Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CXV

Groens strijd tegen het modernisme. Zijn antwoord in „Is er geen oorzaak" aan Ds. Gunning in verband met Dr. Zaalberg.

Pot degenen, die omstreeks het midden Ier vorige eeuw zich krachtig verzet lebben tegen het beroepen van moderle of vrijzinnige predikanten in de Neierlands Hervormde Kerk behoorde ook Mr. Groen van Prinsterer. 2o nam hij in zijn dagblad „De Nederlander", waarmede hij in 1850 begonnen was, met volle instemming de adressen op, welke gericht waren tegen het beroepen van de moderne predikant Dr. Meyboom te Amsterdam. En toen men in 's-Gravenhage in 1854 er toe overging om de moderne Dr. Zaalberg aldaar te beroepen, nam Groen al evenzeer een actief aandeel in het verzet tegen deze vertegenwoordiger van het modemisme.

Deze Dr. Zaalberg had onderscheidene geschriften het licht doen zien, waaruit duidelijk bleek, dat hij de leer der heilige Drieëenheid, de Godheid van Christus en de erfschuld loochende. Nog driester liet hij zich uit in zijn leerredenen over „De verzoening der wereld met God in Jezus Christus", naar aanleiding van 2 Cor. 5 : 18-21, waarbij een naschrift voorkomt, waarin hij onver- Uoerad uitspreekt, dat hij de leer der Gereformeerde Kerk ten aanzien van het schuldbetalend, plaatsvervangend en Godverzoenend lijden en sterven van Christus verwerpt.

Uoor de voorstanders der gereformeerde leer in de Ned. Herv. Kerk, wier vereniging de naam droeg van „Vrienden der Waarheid", was in 1854 tegen het beroep van Dr. Zaalberg te 's-Gravenhage krachtig opgekomen, omdat zij hem toen 'eeds als een verloochenaar en bestrijder ™n de leer der kerk hadden leren ken- H^n. De Synodale Commissie echter had ™ protest onontvankelijk verklaari wegens gemis aan duidelijke bewijzen voor ™n tenlastelegging.

Nadien kwam echter zonneklaar aan het lioht, dat de „Vrienden der Waarheid" te 's-Gravenhage het bij het rechte einde hadden gehad. De dierbaarste waarheden des Evangelies werden door Dr. Zaalberg op de kansel opzettelijk en openlijk aangerand. En wanneer daartegen opgekomen en hem gevraagd werd hoe hij, die als leraar der Hervoraide Kerk beloofd had de belijdenis zijner kerk te zullen prediken, dit aandrufde, dan gaf hij hierop ten antwoord, dat men „christelijk" genoeg behoorde te zijn om zich door geen banden te laten binden, waar het de waarheid in Christus geldt en „gereformeerd" genoeg om zich te houden aan het grondbeginsel van artikel 7 der Ned. Geloofsbelijdenis, waarin beleden wordt, dat het de mensen, al waren het zelfs apostelen, niet geoorloofd is om anders te leren, dan ons nu geleerd is door de Heilige Schriftuur.

Hoe groot de verontwaardiging bij velen ook was, Dr. Zaalberg ging op de eenmaal ingeslagen weg voort. Van jaar tot jaar werd zijn optreden brutaler. In 1864 begon hij drie weken na Pasen met 'zijn „Christelijke toespraken over de godsdienstige vragen des tijds", welke hij ook onder de titel van: „De godsdienst van Jezus en de moderne richting" uitgaf met het doel, zoals hij zelf schreef, om niet weinigen van al die kunstenaars en geletterden, van al die officieren en rechtsgeleerden in Den Haag, te winnen voor de godsdienstzin van Jezus. Deze toespraken stonden, gelijk te begrijpen is, geheel in het teken van het ongeloof in zake de waarheden van Gods Woord. De aandacht werd er in gevestigd op zogenaamde tegenstrijdigheden ia de Bijbel en op tegen het „gezond verstand" indruisende voorstellingen van de heüsfeiten, waarbij door hem echter argumenten bijgebracht werden, welke door een eenvoudige, schrandere cate-. chisant onmiddellijk ontzenuwd hadden kunnen worden. Dat zijn preken grote '> ontstemming uitlokten, is te verstaan. Zelfs kwam het eens zo ver, dat er voor het kerkgebouw, waarin Dr. Zaalberg voorging, een oploop ontstond met het gevolg, dat hij door de politie naar huis moest worden gebracht. Nauwkeurige onderzoekingen hebben aan het licht gebracht, dat deze oploop niet veroorzaakt was door de rechtzinnige leden der Haagse gemeente, maar door Joden, die er zeer gebelgd over waren, dat Dr. Zaalberg zich niet ontzag om Mozes en de profeten door het slijk te sleuren.

Helaas waren er onder de predikanten destijds, die zich uiterst lauw gedroegen. Zo stelde Ds. Guiming, één der jongste predikanten te 's-Gravenhage van de ethische richting, aan de verontwaardigde gemeenteleden de vraag, waartoe zij zo verwonderd waren. De afval moest immers komen en meer en meer openbaar worden. De antichrist zal zelfs in de tempel Gods zijn zetel hebben en in naam van het vernieuwde en gezuiverde christendom, het christendom bestrijden. Alle tekenen wezen er dan ook volgens Ds. Gunning op, dat de komst van Christus meer en meer naderde. Daarom behoorde volgens hem de toekomst aan de Heere toebetrouwd te worden, terwijl van de leden der gemeente en de dienaren des Woords niet anders vereist werd dan dat ieder getrouw bevonden werd. Tegen dergelijke lauwe frasen kwam Mr. Groen van Prinsterer met alle kracht op. Tegenover de vraag: „Waartoe verwonderd? " van. Ds. Gunning, stelde hij de wedervraag: „Is er geen oorzaak? " En Groen antwoordde daarop als volgt: , , Vergeet niet, hoe jaar op jaar, hoe nog in de laatste maanden, eer de storm losbrak, door de conservatieven de gemeente gerustgesteld werd. Het was zo erg niet; vooral hier in 's-Gravenhage zo erg niet. Vergeet niet, dat niet lang geleden de moderne theologie de gemeente voor een onbewimpelde voordracht onrijp keurde en in evangelische spreekwijzen een aanbeveling en vooral ook een schild zocht. En wanneer dan nu het nog langer ontveinzen van de ontzettende toestand plotseling door de niets meer ontziende overmoed der modernen, onmogelijk wordt; wanneer de moderne theologie zich krachtig genoeg waant ter aflegging van- het masker; wanneer zij met open vizier, niet enkel op wetenschappelijk gebied, maar in het heiligdom optreedt; wanneer zij aan de gemeente verkondigt, dat sedert achttien eeuwen het geloof der christelijke kerk op kimstig of ook kunsteloos verdichte fabelen gerust heeft; dat Jezus, Die de gemeente ten onrechte Christus en Zaligmaker noemt, een liefderijke Rabbi geweest is, de zoon des mensen, niet de Zoon Gods; wanneer zij opstanding en hemelvaart voor een ongerijmdheid en alle godsdienst voor een vrucht der verbeelding verklaart; wanneer zij u meedeelt, dat alleen de bijgelovige schare voor werkelijkheid houdt wat symbool en poëzie is; dat van het bovennatuurlijke geen sprake mag zijn; dat het aanzijn van een persoonlijke God, dat een leven na dit leven problematisch is; dat er althans geen God in de hemel hoorder en verhoorder van het gebed is, en dat het antwoord der gemeente op het: „Wat is uw enige troost, beide in leven en in sterven? " niet dan onzin bevat; is dan de verwondering der gemeente verwonderenswaard? " Tot zover Groens ontboezeming in antwoord op het slappe, lauwe betoog van Ds. Gunning. Het vervolg er van zal D.V. de volgende maal gegeven worden.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1957

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 mei 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken