Bekijk het origineel

Misleidend

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Misleidend

17 minuten leestijd

Het treedt hoe langer hoe meer aan de dag, dat de politieke voorlichting, welke even vóór de Tweede Kamerverkiezingen van Juni 1956 aan ons volk werd gegeven, misleidend is geweest. Degenen, van wie met alle recht verondersteld mocht worden, dat zij er toen reeds van op de hoogte waren, dat de financiële en maatschappelijke toestand des lands bij lange na niet zo rooskleurig was als zij er van opgaven, hebben toen in hun politieke voorlichting een allesbehalve getrouw beeld van de financiële en maatschappelijke situatie van ons land gegeven. Ten vorigen jare, aan de vooravond van de Tweede Kamerverkiezingen, werd in allerlei propagandalectuur bij ons volk de indruk gewekt, alsof de welvaart hoog geklommen was, zó hoog zelfs, dat deze met die uit geen enkel tijdperk in heel onze volkshistorie te vergelijken viel. Het werd in die propagandalectuur, vooral in die van de socialisten, voorgegeven alsof het ten onzent alles botertje aan de boom was en alsof ons volk in een soort van weeldestaat verkeerde als nimmer tevoren gekend was.

De ontnuchtering

Het misleidende van de bovenvermelde •politieke voorlichting moest aan de dag

komen. Dit kwam zelfs al heel spoedig aan de dag. Reeds vrijwel in de eerste redevoeringen, welke van achter de regeringstafel in ons parlement gehouden werden. Rondweg werd daarin de financiële toestand van ons land zorgelijk genoemd. 'Mininster Hofstra kwam met belastingvoorstellen, welke hij nodig achtte om daarin verbetering aan te brengen. Hierbij werd door hem niet toegegeven, dat deze précaire financiële toestand mede ontstaan was doordat de vorige ministeries, niet het minst het laatste, op een veel te hoge voet geleefd hadden, ook al doordat zij de staatsuitgaven op een onverantwoorde wijze de lucht hadden ingedreven, al gaf hij openlijk en onomwonden toe, dat de financiën des lands dringend verbetering nodig hadden, wilde ons volk niet in grote ellende gestort worden. 'Hij heeft in een latere tijd erkwid, dat niet alleen de bodem van 's lands schatkist te zien is, maar dat deze ook lekken en gaten vertoont, terwijl ook voor het volgende jaar nog een stijging van de rijksuitgaven te wachten is. Minister Hofstra verklaarde toch, dezer dagen, dat mede door uitgaven voor Onderwijs, Euromarkt en Verkeer hogere rijksuitgaven voor 1958 te wachten zijn. Wat het begrotingsbeeld voor 1958 'betrefti, zeide deze minister, dat hij daarover bepaald niet gerust was.

Meevallers zijn er dienaangaande niet te wachten. Aangezien — aldus minister Hofstra — de dekking op de kapitaalmarkt heel moeilijk blijkt, zal het budgetaire tekort in 1958 aanzienlijk zijn.

Grote tekoxten

Door minister Hofstra is in de laatste tijd wel een geheel andere toon aangeslagen dan er aangeslagen werd in de propagandalectuur vóór de Kamerverkiezingen van het vorige jaar. In de door hem ingediende Memorie van Antwoord betreffende de aangekondigde verhoging van enige belastingen wordt door minister Hofstra toch verklaard, dat nieuwe nog niet voorziene uitgaven het begrotingstekort van het Rijk over 1957 zuUen doen toenemen tot een bedrag van ƒ 870 milhoen, hetgeen ƒ 111 millioen meer is dan in de laatste bestedingsnota was voorzien. Anderzijds is gebleken — aldus minister Hofstra — dat de regering voor de ƒ 30 millioen aan inkomsten, welke de staat zal derven door de handhaving van de bestaande melksubsidie in het tweede halfjaar van 1957, gecompenseerd kan worden door een vermindering van ƒ 29 millioen van de staatsuitgaven. Hierbij wijst minister Hofstra er met nadruk op, dat met de genoemde vermindering van de'rijksuitgaven de door de regering beoogde verlaging van het peil van de totale rijksuitgaven niet wordt bereikt. Tegenover deze verlagingen toch ^aat namelijk het feit, dat voor verschiSende voorzieningen ten laste van de dienst 1957 nog een aantal belangrijke suppletoire begrotingen zal moeten worden ingediendi, welke ten dele de uitdrukking zijn van reeds aanwezige omstandigheden, waarmede in de oorspronkelijke begroting onvoldoende rekening werd gehouden, en die anderzijds het gevolg zijn van beleidsbeslissingen die tot nieuwe uitgaven leiden. Dientengevolge vertoont het herziene begrotingsbeeld voor 1957 volgens minister Hofstra nog generlei verbetering, terwdjl ook voor 1958 de mogelijkheid voor verdere bezuiniging van de rijksuitgaven bij een ongewijzigd beleid niet kan opwegen tegen de verhoging van een aantal andere posten, die moet worden verwadit. Daarom acht de minister het nauwelijks verantwoord, de genoemde vermindering van de uitgaven te beschouwen als dekking voor de ƒ 30 miljoen, welke voor de handhaving van de subsidie op metk nodig zijn. Verder zou volgens de minister de eis tot dekking van de verdere nog niet in het begrotingstekort opgenomen uitgaven dienen te worden gesteld. De discussie over de verdere maatregelen voor het voeren van een gezond financieel beleid wil hij echter uitstellen tot hij beschikt over de voorlopige begrotingscijfers over 1958, welke hij binnenkort verwacht. Volgens het herziene begrotingsbeeld voor 1957 zal de gewone dienst een overschot opleveren van ƒ 735 millioen {volgens bestedingsnota ƒ 718 millioen), de buitengewone dienst I een tekort van ƒ 202 (ƒ 186) millioen; , het Landbouwegalisatiefonds zal ƒ 404 (ƒ 318) milhoen vergen, de buitengewone dienst II een tekort opleveren van ƒ 940 (ƒ 909) millioen, en mogelijk nog te verwachten additionele uitgaven ƒ 49 (ƒ 54) millioen vergen. Op grond van het herziene begrotingsbeeld meent de minister rekening te moeten houden met een budgetair tekort van globaal ƒ 400 millioen. Daar momenteel geen aanwijzingen bestaan, dat de openbare kapitaalmarkt eerlang voldoende ruimte zal bieden voor het plaatsen van lang lopende staatsleningen, zal waarschijnlijk niet kunnen worden voorkomen, dat voor de financiering van het ongedekte deel van het kastekort tijdelijk een beroep wordt gedaan op andere financieringsmiddelen^ waarbij de minister onder meer denkt aan het beschikken over het saldo op bijzondere rekening van Rijksschatkist bij de Nederlandse Bank. Inzake de voorgestelde verhoging van de Vennootschapsbelasting merkt de minister op, dat hij niet het standpunt kan onderschrijven, dat de verhoging van deze belasting voor zover er sprake is van binding van koopkracht tot een bedrag van ƒ 50 millioen, slechts aanvaardbaar is indien tevens vaststaat, dat later een overeenkomstige teruggaaf zal geschieden. Het zou volgens minister Hofstra niet van een evenwichtig plan van maatregelen getuigen, indien men in de sector van de winsten van de onpersoonlijke ondernemers thans zou volstaan met een belastingmaatregel, welke het karakter van een gedwongen lening heeft, terwijl gelijktijdig in andere sectoren van het maatschappelijke leven zware offers van fiscale en andere aard zouden worden gevraagd. Voorts is minister Hofstra het er niet mede eens, dat de Personele Belasting niet meer past in onze tijd. Volgens hem biedt het woongenot in het algemeen nog wel grond voor een matige belasting. Afschaffing van deze belasting, welke vooral voor de kleinere gemeenten een belangrijk middel is voor het verkrijgen van inkomsten, heeft naar het oordeel van de minister nog dit zeer ernstige bezwaar, dat zij een geduchte inbreuk maakt op de gemeentelijke autonomie. Uit deze overwegingen acht hij het niet juist, dat bij de aanstaande stijging van de waarde van het woongenot de Personele Belasting afgeschaft zou worden. Ook bestrijdt hij de opvatting, dat in deze de bewoners van de oudere woningen extra getroffen worden in vergelijking met de bewoners van nieuw gebouwde huizen.

Allesbehalve rooskleurig

Ons is hier weer een bewijs te nïeer geboden, dat het er met de rijksfinanciën allesbehalve rooskleurig uitziet. De schatkist is leeg. Het kabinet wendt alle pogingen aan om de berooide schatkist zo veel mogelijk weer gevuld te krijgen, doch de toestand is van zulk een aard, dal de minister van financiën verklaart, dat de bodem van de schatkist niet alleen te zien is, maar dat zich daar ook gaten in bevinden, wat alhcht in de toekomst tot een grotere ontwaarding van onze munt kan leiden, hetgeen voor duizenden Nederlanders maatschappelijk en financieel beschouwd hoogst jammerlijke gevolgen zal hebben. Desniettegenstaande deinst de regering er niet voor terug om ons volk nog zwaarder te gaan belasten, gelijk een groot deel er van al zo zwaar belast is geworden door een huurverhoging van maar eventjes 25 percent, waarvan de schatkist door een soort van gedwongen lening de helft ten goede komt. Terwijl het hierbij een open waag is of de bestedingsbeperking wel dat gunstige effect zal opleveren, dat de regering er zich van voorstelt. Dit wordt in steeds breder wordende kringen hoe langer hoe meer betwijfeld. De regering zelf heeft ook reeds aangekondigd, dat er nog meer ingrijpende bestedingsbeperkingen noodzakelijk dienen aangebracht te worden, wil men niet verzinken in een nog desolater en gevaarvoller situatie. Inderdaad, economisch en financieel bezien, is er alle reden tot veronti-usting. Geeft dit op zichzelf al redenen genoeg om de toekomst met grote bezorgdheid tegemoet te zien, er zijn nog zo vele redenen meer, welke daartoe een gerechtvaardigde aanleiding geven. Hoe groot is het zedelijke en religieuze verval onder ons volk! In welk een staat van verharding leeft het! Hoe diep is de geest der leugen onder ons volk doorgedi'ongen! In welk een zware slaap is het verzonken! Hoe treden de atheïsterij, ongeloof en bijgeloof een alleszins bedriegelijke en gevaarvolle eigenwiUige godsdienst openlijk aan het licht! Wat al godsdienst zonder God en christendom zonder Christus treft men er onder aan! Als wij daarop acht nemen, zou het ons passen met de profeet Jeremia te verzuchten: „Och, dat mijn hoofd water ware, en mijn oog een springader van tranen! zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen van de dochter mijns volks". En stellig betaamt het ons: „Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeren tot de Heere. Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in de hemel', zeggende: Wij hebben overtreden en wij zijn wederspannig geweest, daarom hebt Gij ons niet gespaard". Degene, die toch schuldig en ootmoedig tot de Heere wederkeert, is er immer het beste aan toe, maar anderzijds is het toch hoogst bedroevend, waar te nemen hoe het ten onzent nog steeds

festiviteit op festiviteit

is, alsook dat onze regering ons voUc daarin voorgaat. Zo konden wij in één onzer dagbladen lezen: Met veel feestelijkheid is op de avond van Vrijdag 14 Juni in de Scheveningse Kurzaal het tiende Holland Festival geopend. Verscheidene ministers en staatssecretarissen, leden van de hofhouding, vele ambassadetirs en gezanten VMI vreemde mogendheden, de gevolmachtigde ministers van 'Suriname en de Nederlandse Antillen, leden van de Raad van State en van de 'Staten-Generaal, de gemeentebesturen van Amsterdam en Den Haag, burgemeesters van andere plaatsen waar manifestaties gedurende het festival worden gehouden, leden van de rechterlijke macht en nog talrijke andere civiele en mihtaire autoriteiten, vulden, met hun dames, de met veel bloemen versierde Kurzaal. Ter gelegenheid van het tweede lustrum hield de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetencshappen, Mr. J. M. Cals, een hooggestemde rede, waarin hij de betekenis van het Holland Festival uiteenzette. De minister zeide van oordeel te zijn, dat het festival een stimulerende uitwerking heeft op de Nederlandse kunstinstellingen; dat bewezen is, dat er voor het vreemdelingenverkeer een wervende kracht van uitgaat; maar het dierbaarste aspect voor Mr. Cals bleek toch wel te zijn, dat het festivalj, dat zich aanvankelijk op Amsterdam en Den Haag concentreerde, een sterke spreiding heeft ondergaan, zodat er dit jaar zelfs in 18 gemeenten manifestaties zullen worden gehouden. Geen enkel festival in het buitenland bestrijkt zulk een ruim gebied, stelde Mr. Cals met voldoening vast. Tenslotte .sprak minister Cals de hoop uit, dat het Holland Festival inderdaad een feest zal zijn, ondanks de bestedingsbeperking. In de aanwezigheid van zijn ambtgenoot van Financiën, de heer Hofstra, meende minister Cals een bewijs te zien, dat, althans wat het festival betreft, de bestedingsbeperking hem niet al te zwaar drukt. Hoe zeer steekt 't gedrag van onze regering af bij dat van Ninevé's overheid! Waar de oproep tot bekering in de prediking van de profeet Jona, gedaan door de regering van de stad, beantwoord werd m.et een uitwendige bekering van de inwoners dezer stad! Het is immers aldaar geschied, dat de koning van zijn troon opstond, zijn heerlijk overkleed van zich deed en zich bedekte met een zak en nederzat in de as. De koning liet een

vasten uitroepen en men sprak te Ninev» op bevel des konings en zijner grotenlaat mens en beest met zakken l> ekleed zijn en sterk tot God roepen; en zij zul Isn zich bekeren een iegelijk van ziin boze weg. Doch het heeft er alles van weg, djt men van oordeel is, dat er in Nederland geen boze wegen meer bewandeld worden en dat ons volk geen bekering des harten meer van node heeft, ofschoon Christus' woord ook nu nog van volle kracht is, dat luidt: „Voorwaar, vooi. waar zeg Ik u: tenzij dat iemand wederomgeboren worde, hij kan het Koninkrijl; Gods niet ingaan", en Zijn woord ook nu nog niets van zijn waarde verloren heeft dat inheeft: „Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden". Doch worden deze uitspraken van Christus onze regering voorgehouden, dan wendt zij afkerig de oren af. Zo iets is te allen tijde boven alle bewoording en bevatting vreselijk, maar toch niet het minst in de donkere dagen, welke wij thans beleven. Het zijn toch donkere dagen, , welke wij thans beleven. Donker reeds als wij letten op de financiële noodtoestand, waarin de financiën des Rijks verkeren, hetgeen voor menige landgenoot bij het zo duur geworden levensonderhoud reeds zulke bittere gevolgen heeft en bij een voortschrijdende ontwaarding van onze munt nog zo vele bittere gevolgen kan hebben. De vraag: hoe kom ik met mijn gezin op een eerlijke wijze enigszins behoorlijk rond, kan iemand tot in de nacht toe met zorg ei\ vrees vervullen en hem het uitwendige levensgenot vergallen. Donker zijn onze dagen bovenal omdat een zo groot deel van ons volk tot de levenswijze der heidenen vervalt. Het getal dergenen, die met verachting van God en Zijn geboden gelijk de heidenen daarhenen leven, hetzij met of zonder christeHjke vlag, wordt met het jaar groter. Zo maken duizenden bij duizenden zichzelf rijp voor de dag des oordeels en der slachting. Zij zoeken hun vermaak en vertroosting in allerlei wereldse geneugten en festiviteiten. Doch het bedwelmen der zinnen is geen leniging der smarten, zelfs zijn al de festiviteiten van onze dagen niet bij machte om deze leniging te brengen. Het is al een eeuwenoude raad, wellce wereldse mensen geven, warmeer tegenheden iemand treffen of het leven hem om de één of andere reden donker wordt: zoek verstrooiing, begeef u naar schouwburgen, concerten, bals en feestelijke gelegenheden; doch met verstrooiing van zinnen bant men zelfs geen zorgen of bekomt men geen ware levensvreugde. Zelfs de uren van opwinding, welke sportwedstrijden, harddraverijen en wat meer van die aard en gading is, een mens al mogen kunnen bieden, zijn niet in staat hem de rechte vrede te schenken, zelfs niet om bij hem alle leed te verdrijven. Ook reeds uit dat oogpunt doet het zo jammerlijk aan als wij de regering de festivals zo hoog horen opvijzelen, en de haar van God geboden taak om ons volk aan te sporen om de paden der zondfe en des doods te verlaten en zicb voor God te verootmoedigen, zo zien verwaarlozen. Al haar rijke subsidies, ten behoeve van sport en spel geschonken, voeren daarenboven ons volk maar verder af van God en Zijn dienst en doen het maar steeds meer opgaan in de aarde en in de aardse begeerlijkheden. Hoe ook bezien, op velerlei gebied is thans bij ons volk een zekere noodtoestand waarneembaar, welke de regering denkt te kunnen opheffen, of althans aanmerkelijk te verzachten, door wettelijke maatregelen. ZuUc een wettelijke maatregel heeft zij genomen door ^a^ wetsvoorstellen inzake de huurverhoging bij de Kamer in te dienen en met behulp an het parlement tot uitvoering te bren- Wat zij daarmede gedaan heeft, is chter niet anders dan tal van onrechtjjigheden en onbillijkheden wettelijk . jjiictioneren. In de huurwetten is toch het onrecht gelegaliseerd, wettig gemaakt •„ zo verre, dat zij daardoor voor de Nederlandse wet een wettelijk aanzien heb- 1 "D gekregen. Gewis, daardoor zijn de huurwetten, welke op zichzelf beschouwd een wangedrocht zijn, tot wet verheven, waaraan elke Nederlander gehoorzaamheid heeft te betonen. Hierbij komt nog, dat deze wetten een speciaal socialistisch karakter vertonen, dewijl daarmede de staatsalmacht en staatsdwang op geen geringe wijze zijn gediend en op de door God aan de burgers toegekende rechten en vrijheden een danige inbreuk is gemaakt. Daarmede is immers het socialistische streven om alle woningen onder staatsvoogdij te plaatsen en tot staatseigendom te maken, belangrijk bevorderd. Wat bovendien heel de wetgeving en heel het regeringsbeleid van de naoor- Ifli'se ministeries zo karakteriseert, is, dat daarbij niet met God, Zijn Woord en Zijn wet te rade is gegaan — deze daarbij zelfs zo jammerlijk zijn miskend — maar de inzichten van de wereldwijzen daarbij zijn gevolgd. Dit geldt zowel ten opzichte van de binnenlandse als van de buitenlandse aangelegenheden. Dit betreft ook

De Benelux

Het comité van ministers van de Benelux heeft het ontwerpverdrag van de Economische Unie der drie landen — België, Luxemburg en Nederland — goedgekeurd, zodat verwacht wordt, dat over niet al te lange tijd tot de plechtige

ondertekening te Den Haag zal kunnen worden overgegaan. Het ligt niet in onze bedoeling om tot een nadere beschouwing er van thans over te gaan. Daar bestaat thans ook geen bijzondere aanleiding voor, te meer niet omdat alle bijzonderheden van het verdrag ons nog niet bekend zijn. Voordat het zo ver gekomen is, heeft het twaalf jaren moeten duren. Dit wijst er wel op, dat alles niet zö vlot verlopen is als menigeen bij de aanvang van de onderhandelingen verwacht had. Soms heeft het er zelfs alles van weg gehad, dat het met de totstandkoming van het verdrag op een volslagen mislukking zou uitlopen, terwijl het te ondertekenen verdrag minder ver gaat en minder ingrijpend is dan sommigen wel begeerd hebben en nog begeren. Ook staan velen er thans veel minder enthousiast tegenover dan zij er eertijds tegenover gestaan hebben, van oordeel als zij zijn, dat er voor de Beneluxlanden vrij grote risico's aanwezig zijn in de komende Euromarkt. De Euromarkt heeft volgens hen, vooral door de Franse deelneming, een sterk protectionistische inslag bekomen, met het daaraan verbonden gevaar, dat landen als België en Nederland in hun overzeese handel, welke omstreeks de helft uitmaakt van hun nationaal inkomen, worden geschaad. Zij geven wel toe, dat in de plaats daarvan naar alle waarschijnlijkheid een grotere Europese markt komt, maar zijn daarbij de mening toegedaan, dat op deze markt de sterkste positie wordt ingenomen door de West- Europese landen, welke beschikken over grote productie-eenheden. Wat Nederland betreft, vrezen niet weinigen, dat dewijl het aan de rand van de Euromarkt is gelegen, het gevaar loopt een provincie van West-Duitsland

of Frankrijk te worden. Deze personen zijn deswege van gevoelen, dat de Benelux meer als een vast aaneengesloten organisatie zal moeten optreden. Volgens hen moet het tot een meer nauwe en innige samenwerking komen, waarbij het gemeenschappelijke belang gediend zal moeten worden en waarbij de dubbele belastingen volledig behoren afgeschaft te zijn. Wat nu nog zo dikwerf plaats vindt, namelijk dat de landen langs elkander en meni'gwerf tegen elkander werken, moet volgens hen geheel tot het verleden behoren. Bovendien staan zij voor, dat er veel meer en regelmatig con­

tact zal moeten zijn tussen allerlei instanties zoals de Kamers van Koophandel en andere handelsorganisaties.

In één woord, zoals het er thans op allerlei terrein voorstaat, zijn de zo misleidende voorstellingen van zaken, zoals die ons volk in sommige propagandalectuur voor de Tweede Kamerverkiezingen ten vorigcn jare gegeven werden, door de feiten totaal weerlegd. Deze openbaren het ons, dat wij thans op allerlei gebied donkere dagen beleven, en dat wat van de hoge God afvalt, vast en zeker te eniger tijd moet vallen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1957

De Banier | 8 Pagina's

Misleidend

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 juni 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken