Bekijk het origineel

Christus' onveranderlijke heerschappij

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Christus' onveranderlijke heerschappij

7 minuten leestijd

I.

Zijn haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf. Hooglied 5 : 11b

Het was in de nacht, dat de docbteren van Jeruzalem aan de missende en zoekende bruid de vraag stelden; „Wat is uw Liefste meer dan een andere liefste, dat gij ons zo bezworen hebt? " Het was geen vraag, gedaan uit blote nieuwsgierigheid, maar uit waarachtige belangstelling.

Die doehteren van Jeruzalem hadden wel een beginsel van genade, maar waren niet tot de kennis gekomen, die de bruid mocht bezitten. Het heeft die dochters van Jeruzalem getroffen, dat zij de bruid aantroffen in zulk een droefheid vanwege het gemis van Christus en in haax vurig verlangen om haar Bruidegom weer t& mogen ontmoeten.

Waarom de bruid nu zulk een klaar en duidelijk getuigenis van Christus gaf, is daaruit te verklaren, dat zij zulk een geheiligde kennis van Christus bezat.

Hij had Zichzelf aan haar geopenbaard, ja Zichzelf aan haar weggeschonken. Die twee waren tot één geworden. Niet alleen dat door God de Vader die band tussen Christus en Zijn kerk gelegd is in de stille eeuwigheid, maar ook hier in de tijd van Gods eeuwig welbehagen, toen Hij op het aUerinnigst en gemeenzaamst met haar is verenigd. Door de band des huwelijks waren zij geestelijk aan elkander op het allernauwst verbonden.

Christus is alles en in allen. Hij is met de Vader en de Heilige Geest waarachtig en eeuwig God. God boven al te prijzen tot in der eeuwigheid. Hij is van eeuwigheid door de Vader verkoren. De Vader heeft het verbond mot Hem gemaakt, dat onveranderlijk en eeuwig is. Wat ook moge wegvallen en ondermijnd worden 'hier in de tijd, dat verbond weet van geen wijken of wankelen. Met een onverbrekelijke eed is dat verbond bevestigd, en in dat eeuwig verbond, waarin Christus de Zijnen, Zijn uitverkorenen, vertegenwoordigd, uit Kracht van het eeuwig welbehagen des Vaders, ligt de eer van een drieënig God gewaarborgd, maar ook de zaligheid en de behoudenis der uitverkorenen vast. Dat is een grondslag, waar de duivel niet bij kan, en waar al het geweld van de wereld en van de zonde niets tegen vermogen.

Die eeuwige Zoon Gods nam in de volheid des tijds onze menselijke natuur ^an. Hij werd de broederen in alles ge- "IK uitgenomen de zonde. Eén Persoon ® twee naturen. Hij was God en bleef ^od, maar nam onze natuur aan door •^e werking des Heiligen Geestes uit de • "> aagd Maria.

In die menselijke natuur heeft Christus hier op de wereld geleefd, gestreden, gebeden, geworsteld, aan Gods recht voldaan, en de straf, die ons de vrede aanbracht, was op Hem.

Hij kocht Zijn volk naar ziel en lichaam met de prijs van Zijn bloed. Hij gaf Zichzelf in de dood om de dood voor eeuwdg de doodsteek te geven. Hij triomfeerde aan het kruis en Hij openbaarde Zich in Zijn opstanding als de Verwinnaar van dood, hel, graf, satan en zonde. Hij voer ten hemel op vol eer. De Vader heeft Hem uitermate verhoogd en een Naam gegeven, welke boven alle naam is. Hij heeft voleindigd het werk, dat de Vader Hem gegeven had om te doen. Er moet nooit meer iets toegevoegd worden aan het werk, dat Hij volbracht. Hij is de 'Rotssteen, Wiens werk volkomen is. En nu zit Hij aan de rechterhand des Vaders, maar Hij rijdt ook op het witte paard Zijner overwinning.

Christus is de Verwerver der zaligheid, maar ook de grote Toepasser. Het welbehagen zal door Zijn hand gelukkigüjk voortgaan. De Vader ontvangt Zijn volle eer en heerlijkheid, en Zijn volk ontvangt de volle zaligheid, en Zelf zal Hij eeuvrag gekroond worden door de Vader, engelen en verlosten.

Ja alle knie zal voor Hem gebogen worden en alle tong zal Hem belijden. Welgelukzalig zijn zij, die het reeds hier aan deze zijde van het graf mogen doen met blijdschap en uit de volle liefde van hun hart.

O, in de kennis van Hem is alleen het eeuwige leven. Neen, hier wordt niet bedoeld een kennis, die alleen maar vloeit uit hetgeen wij van Hem gelezen hebben, maar het gaat hier over die practicale, bevindelijke kennis, die geschonken wordt van de hemel in het hart der uitverkorenen.

„Vlees en bloed heeft het u niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is", zo sprak eenmaal de Heere Jezus tot Petrus in Mattji. 16. O, .wat is de mens toch arm, doodarm, die geen betrekking op of kennis van Christus heeft. Wat is alles buiten Christus toch leeg en hol.

De kennis van onszelf is noodzakelijk. De kennis van onze staat, verloren, verdoemelijk en schuldig voor God. Wie zichzelf nooit recht leerde kennen door de ontdekking des Heüigen Geestes, en wie nimmer Adam voor God werd, zal ook nimmer tot de kennis van de tweede Adam komen. Niemand is zo verborgen als Christus, en er is een persoonlijke openbaring nodig in ons leven om Hem recht te kennen. Maar niet minder is esn afsnijding noodzakelijk, om door Hem omhelsd te worden. Hij moet ons geschonken worden, en op die schenking volgt de aanneming door het geloof. O, wanneer Christus ons niet omhelst, hoe zullen wij ooit tot een gelovige omhelzing komen?

De bruid was geen vreemdelinge van die genade. Wat had Christus Zich menigmaal zalig aan haar hart geopenbaard. Zij had Hem in de heerlijkheid van Zijn Persoon leren kennen, maar zij was ook bediend uit de volheid Zijner genade. En wat zij van Hem gezien had en van Hem had leren kennen, dat kon geen leed ooit uit haar geheugen _wissen. Vandaar, dat zij ook in deze tekst zulk een troostvol getuigenis geeft. In dit kapittel geeft de bruid een verklaring van tien bijzonderheden, die Olnistus aan haar ontdekt had, en het één zowel als het ander was tot meerdere verheerlijking van die Persoon, maar ook tot sterke bemoediging van de bruid. Jft geliefden, hoe meer wij van Hem gezien hebben, hoe meer wij ook van Hem kunnen vertellen.

Vi'anneer hier van het haar gesproken £c.> c-rdt, dan behoort dat tot een bijzonder sieraad aan het menselijk lichaam. Die haarlokken, die aan Christus worden toegeschreven, zijn gekruld. Gekruld wil zeggen: dik. Wanneer de krachten afnemen en de ouderdom komt, dan valt in den regel het haar van de mens uit. Er zijn wat mannen, die in het geheel geen haar meer hebben. En bij anderen wordt het hoe langer hoe dunner. Maar ge­ kruld haar wijst ons op jeugdige kracht en sterkte. Evenzo is het wanneer hier gezegd wordt, dat Christus haarlokken gekruld zijn, zwart als van een raaf. Wit haar is in de meeste gevallen een teken van ouderdom, en het wijst op het verval van krachten. De grijzigheid lag op Efraïm, Hosea 7 : 9. De zwartheid van een raaf is zijn schoonheid.

Nu wordt in Openb. 1 : 14 Christus voorgesteld als wit, en dan wijst dat ons op Zijn eeuwigheid, dat Hij is de „Oude van dagen". Maar hier als gekruld en zwart, aanduidende dat Hij eeuwig jong is, dat er bij Hem geen verval is. De Heere Jezus, met eerbied gesproken, wordt nooit oud. Zijn jaren houden niet op. Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde, en tot in der eeuwigheid, Hebr. 13 : 8.

Vooral in het Oosten werd glinsterend zwart haar gehouden voor ontzaggelijk en werd zeer begeerd. Het ging zelfs zó ver, dat de mensen trachtten hun haar die kleur te doen verkrijgen, en alle middelen werden daartoe aangewend.

Ook hielden zij zwart haar voor een bewijs van moed en dapperheid, en gepaard met een heldere en zuivere kleur, was het zeer bevallig in de ogen der mensen.

Dus wanneer wij het alles kort samenvatten, dan wijst het glanzende zwarte en gekrulde haar ons op de frisse levenskracht, mannelijke moed en dapperheid.

Gr.-Rapids

Ds. W. C. LAMAIN

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1957

De Banier | 8 Pagina's

Christus' onveranderlijke heerschappij

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 maart 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken