Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CVIII.

Bijeenkomsten der „Christelijke Vrienden" onder leiding van Groen. Maandblad: Christelijke Stemmen.

Onder de zeer velen, die met mr. Groen van Prinsterer in verbinding gestaan hebben, behoort onder meer ds. O. G. Heldring, naar wiens naam de bekende Heldring-gestichten genoemd zijn. Deze bracht in 1845 een bezoek aan Groen om met deze te spreken over de weg, welke bewandeld moest worden in zake allerlei arbeid op maatschappelijk terrein. Twee wegen stonden daartoe open, namelijk het zich aansluiten bij en het stevmen van bestaande verenigingen van zogenaamd neutraal karakter, of het oprichten van verenigingen met een specifiek christelijk karakter. Ds. Heldring arbeidde reeds in verschillende phüantropische verenigingen, maar bevredigen deed dit hem niet, omdat zij het christelijk karakter misten. Bij dit gesprek bleek, dat Groen met hetzelfde vraagstuk worstelde en niet alleen hijzelf, doch ook verscheidenen van zijn vrienden. Daarom verzocht hij ds. Heldring zijn gedachten nader iti een brief te ontwikkelen, deze aan Groen toe te zenden, waama deze hem onder zijn vrienden zou laten circuleren.

Het resultaat hiervan was, dat in Juli 1845 te Amsterdam een samenkomst plaats vond ten huize van de heer J. L. G. Pierson, die met zijn zwagers De Marez Oyens en Waller tot de patricische families der stad behoorden. Meer dan dertig personen uit alle oorden des lands *aren aanwezig, onder wie mr. Groen Wn Prinsterer, die met de leiding belast was en voorts Da Costa, de beide genoemde zwagers van Pierson, Capadose, Teding van Berkhout, Wormser, Beets, Heldring, Brununelkamp, Scholte enz. Het was uit kerkelijk oogpunt bezien, ^n zeer gemengd gezelschap. Er waren 'eden der Hervormde, der Afgeschei­ dene, der Lutherse, der Waalse en der Engels Episcopaalse Kerk. In de eerste bijeenkomst werd besloten om niets vooraf te bepalen, zich eenvoudig „Christelijke Vrienden" te noemen en dan te zien wat er uit deze samenkomsten worden zou.

Voor de eerst volgende vergadering, welke op 26 Augustus 1845 wederom ten huize van de heer Pierson op het Singel bij de Romeinsarmsteeg, K K 48 plaats vond, waren velen uitgenodigd, ook predikanten. Het was voor de aanwezigen echter een grote teleurstelling, dat zo weinig predikanten aan de uitnodiging

gehoor gegeven hadden. Ds. Heldring had voor deze gelegenheid een programma opgesteld met drie punten: Kerk, Tijdschrift en Philantropie. Vooral het eerste punt wekte bij verscheidenen der aanwezigen grote verwachtingen op, maar ook dit liep op een teleurstelling uit. Ds. Heldring stond in zijn inleidend woord naar aanleiding van Daniël 9 wel breedvoerig stil bij de twee laatstgenoemde punten, maar de kerkelijke kwestie liet hij geheel rusten. Blijkbaar deed hij dit uit vrees, dat dit de gemoederen in beroering zou brengen.

Toch werd in deze vergadering nog enig resultaat bereikt. Een voorstel om een nieuw tijdschrift uit te geven, werd nameHjk door alle aanwezigen met instemming begroet. In een volgende bijeenkomst werd dit voorstel omgezet in een besluit. Er zou een maandschrift uitgegeven worden onder de titel van: „De Vereniging: Christelijke Stemmen", waarvan ds. Heldring, omdat Ds. Beets weigerde, tot hoofdredacteur benoemd werd. Voor dit maandschrift heeft mr. Groen van Prinsterer verscheidene bijdragen geleverd, waarbij hem kermelijk het doel voor ogen stond om de „ChristeUjke Vrienden" en de andere lezers van het blad een duidehjker inzicht te verschaffen in het wezen ener kerk en hen alzo tot kerkelijke actie, welke in 1843 lam geslagen was, aan te sporen. In zijn eerste bijdrage handelde Groen over het verwijt van werkeloosheid aan de christenen in de kerk. Een vervidjt, dat kort te voren was gedaan in een geschrift van de hand van Scholte, waarin deze onder meer zijn misnoegen er over uitgesproken had, dat de algemene

toestand der christenen vrijwel zo was, dat men het niet verder bracht dan tot woorden en stemmen, tot redevoeringen en overleggingen.

Hoewel Groen op dit geschrift van Scholte ook wel aanmerkingen had, bevatte het naar zijn oordeel toch menige wenk, die ter harte diende genomen te worden. Hij schreef onder meer: „Zo wij aan de Afgescheidenen ten laste leggen, dat zij het strijdperk hebben verlaten, dan hebben zij hunnerzijds enig recht te vragen, of wij, aangenomen de deugdelijkheid van ons standpunt, als lidmaten ener kerk, die in zo droevige toestand verkeert, verrichten, wat van goede krijgsknechten des Heeren, naar hun eigen voordracht en beschrijving, tegemoet mocht worden gezien". Hoezeer het Groen verdroot, dat er zoveel lauwheid onder de christenen zijner dagen gevonden werd, blijkt voorts wel zeer duidelijk uit zijn ontboezeming in het zoeven genoemde tijdschrift „Christelijke Stemmen" naar aanleiding van het feit, dat Rutgers van der Loeff, een aanhanger der Groninger richting, in 1846 te Leiden beroepen was. Daartegen was een protest uitgegaan van de Leidse oud-ouderling mr. Bodel Nijenhuis en anderen. Ook was in de bijeenkomst der „Christelijke Vrienden" van April 1847 met dat protest instemming betuigd, maar daar was het bijgebleven. Blijkbaar had Groen gewenst, dat uit alle belijdende kringen adhaesie ware betuigd aan het zoeven genoemde protest. Daartoe was het echter niet gekomen. Vandaar dat Groen op de vraag wat wel het meest ergerlijke verschijnsel moest worden genoemd: „de vermetelheid van de te Leiden beroepen leraar, die zijn evangelie stelde in de plaats van hetgeen de kerk als het apostolisch Evangelie, zijn woord van hetgeen de kerk als het Woord des Heeren, beschouwde, de smaadredenen der classicale vergadering of de uitvluchten van het provinciaal bestuur of het zwijgen der Synode, terwijl men haar grensscheiding met grenzeloze losbandigheid bespotte? " ten antwoord gaf;

„Neen, om openhartig te spreken, onder al dit ergerlijke is het ergerlijkst van alles, dat de christenen, bij deze soort van legale sanctie na een legaal protest, koel en onverschillig zich betoond hebben; dat zij niet, als één man, de adressanten, onder welke vorm dan ook, door een medebelijden, door een gezamenlijke of algemene adhaesie, door enig blijk der eenheid van denkwijs, van recht en belang, hebben ondersteund; dat ook deze actie van het ongeloof geen reactie der gelovigen opgewekt heeft; dat, ook bij de intrede van dit nieuwe stadium van het onrecht, het aanzijn der gemeente in generlei vereniging van daad of woord geopenbaard is. Wij zijn over de voortgang der tegenpartij somwijlen verbaasd; doch is het zo vreemd, en moet het haar of ons ten kwade worden geduid, dat, wanneer - wi] gestadig wijken, zij vooruit gaat, dat, wanneer wij het veld ruimen, zij veld wint? "

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1957

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 februari 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken