Bekijk het origineel

Nota in zake de beperking van bestedingen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Nota in zake de beperking van bestedingen

24 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van Ir van Dis

Over het vraagstiik der bestedingsbeperking is al heel wat geschjreven en gesproken. Reeds bij de financiële beschouwingen over de Rijksbegroting voor 1957 kwam zij in de Kamer ter sprake, doch de regering was toen nog niet in staat om dienaangaande haar plannen bekend te maken, daar zij eerst het rapport van de Sociaal Economische Raad, aan wie zij om advies had gevraagd, moest afwachten.

Eerst toen dit rapport bij de regering was ingediend, kon zij tot het maken van voorstellen overgaan. Deze gang van zaken is allerminst bevredigend te noemen, daar het er toch veel van weg heeft, dat niet de regering, maar de Sociaal Economische Raad regeert, gelijk dit dan ook reeds meerdere malen, ook in de Kamer, de regerifig voor de voeten geworpen is. Het nadeel van deze procedure is bovendien, dat er veel tijd mede heengaat als eerst de S.E.R. zich over de te nemen maatregelen een oordeel moet vormen en deze in een rapport moet vastleggen, en dat daarna de betreffende ministers zich over dezelfde vraagstukken moeten beraden en voorstellen bij de Kamer moeten indienen, gelijk gedaan is in de vorm van een Nota inzake beperking van de bestedingen. Na de behandeling der Nota komt de regering dan met wetsontwerpen, waarin de in de Nota opgenomen voorstellen, eventueel in gewijzigde vorm, vastgelegd worden.

Voor de bestudering van deze Nota werd de Kamer een week tijd gegeven. Bedenkt men dat zelfs deskundigen op financieel en economisch gebied er grote moeite mee hadden om de inhoud van deze Nota te verwerken, dan is het te begrijpen, dat de toegekende tijd voor het bestuderen er van en het kennis ne- men van - ae verscnuienae adressen, wel" ke inzalce deze Nota ingekomen waren, aan de korte kant was. Daaraan was echter niets te verhelpen. Op Dinsdag 26 Februari kwam de Nota in behandeling. Niet minder dan negentien sprekers namen aan de besprekingen in eerste termijn deel, zodat er drie - dagen mee heengingen voordat dezen allen het woord gevoerd hadden. Bijna niet één der sprekers had een goed woord voor de voorstellen der regering over, wat ook niet behoeft te verwonderen, als men bedenkt dat daarin de bestedingsbeperking voor een belangrijk deel afgewenteld wordt op de consumenten (verbruikers) en de belastingbetalers, terwijl op de rijksuitgaven geen noemenswaardige bezuiniging wordt toegepast. Wel wordt er door het Rijk wat minder geïnvesteerd, maar op de uitgaven betreffende de huishouding van het rijk is de voorgestelde bezuiniging uiterst sober.

Merkwaardig is het wel, dat zelfs de fracties der partijen, waarop de regering steunt, moties 'hebben aangekondigd, zowel met betrekking tot de aangekondigde prijsverhoging van melk, als tot de blokkering van de 50 miljoen ten behoeve van de landbouw, welke de regering wenst te besteden voor verhoging van de normen voor bedrijfsgebouwen in de kostprijsberekening. Alleen de Partij van de Arbeid bleek met de landbouwvoorstellen, de blokkering en de verlaging der grondrente incluis, geheel accoord te kunnen gaan. Voorts werd er nog een moüe in" uitzicht" gesteld met het doel de verhoging der indirecte belastingen eri' de lasten, welke de consument door de prijsverhogingen te dragen krijgt, een tijdelijk karakter te geven. Wij zullen het bij deze inleiding laten, daar in de rede, welke Ir. van Dis namens de fractie der S.G.P. bij de behandeling dezer Nota hield, voldoende aangegeven is welke maatregelen de regering aan de Kamer in haar Nota heeft voorgesteld, alsook hoe deze fractie tegenover de voorgestelde maatregelen staat.

Alleen zij nog vermeld, dat de regering niet direct na de laatste spreker met haar beantwoording begonnen is. Minister Hofstra verzocht namens de regering aan de voorzitter hiermede enige dagen te mogen wachten, wat onmiddellijk werd toegestaan.

Ir. van Dis sprak dan als volgt:

Mijnheer de Voorzitter!

De Nota, welke de Kamer thans behandelt, heeft de regering — gelijk blijkt uit het feit, dat zij vrij geruime tijd nadat de Sociaal Economische Raad zijn rapport had uitgebracht, is ingediend — ongetwijfeld de nodige inspanning gekost. Voor de veelvuldige arbeid en zorg, aan de samenstelling van deze Nota besteed, hebben wij dan ook volle waardering. Helaas kunnen wij een zelfde verklaring niet afleggen ten aanzien van de inhoud er van. Al wensen wij geen ogenblik uit het oog te verliezen, dat de regering zich bij de vervaardiging der Nota voor de oplossing van moeilijke problemen gesteld zag, nochtans kan de wijze, waarop zij deze wenst op te lossen, bij ons

geen instemming

vinden. Bovendien zijn waj van oordeel, dat de Nota allerminst helder en klaar en gemakkelijk te begrijpen is. In dit oordeel staan wij niet alleen. Talrijk waren de klachten in de pers, welke er op neerkomen, dat de inhoud der Nota dermate vaag, onduidelijk en onvolledig is, dat zelfs deskundigen op financieel-economisch gebied er niet goed raad mee weten. En zo werd over de Nota niet alleen geoordeeld in de pers, waarvan niet gezegd kan worden, dat zij na verwant is aan de partij, waartoe - de muuster-president en de ministers Hofstra, Mansholt en Suurhoff behoren, maar ook in de deze ministers zeer bevriende pers. Om slechts een enkel voorbeeld te noemen, wijzen wij op „Het Parool" van 23 Februari 1.1., waarin Dr. van de Woestijne aangaande de inhoud van deze Nota schreef, dat zij

buitengewoon slecht gecomponeerd

is. Na drie volle dagen er op gestudeerd te hebben, was het hem zelfs nog niet gelukt een sluitend geheel te krijgen, doordat volgens hem onder meer twee geheel verschillende doeleinden, namelijk koopkrachtbiu'ding en koopkrachtverschuiving, onvoldoende uiteengehouden zijn. Na dan nog enkele andere on- ..volkomenheden te hebben genoemd, komt Dr. van de Woestijne tot de uitspraak, dat daardoor een stuk ontstaan is, dat niet voldoet aan de eis van duidelijkheid en doorzichtigheid, die men er aan stellen moet.

Hiermede, Mijnheer de Voorzitter, menen wij genoegzaam aangetoond te hebben, dat wij geen onjuiste voorstelling van de Nota gegeven hebben door op te merken, dat haar de zo nodige duidelijkheid en begrijpelijkheid ontbreekt, terwijl ook al gewichtige vragen onbeantwoord zijn gebleven, waardoor de Kamer in verschillend opzicht in het onzekere wordt gelaten. Wat voorts de inhoud der Nota betreft, is het niet voor tegenspraak vatbaar, dat daarin voor menigeen verre van prettige, zelfs

pijnlijke maatregelen

worden aangekondigd. Zo kan ik mij levendig voorstellen, dat in menig gezin de aankondiging, dat de

melk

binnen betrekkelijk korte tijd per liter 10 cent duurder wordt en dus 41 .oc; -, ; zal gaan kosten, met grote ontsteltenis vernomen is, vooral in die gezinnen, welker leden dringend melk voor hun gezondheid en ter versterking van hun krachten nodig hebben. En niet alleen voor zulke gezinnen, maar ook nog voor zo vele anderen, die over geen welgevulde beurs beschikken, is de zo zeer verhoogde melkprijs een hard gelag, hetgeen nog te meer klemt als men bedenkt, dat de melk tegenwoordig, vergeleken bij de melk van vóór de oorlog, van zulk een inferieure kwaliteit is. En het blijft niet bij de melk alleen, ook de prijzen van het

brood

(0, 4 cent per brood) en van de

suiker

(3, 5 cent per kg.)) zullen in de nabije toekomst verhoogd worden. Het betreft in deze alzo levensmiddelen, wat voor ons een zeer be2TO'üarIijke kant heeft. Dit moet toch de regering, die zich een democratische, een volksregering noemt, ook heel wat te zeggen hebben. Enerzijds geeft zij grote kapitalen voor de volksgezondheid uit, anderzijds zien vsaj de regering prijsstijgingen bevorderen, welke stellig voor de gezondheid van ons volk niet bevorderlijk zijn, daar toch te duchten is, dat door deze prijsverhogingen de genoemde voedingsmiddelen nog al schaarser gebruikt zullen worden. Een dergelijke bestedingsbeperking, Mijnheer de Voorzitter, stuit bij ons op zeer ernstige bezwaren. Wij kunnen er dan ook allerminst onze instemming mede betuigen, dat de prijzen van de genoemde levensmiddelen door de regering verhoogd worden en daarentegen de vele en hoge subsidies voor allerlei genot en vermaak door de regering onaangetast gelaten worden. De regering grijpt hier in de beurzen zelfs van duizenden onzer landgenoten, die dit, maatscnappeiijk gesproTcen, maaF Reel kwalijk kunnen lijden, terwdjl zij — ook ter wüle van de volksgezondheid — in eigen beiurs had moeten tasten. En dit doet de regering niet alleen in dit geval, maar dat doet zij herhaaldelijk. Herhaaldelijk legt zij de lasten op

anderer schouders,

terwijl zij niet naar behoren bezuinigt op de hoge uitgaven des Rijks. Daaraan had de regering veel meer aandacht moeten geven en de uitgaven behoren in te krimpen. De rijksuitgaven zijn toch in de laatste vier jaren op een onverantwoordelijke wijze gestegen. Van 1953 tot 1957 zijn zij maar eventjes van ƒ 5616 tot ƒ 7368 miljoen opgelopen. De staat behoort toch — al is dit naar staatssocialistische opvattingen gewenst — geen soort van kapitalistische onderneming te worden. Op deze geweldig

hoge staatsuitgaven

had de regering dringend en ingrijpend moeten besnoeien. Hiervan is echter in de Nota geen sprake. Zij stelt daarin voor de rijksuitgaven met slechts circa ƒ 200 miljoen te verlagen, waai-yan ƒ 35 miljoen kapitaalsuitgaven. Bedenkt men nu, dat de staatsuitgaven sedert het opstellen der begroting voor 1957 alweer belangrijk gestegen zijn, zodat het aanvankelijk tekort op de gewone en buitengewone dienst van ƒ 783 miljoen per 12 Februari tot ƒ 923 miljoen opgelopen is, dan komt de door de regering voorgestelde bezuiniging van ƒ 200 müjoen hierop neer, dat de op basis van de voorgestelde wijzigingen samengestelde begroting een tekort aanwijst van ƒ 759 miljoen, wat dus slechts ƒ 27 miljoen minder is dan het oorspronkelijk geraamde tekort. Het bedrag van ƒ 200 miljoen, waarmede de regering de uitgaven wil verminderen, is alzo veel te gering. Bovendien bevatten deze ƒ 200 miljoen circa ƒ 60 miljoen wegens hogere prijzen van melk en suiker, alsmede wegens hogere PTT-tarieven, zodat deze ƒ 60 miljoen in feite geen bezuiniging zijn, maar een

afwenteling

van de bestedingsbeperking op de consumenten. Voorts is in dit bedrag van ƒ 200 miljoen, dat eigenlijk ƒ 196, 5 miljoen is, nog een post ibegrepen van ƒ 10 miljoen, bestemd voor herstel van oorlogsschade van lagere publiekrechtelijke lichamen, zodat er van de in de Nota vermelde ƒ 200 miljoen aan bezuiniging der rijksuitgaven niet meer dan circa ƒ 123, 5 miljoen overblijft. De regering, die de staatsuitgaven veel ingrijpender had moeten besnoeien, heeft dit alzo nagelaten, met het gevolg, dat het leven

duurder

in plaats van goedkoper wordt. Zo is onder meer in een artikel in het „Algemeen Handelsblad" van 18 Februari 1.1., getiteld: „Geleide beperking", berekend, dat wanneer het indexcijfer voor het gezinsverbruik in 1949 op 100 gesteld wordt, dit aan het eind van 1957 tot 140 gestegen zal zijn. En dan is dit nog berekend naar de schatting der regering, welke geraamd heeft, dat het levensonderhoud op het einde van 1957 met 6, 8 procent gestegen zal zijn; een raming, waarvan zelfs het N.V.V. en vele anderen vrezen, dat zij niet juist zal blijken te zijn, doch aanmerkelijk hoger zal liggen. Ook echter als deze vrees niet bewaarheid zou worden, en de werkelijke stijging de raming der regering zou benaderen, betekent dit voor zeer velen van ons volk in maatschappelijk opzicht een

zwaar en hard lot. Waar het leven nu reeds voor ve zo duur en hard is, waar moet het i hen dan henen als straks het leven duur zal zijn? Moeten deze mensen, der wie er zijn, die heel hun leven hai^ gezwoegd hebben om op hun oude wat over te hebben, dan soms op houtje bijten?

De regering bedenke, dat het getal mensen, die het onder de verhoogde prij. zen uiterst moeilijk zidlen hebben, niet zo klein is, maar dat dit aantal duizendej en nog eens duizenden beloopt. In aUer. lei woningen kan men de zodanigen aaj. treffen, niet alleen in die der

vergeten groepen

maar ook in

menige pastorie

en in huizen van tal van particulieren Behalve de genoemde prijsverhogingen zijn en worden ook de

tarieven

van onderscheidene overheidsbedrijven, zoals gas-, electriciteits- en vervoersbedrijven, verhoogd, terwijl binnenkort - zoals in de Nota wordt vermeld — ook bij het bedrijf der P.T.T. tariefsverhogingen, welke niet minder dan 20 mi]. joen gulden moeten opbrengen, zullen worden ingevoerd, wat op particulieren en bedrijven geen geringe last zal leggen.

De door ons genoemde prijsstijgingen en de nog niet genoemde prijsverhoging van tabaksartikelen vormen wel een zeei sterke aanfluiting op het beleid, dat de regering zich ten doel stelde, namelij); de prijzen stabiel te houden, gelijk minister Zijlstra bij herhaling verklaard heeft Wanneer deze ten vorigen jare in de vei- Ideangslectuur der A.R.P. mede met het oog daarop als de minister van

modem-christelijk

staatsmansschap werd aanbevolen, djn heeft diens pohtiek wel heel jammerlijk gefaald! Er zijn toch niet alleen reeds tal van prijzen geducht de hoogte ingegaan, maar zij zullen nog veel sterker gaan stijgen, zoals de regering zelf aankondigt, waar zij in de Nota schrijft, dat het prijspeil op het einde van 1957 met 6, 8 procent gestegen zal zijn. Mijnheer de Voorzitter! Bij de prijsstijgingen komt bovendien nog verzwaring van belastingen, welke, zowel op het paiticuhere als op het bedrijfsleven een

zware druk

zal leggen. Zo stelt de regering in haat Nota voor om het tussentarief van de omzetbelasting, . met uitzondering van gedistilleerd, waarvan de belasting onlangs reeds verhoogd is, te laten stijgen van 8 tot 10 procent, en het weeldetarief van 15 tot 18 procent, uitgezonderd vooi auto's en motorrijwielen, terwijl naai haar voornemen de omzetbelasting op autobanden van 5 tot 15 procent verhoogd zal worden, en op radiotoestellen, televisietoestellen en bier 10 procent omzetbelasting zal geheven worden. Bovendien zal de

personele belasting

met ingang van 1 Juli a.s., als de huurverhoging ingaat, verhoogd worden met bedragen, welke variëren van ƒ 11-13 tol ƒ 3.39 per jaar, hetgeen ƒ 7 miljoen moet opbrengen. Voorts stelt de regering voor de

vennootschapsbelasting

te verhogen van 40—43 procent tot 44- 47 procent. Bij de verzwaarde belastingdruk komt vervolgens nog de opschorting voor 1957 van elke investeringsaftrek, hetgeen neerkomt op ƒ 75 miljoen belas- tingverhoging, dat is ƒ 25 miljoen meer dan in het advies van de Sociaal Economische Baad aan de regering was aanbevolen. Mijnheer de Voorzitter! Het behoeft geen nader betoog, dat deze voorwaarde belastingdruk voor de bedrijven al op een

zeer ongelegen tijdstip

komt, daar de winsten der bedrijven omlaag gaan, zodat hel niet onmogelijk is, dat sommige bedrijven genoodzaakt zullen worden hun bedrijven in te krimpen of mogelijk zelfs zullen moeten stopzetten zodat daardoor arbeiders ontslagen 2ullen moeten worden. Daarenboven heeft de verzwaarde belastingdruk nog (Jit irevaar in zich, dat er investeringen nagelaten zullen worden, welke voor de gezonde groei van het bedrijf noodzakelijk zijn. Hierbij heeft de belastingdruk nog de zo zeer bezwaarlijke zijde, dat de

concurrentie

met het buitenland niet zal kunnen volgehouden worden, waardoor de export, waarvan ons land het voor een belangrijk deel hebben moet, zeer benadeeld zal worden. In tal van industriële kringen maakt men zich dan ook niet weinig ongerust en zelfs bezorgd, dat met de verzwaarde belastingen de concurrentie niet vol te houden zal zijn. Dit zal nog te zwaarder gaan wegen indien de door de regering aangenomen prijsstijging aan het eind van 1957 namelijk 6, 8 procent zal overschreden worden.

Vooral in de kringen van de scheepvaart wordt als een ernstig bezwaar ten aanzien van de concurrentie met het buitenland gevoeld, dat door de regering de investeringsaftrek voor de scheepvaart niet gehandhaafd is, daar de scheepvaart moet concurreren met de buitenlandse scheepvaart, welke in die zin geen belasting heeft te betalen. Dit had de regering te meer kurmen doen, als in aanmerking genomen wordt, dat, wanneer de scheepvaart de investeringsaftrek zou hebben mogen behouden, dit geen grotere bestedingen van de scheepvaart tengevolge zou hebben, daar de scheepswerven vóór vele jaren volgeboekt zijn. Mijnheer de Voorzitter! Bij de door ons reeds genoemde bezwaren tegen de in de Nota aangekondigde regeringsmaatregelen, vormt het niet alleen bij ons, maar ook in de kringen der gemeentebesturen een zeer ernstig bezwaar, dat de gemeenten ƒ 100 miljoen zullen moeten bezuinigen, waarvan 1 % of ƒ 20 a ƒ 25 miljoen in de consumptieve sfeer en ƒ 75 miljoen op de investeringen. Dit is alzo de helft van het bedrag, dat het Rijk volgens de Nota opgeeft te willen bezuinigen. Wanneer men echter in aanmerking neemt — wat door mij zoeven is opgemerkt — dat de eigenlijke verlaging der Rijksuitgaven slechts ƒ 123, 5 müjoen bedraagt, dan is het toch verre van een rechtvaardige verdeling van lasten, wanneer van de gemeenten gevergd wordt hun uitgaven met ƒ 100 miljoen te verlagen. Volgens de redenering, door de regering gevolgd, dat de gemeenten op nun uitgaven de helft moeten bezuinigen van het bedrag, dat de regering aangeeft te willen bezuinigen, zou van de gemeenten dan slechts geëist mogen worden, dat zij hun uitgaven met circa ƒ 61 " ƒ 62 miljoen verlagen. Dit achten wij des te meer billijk, omdat de gemeenten 'och al met

handen en voeten gebonden

Z'in aan het Rijk en niet in staat zijn, zosls het Rijk dit kan doen, om tarieven te verhogen of belastingen te heffen, üoor de investeringsbeperking, welke de Regering voorstelt, bestaat voorts de "IS, dat ook de gemeenten minder werk zullen kunnen laten verrichten, waardoor werkloosheid kan ontstaan, gelijk de beperkingen van de bestedingen bij de wegenbouw reeds veel stagnatie en werkloosheid veroorzaakt hebben. Belangrijke wegen, welke in aanbouw zijn, blijven onvoltooid liggen. Viaducten en bruggen worden niet afgebouwd. Aanbestedingen van grote werken hebben niet meer plaats, met het gevolg, dat aannemers met hun enorme machines op opdrachten zitten te wachten. Bijna zestig procent van de expediteurs, die voor de wegenaanleg werken, zijn al buiten dienst. De eigenaars zijn niet in staat het wagenpark produktief te maken, terwijl zij toch de financieringsvoorwaarden voor dit kostbare wagenpark moeten nakomen. Van de 2000 graafmachines, welke in Nederland zijn en welke aan de wegenbouw verhuurd moeten worden, staan er reeds honderden buiten dienst. In deze werktuigen is ƒ 60 tot ƒ 100 millioen geïnvesteerd. De wegenbouwers, alsook de ondernemers van nevenbedrijven, zijn daardoor zeer ernstig gedupeerd. Ook de

binnenscheepvaart

ondervindt reeds de nadelige gevolgen van de bestedingsbeperking, welke nu al zo diep ingrijpt in de bedrijvigheid en economie "van ons land. Om maar één voorbeeld hiervan te noemen, vestigen wij de aandacht op een bericht, dat onlangs in de dagbladen te lezen stond, namelijk dat er in de haven van Maasbracht en elders 130 schepen, die anders grind, zand en steenslag vervoeren, thans zonder werk in de havens liggen, terwijl van de binnenvaartvloot, die onder gewone omstandigheden aan het vervoer van funderingsrnateriaal deelneemt, de helft op non-activiteit gesteld" is. Dit zijn voor een groot deel Rijnaken, welke in Duitsland bij de groeven hggen te wachten op bestellingen uit Nederland, welke nu achterwege blijven. En wat de werkloosheid, welke zich als gevolg van deze beperkingen voordoet, betreft, hebben sommige

wegenbouwondememingen

zelfs de vaste kern van hun personeel moeten inkrimpen, dat nu links en rechts probeert aan werk te komen, hetgeen wel iets heel bijzonders is in deze tijd, waarin de klachten over gebrek aan personeel niet van de lucht waren en er zwarte lonen wedren uitbetaald. Mijnheer de Voorzitter! Voorts wordt door ons als een ernstig bezwaar aangevoeld, dat de maatregelen der regering mede de

inflatie

in de hand werken. Een gevoelen, dat met ons door velen wordt gedeeld, gelijk ook in deze berjaadslagingen gebleken is en waarvan ook in de pers herhaaldelijk gewag wordt gemaakt, gelijk nog onlangs in het „Algemeen Handelsblad" van 18 Februari 1.1. werd gedaan in een artikel, dat handelde over de regeringsnota, en waarin opgemerkt werd, dat men deze Nota beter de inflatie-nota zou kunnen noemen; terwijl in een artikel in het nummer van 20 Februari 1.1. van de „Nieuwe Rotterdamse Courant", handelend over de regeringsnota, stond, dat „ons volk langs de afgrond van de ongebreidelde inflatie loopt". Inderdaad, Mijnheer de Voorzitter, het gevaar van een

voortschrijdende inflatie

is allerminst denkbeeldig. Heeft deze plaats, dan betekent dit voor vrijwel heel het volk, maatschappelijk bezien, geen kleine ramp, terwijl de minst draagkrachtigén daardoor het sterkst getroffen worden.

Mijnheer de Voorzitter! Zonder enige twijfel worden door de voorgestelde regeringsmaatregelen zeer zware lasten op ons volk gelegd, nadat deze kort geleden nog door de

Algemene Ouderdomswet

en de verhoging van de prijzen van suiker en benzine voor velen al zo aanmerkelijk verzwaard werden. Nu zal weer ƒ 95 miljoen door de prijsstijging uit de beurzen van de consumenten worden gehaald; ƒ 100 miljoen zullen de naamloze vennootschappen hebben op te brengen; ƒ 75 miljoen de bedrijven door opschorting van de investeringsaftrek voor 1957, en dan komt de huurverhoging daar straks nog bij, gepaard met een verhoging van de personele belasting met ƒ 7 miljoen, terwijl tevens nog ƒ 24 miljoen moft worden opgebracht door een verzwaarde omzetbelasting. Is deze lastenverzwaring op zichzelf al heel erg, daar komt bij, dat er allerlei risico's aan de door de regering voorgestelde maatregelen verbonden zijn en het dus volstrekt niet zeker is, dat deze de gewenste uitkomst zullen hebben. De regering erkent zelf, dat 1957 voor wat de begrotingspositie betreft, nog een moeilijk jaar zal blijven, daar het jaar 1956 een zeer duidelijke verslechtering heeft gegeven door de verstoring van de betalingsbalans, de kapitaalsmarkt en de arbeidsmarkt. Er is dan ook naar ons oordeel

geen grond

voor hetgeen de regering in haar Nota opmerkt, namelijk „dat er op gerekend mag worden, dat de situatie in 1958 aanmerkelijk zal zijn gesaneerd". Afgezien er van, dat naar onze mening de regering te grote verwachtingen heeft van de door haar voorgestelde maatregelen, heeft de verklaring van de regering voor ons nog dit principiële bezwaar, dat de regering er van uitgaat, dat de toekomst door mensen beschikt kan worden. In die overtuiging heeft zij o.i. veel te lang geleefd, terwijl toch alles afhankelijk is van het

Godsbestuur,

waarmede in het regeringsbeleid helaas geen rekening wordt gehouden. De miskenning hiervan is de bron van alle ellende.

Het is daarenboven bij ons al jaren lang een ernstig bezwaar geweest, dat de regering maar al te zeer van

de hoge boom

geleefd heeft. Er is letterlijk met geld gesmeten en daaraan is nog geen einde gekomen. Allerlei uitgaven voor luxueuse gebouwen en de inrichting daarvan zijn en worden gedaan, waarvan de geachte afgevaardigde de heer Jansen eergisteren nog een frappant voorbeeld noemde toen hij wees op de luxueus gebouwde en in- , gerichte gymnastieklokalen. Ook luxueus gebouwde en ingerichte

overheidsgebouwen,

waarvan een zeker blad onlangs schreef, dat het wel paleizen gelijken, leveren daarvan de bewijzen. Ten aanzien van de defensie en ook van andere departementen zijn wij van oordeel, dat daarbij ook niet de nodige zuinigheid betracht is en wordt, hetgeen al evenzeer geldt ten aanzien van de talrijke miljoenen aan subsidies, welke door Rijk, provincies en gemeenten kwistig worden toegekend, zoals in de „Haagse Courant" van 20 Februari 1.1. terecht werd opgemerkt. In één woord, Mijnheer de Voorzitter, de rijksuitgaven zijn op een onverantwoordelijke wijze opgevoerd. Bij herhaling hebben wij er op gewezen, dat dit op de één of andere tijd moest vastlopen en dat daarom bezuinigingen dringend nodig waren. Thans is het ook inderdaad vastgelopen, gehjk blijkt uit de in de Nota aangekondigde maatregelen, waar wij in het kort gezegd dit tegen hebben, dat daarin op de rijksuitgaven

bij lange na niet genoeg

bezuinigd is, terwijl daarbij nog weer eens nieuwe hoge lasten worden gelegd op de consumenten, en dat zelfs voor het gebruik van levensmiddelen, en op de belastingbetalers. Mijnheer de Voorzitter! De voorgestelde regeringsmaatregelen wijzen duidelijk uit, dat het regeringsbeleid in de koers van het

staatssociaUsme

gaat, hetgeen onder meer ook al tot uiting komt in de landbouwpolitiek. Ook daarin zien wij een bevordering van de ambtenarij en de bureaucratie, welke door het regeringsbeleid van de na-oorlogse jaren zo sterk bevorderd zijn en ook bevorderd worden in het voorstel der regering, om met betrekking tot de landbouw ƒ 50 miljoen te blokkeren, .voor welker uitvoering de ambtenarij en bureaucratie in geen geringe mate zullen worden ingezet, gelijk dit ook het geval zal zijn met het plan der regering om straks van de huurverhoging 50 % te blokkeren. Hiermede zullen weder miljoenen gemoeid zijn, zodat de uitgaven daardoor weder zullen worden opgedreven.

Tegen het steunen van de landbouw op zichzelf. Mijnheer de Voorzitter, hebben wij volstrekt geen bezwaar, en ook hebben Virij er allerminst bezwaar tegen, dat er naar gestreefd wordt de lonen van de landarbeiders te brengen op een gelijk •peil als die van de arbeiders in de industrie, daar dit voor de goede gang van zaken bij de landbouw noodzakelijk is, omdat de landarbeiders anders in groten getale naar de industrie, kantoren en andere bedrijven overgaan, gelijk in de laatste jaren op niet geringe schaal heeft plaats gehad en nog plaats heeft. Onze bezwaren richten zich bepaaldelijk tegen de

blokkering

van de 50 miljoen betreffende de uitbetaling van de bedragen, waarop door de verhoogde normen voor onderhoud en afschrijving van bedrijfsgebouwen in de kostprijzen aanspraak kan worden gemaakt. Daarin zien wij naar socialistisch model aan Vadertje Staat een macht toegekend, welke wij niet kunnen goedkeuren. De regering zegt de landbouw te willen helpen met ƒ 200 miljoen, maar zij houdt daar feitelijk ƒ 50 miljoen te eigen bate van af. Zo komt zij aan goedkoop geld, terwijl de landbouwers bovendien bedreigd worden door het gevaar, dat zij, warmeer zij eindelijk het geld kunnen beuren, dit door inflatie in sterk verminderde waarde zullen ontvangen. Aangaande het verkrijgen van deze ƒ 50 miljoen is toch door de regering bepaald, dat geen enkele boer vóór 1959 iets van deze geblokkeerde gelden kan ontvangen, terwijl dan deblokkering verkregen wordt nadat men de gelden voor verbetering heeft aangewend, waarna nog inkomstenbelasting over het geblokkeerde geld moet worden" voldaan. Vooral de bedrijven, die nu in zeer grote moeilijkheden verkeren, zoals de

weide-, zand- en de veenkoloniale bedrijven,

worden door deze maatregel wel bijzonder zwaar getroffen. Mijnheer de Voorzitter! In de Nota wordt voorts met betrekking tot het landbouwbeleid der regering aangekondigd, dat dit er op gericht zal zijn om in te grijpen in de

kleine bedrijven.

Hierin zien wij duidelijk een socialistische maatregel. De socialisten toch zijn er steeds op uit geweest en zijn er nog steeds op uit om de kleine bedrijven der zelfstandigen in het algemeen en dus ook de kleine landbouwbedrijven op te ruimen. Daartegen hebben wdj onoverkomelijke, principiële bezwaren, daar door het opheffen van kleine bedrijven, waarvan het vaststaat, dat de opbrengst per ha. het grootst is, tal van nijvere mensen van hun bestaan beroofd en in een staat van pauperisme gebracht worden. 'Met een dergelijk beleid, waarbij dwang op dwang wordt toegepast, kuimen wij ons niet verenigen. Wij kunnen dan ook niet nalaten daartegen een krachtig protest te doen uitgaan. Wat verder de landbouw in het kader van de regeringsnota betreft, bestaan er bij ons zeer ernstige bezwaren tegen de door de regering voorgestelde verlaging der grondrente, waarvan volgens „Ons Platteland" van 22 Februari 1.1. het gevolg zal zijn, dat de waarde van de grond met niet minder dan circa twee miljard gulden zal verminderen. Dit is alzo weer een echt socialistische maatregel, daar ze neerkomt op nationalisatie, zij het koude nationalisatie, van de grond. Voorts zouden wij met betrekking tot de

agrarische sector nog enkele opmerkingen willen maken in zover de Nota der regering daartoe aanleiding geeft. Er wordt namelijk in de Nota aangekondigd, dat de uitgaven van de cultuurtechnische dienst met ƒ 14 miljoen, en die voor de versterking van de bestaande hoogwatericeringen met ƒ 8 miljoen zullen worden verlaagd. Wanneer deze verlagingen geen nadelige gevolgen hebben voor de produktie en de bestrijding van de wateroverlast, dan bestaat bij ons daartegen geen bezwaar. Wij vragen ons echter af of die nadelige gevolgen wel te ontgaan zullen zijn. Zo dit niet het geval mocht zijn, zijn wij van oordeel, dat de hier voorgestelde bezuiniging een heel verkeerd effect zal hebben en geen bezuiniging zal blijken te zijn. Tenslotte, Mijnheer de Voorzitter, wensen wij betreffende de Nota iiog één opmerking te maken, en wel deze, dat het ons zeer getroffen heeft, dat er, met uitzondering van een enkele opmerking bij de landbouw, vrijwel met geen woord in de Nota over

verhoging der produktie en der produktiviteit

gerept wordt, tervsdjl deze toch van zo groot belang is ter bevordering van het concurrentievermogen ten behoeve van de export, wat tot het vergroten van het nationale inkomen in beduidende mate zou kunnen bijdragen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1957

De Banier | 8 Pagina's

Nota in zake de beperking van bestedingen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken