om geen misverstand te verwekken ten anzien van de gevoelens, welke wij tegenover mr. Isaac 'da Costa koesteren, willen wij er met alle nadruk OD wijzen, dat wij deze alleszins begaafde dichter en schrijver alle hoogachting toedragen, die hem toekomt. Dit behoeft echter niet te beletten, dat er verschil van inzich met hem kan bestaan en dat men het uitgeven van zijn geschrift „Rekenschap van gevoelen-; ", waarbij wij in het voorafgaande hebben stilgestaan, betreurt. Mr. Groen van Prinsterer, die overigens een voorstander was van de meest mogelijke publiciteit en elk geschrift van zijn vriend Da Costa met verlangen tegemoet zag, heeft het toch in dit geval betreurd, dat Da Costa tot het uitgeven van het zo even genoemde geschrift is overgegaan zonder eerst overleg te hebben gepleegd. Dit blijkt wel overduidelijk uit de brief van Groen aan Da Costa, gedateerd op 15 Mei 1843. Hierin laat Groen zich met betrekking tot deze, aangelegenheid als volgt uit: „Alleen zou ik wel gewenst hebben, dat de verscheidenheid van nuances tussen degenen, die van dezelfde beginsels uitgaande, naar hetzelfde doel streven, niet had behoeven openbaar gemaakt te worden, eer wij, de Haagse en de .Amsterdamse broeders, door overleg en gesprek, van de wezenlijkheid van het verschil en van de onmogelijkheid Om het weg te nemen ons hadden overtuigd".

^'it het antwoord, dat Da Costa op Groens brief gaf, moet wel zeer ernstig betwijfeld worden of voorafgaand overeg en gesprek, waarop - Groen doelde, het door Groen gewenste resultaat geliad zou hebfcen. Da Costa toch ver- Itlaarde in zijn brief van 27 Juni 1843 san Groen, dat hij gesproken had, omdat hij niet anders kon of mocht en verolgde letterlijk: „Sedert jaren in opinie Verschillend met degenen onder ons, die op .hoedanige wijze dan ook, iets wachten voor de kerk van een handhaving der Formulieren, ben ik thans in dit mijn gevoelen zodanig bevestigd geworden, dat ik het als uitroepen moet: Blijft toch, geliefde vrienden! bij het enig nodige en door u zelf zo gelukkig en gezegend gebruikte wapen. Alle andere wapenrusting in deze strijd zou belemmeren en niet baten".

Groen heeft op deze brief van Da Costa geantwoord in een schrijven, gedateerd 9 Juli 1843. Na opgemerkt te hebben, dat hij het opvolgen van Da Costa's systema voor een feitelijke ontbinding van

de kerk zou houden, vervolgt Groen in dit schrijven aldus: „Het wetenschappelijk bestrijden der dwaling, met Gods Woord alleen in de hand, is wenselijk, is plichtmatig voor elk, die er de gave toe heeft; maar ik zie niet wat ons vrijheid geeft om inmiddels de waarborgen geheel prijs te geven, die de kerkinrichting ons verleent; en dat de gemeenten, tot dat eenmaal geleerdheid, de exegese althans, met haar talrijk gevolg, de zege zal behaald hebben, aan een onchristelijke prediking ten prooi moeten zijn. De allervolstrektste genoegzaamheid der Heilige Schrift tegen alle dwaling is tussen christenen buiten kijf; en toch blijft het waar dat, als wekelijks de predikant voor mijn christelijke opwekking en stichting zal optreden, ik moet weten, dat hij in die Schriften gevonden heeft de leer, die het geloof mijner kerk is. En waarom? Omdat de kerk een gemeente, een godsdienstoefening en niet een disputeer-college wil. Op uw standpunt, zo dunkt het mij althans, kan er, o ja! een kerk ontstaan, maar de kerk is er niet meer, en ik begrijp dan niet op welke grond aan die mannen met mantel en bef, meer dan aan u en mij en A—Z, de kansel ingeruimd wordt".

De hierboven vermelde aanhalingen uit brieven van Groen en Da Costa, laten wel overduidelijk zien, dat er tussen deze twee vrienden een gewichtig verschil bestond in zake het handhaven der Form.ulieren van Enigheid door de kerk. Terwijl Groen - deze handhaving noodzakelijk achtte, was Da Costa van tegenovergesteld gevoelen. Stond Groen ten aanzien van het vraagstuk in zake kerkherstel meer de juridische weg voor. Da Costa zag, gelijk hij het zelf ergens uitdrukt, in een medische b-ehandeling der kranke meer heil.

Hieruit mag evenwel niet de conclusie getrokken worden, dat Da Costa een tegenstander der belijdenis der kerk was. In één der voorafgaande artikelen is het tegendeel hiervan reeds gebleken door de vermelding, dat Da Costa het in ere en in gebruik blijven der schone belijdenisschriften der Hervormde Kerk in de gemeenten, in de huizen en harten ten zeerste aanbeval. Hierover liep het verschil met Groen dan ook niet. Dit liep daarover, dat Da Costa van mening was, dat Groen te ver ging door van de Synode handhaving der Formulieren van Enigheid te eisen.

Dr. G. J. Vis Azn., destijds Hervormd predikant te Amsterdam, die over Groen vali Prinsterer en zijn tijd een gedegen boekwerk geschreven heeft, heeft daarin ook aan Da Costa's geschrift „Rekenschap van gevoelens", en aan het verschil in standpunt tussen Da Costa en Groen de nodige aandacht besteed. Bij kennisneming hiervan blijkt, dat hetgeen door ons in voorafgaande artikelen geschreven werd, geheel overeenstemt met de beoordeling van dr. Vos. Ten bewijze laten wij eerst volgen wat dr. Vos op blz. 183 van zijn boekwerk ten aanzien van Da Costa's standpunt schreef. Het luidt als volgt: „Da Costa had tengevolge van zijn individualisme dan ook geen begrip van kerkelijke plichten; hij eerde de dienaar des Woords als getuige, maar wat de predikant en het lid der gemeente, maar wat de kerkbestuurder in deze zijn hoedanigheid had te doen, maar wat kerkelijk recht of kerkelijk reglement voorschreef, dat bestond voor hem niet. Hij redeneerde, alsof de kerk rechtens ontbonden was; niets dan een worstelperk, waarin de kampvechters aan geen andere regelen gebonden waren, dan aan hun eigen opvatting van het Woord".

Groen daarentegen was — zo schrijft dr. Vos — van oordeel, dat de christenen werkzaam moeten zijn „niet zozeer als individuen, maar als leden ener bestaande kerk, die op historische bodem is gevestigd". Weerspreekt men de bestrijders, aldus dr. Vos, slechts op grond van persoonlijke inzichten, zij kunnen zidi excuseren. „Maar geheel anders is het, wanneer we hen, op grond der belijdenis van de kerk, wier aanstaande leraars zij opleiden, ter verantwoording roepen wegens schennis van hun mandaat en inbreuk op eerlijkheid en goede trouw. Dr. Vos merkt hierbij vervolgens het volgende op: „Had Da Costa voor de aanwezigheid van deze plicht en de noodzakelijkheid van zulk een plichtsbetrachting een oog gekregen, hij zou voorzeker niet geaarzeld hebben, zijn „Rekenschap" te herroepen of aan te vullen. Wat Da Costa's standpunt tegenover de Formulieren betreft, laat dr. Vos zich op blz. 219—220 van deel I van zijn boek als volgt uit: „Aan de inhoud der Formulieren was hij verknocht, maar tegen de handhaving, als middel van herstel, had hij onoverkomelijke bezwaren".

Dat voorts Da Costa's geschrift „Rekenschap van gevoelens" voor de Synode een welkom middel was om zich uit een voor haar onaangename situatie te redden, is al evenzeer geheel overeenkomstig het oordeel van Groen en dr. Vos. Doch hierover D.V. een volgende maal.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1957

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 januari 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken