Bekijk het origineel

De Prinsjesdag

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Prinsjesdag

21 minuten leestijd

EERSTE KAMER

Ondanks het voor het bezoek op die dag minder gunstige weer, was de belangstelling van het publiek toch groot. Zowel in het gebouw van de Tweede Kamer en op het Binnenhof waren de daarvoor beschikbaar gestelde plaatsen, alsook elders, dicht bezet door belangstellenden, die Hare Majesteit met haar gevolg wilden gadeslaan op haar tocht in de gouden koets naar de Ridderzaal. De Koningin ging gekleed in een vorstelijk gewaad; een lichtgroene robe van met oude kant verwerkt fluweel, en een struisveren hoed met als ineenvloeiende kleuren, hetgeen Hare Majesteit bijzonder goed stond en sterk de aandacht trok van de toeschouwers, in het bijzonder van de vrouwelijke.

Tijdens de rijtoer door Den Haag, welke een paar uren na de opening van de zitting der Staten-IGeneraal plaats vond, droeg Hare Majesteit dezelfde robe met een stola van bont om de schouders. Haar verschijning verwekte een groot enthousiasme bij de duizenden Nederlanders, die zich al uren te voren hadden opgesteld langs de wegen, waarlangs de stoet zich bewoog. Dit enthousiasme werd vriendelijk door Hare Majesteit, Prins Bemhard en Prinses Marijke, die in de eerste landauer waren gezeten, en de Prinsessen Beatrix en Margriet in de tweede landauer, bean twooixl. Ruim een half uur lang baande de koninklijke stoet zich met moeite een weg door de dioht opeengedrongen massa's, waarbij de afzettingen werden doorbroken. Overal waar Hare Majesteit langs reed, werd zij begroet met hartelijke toejuichingen van het publiek, dat daarmede getuigenis gaf van zijn warme genegenheid voor het Huis van Oranje.

De Troonrede

De troonrede onderscheidt zich van andere troonreden in gunstige zin. Deze is daarin gelegen, dat zij zakelijker van aard is dan menige andere. Zij bevat minder dan andere staatsstukken van vroegere jaren weinigzeggende frases. Zij plaatst ons reeds in de aanvang voor de ernst van de financieel-economische toestand, waarin ons land thans verkeert, verklarende:

, , In onze nationale economie is het evenwicht verbroken. Terwijl de nationale welvaart en de werkgelegenheid op een hoog peil zijn gebleven, geven de vermindering van de de-viezenreserve en de ontwikkeling op de kapitaalmarkt reden tot ernstige bezorgdheid. Hierin komt tot uiting, dat de bestedingen aan consumptie, investeringen en overheidsuitgaven tezamen het nationale inkomen overtreffen. De genomen maatregelen hebben het beoogde doel nog niet bereikt. Ten dele omdat zij eerst geleidelijk hun werking kunnen doen gevoelen, anderdeels omdat blijkens de thans beschikbare gegevens dieper ingrijpen noodzakelijk is".

Ongetwijfeld heeft ons volk de tering niet naar de nering gezet, waar het boven zijn stand leefde door meer uit te geven dan verantwoord was. Doch de achtereenvolgende kabinetten hebben na de beëindiging van de bezetting in dit opzicht wel een bijzonder slecht voorbeeld 'gegeven. Deze hebben er toch in heel sterke mate aan medegewerkt, dat er van te hoge boom geleefd is geworden. Herhaaldelijk is onder meer door de Kamerleden van de S.G.P. er met nadruk op aangedrongen, dat de hoge staatsuitgaven verminderd zouden worden. Doch het was bij de ministeries steeds 'de stem des roependen in de woestijn. Nu wordt dan in de troonrede door de legering zelf erkend, dat het regeringsbeleid van de afgelopen jaren danig heeft gefaald. Heel jammer is het, dat deze verklaring pas thans gedaan is, dewijl toch betreffende het onverantwoorde beleid der ministeries reeds lang van te voren gezien kon worden, dat het daarmede te eniger tijd spaak moest lopen. In zekere zin wordt er nu in de troonrede een pleister op de wonde gelegd, waar de regering daarin verklaart:

„Ons volk kan zonder twijfel de gerezen moeilijkheden te boven komen. Het zal zich daartoe bewust moeten zijn van de ernst van de situatie en aan een reële beperking van de bestedingen moeten meewerken. Dit geldt zowel voor de consumptieve uitgaven van 'de bevolking als voor de uitgaven van het bedrijfsleven en de overheid. De regering harerzijds is vastbesloten zodanige maatregelen te treffen of te bevorderen, dat het evenwicht in de verhoudingen en het vertrouwen in de financiële en monetaire situatie worden hersteld".

In 'deze is het zeer te hopen, dat de regering het niet bij woorden zal laten, maar tot ingrijpende daden zal overgaan, en dat haar vertrouwen, dat ons volk zonder twijfel de gerezen moeilijkheden — welke van zeer ernstige aard zijn — te boven zal komen, niet beschaamd zal worden. Alsmede is het zeer te hopen, dat de regering harerzijds niet alleen vastbesloten is zodanige maatregelen te treffen of te bevorderen, dat het evenwicht in de verhoudingen en het vertrouwen in de financiële en monetaire situatie worden hersteld, maar deze ook treft. Van de bestedingsbeperkingen heeft zij estijds bij het invoeren er van als haar mening uitgesproken, dat daarmede de redding in de nood gebracht zou zijn; en ziet, nu moet zij erkennen, dat dit niet het geval is en er krachtiger en uitgebreider maatregelen nodig zijn om daartoe te komen. Waai-in deze maatregelen zullen bestaan, daarin worden wij tiians in het onzekere gelaten. Daarin drukt de troonrede zich al bijzonder vaag uit, waar zij gewaagt van een beperking van uitgaven op „vele" punten. Waar het kennelijk de bedoeling is veel van de werkelijke maatregelen eerst bekend te maken in de toelichting op de verschillende begrotingshoofdstukken, zal afwachten de boodschap zijn. Zo valt het thans niet te beoordelen, of de regeringsmaatregelen van voldoende aard zijn om de financiële noodtoestand op te heffen

Gemeenten en woningbou^Af

Voorts wordt in de troonrede gezegd: „Bovendien moet het Rijk in zijn financieel beleid rekening houden met de zeer grote moeilijkheden, die de gemeenten ondervinden bij de financiering ook van de meest dringende kapitaalsuitgaven. Daarom acht de regering het voor een gezonde en ongestoorde financiering van de woningbouw noodzakelijk, met ingang van het komende jaar weder over te gaan tot het verstrekken aan de gemeenten van voorschotten ten behoeve van de woningwetbouw, ten laste van 's Rijks kas. Onder de tegenwoordige omstandigheden kunnen de gemeenten de verantwoordelijkheid voor de financiering van deze bouw niet blijven dragen. Het Rijk zal er zich voorts ter wille van de gemeenten van moeten onthouden voor zijn eigen uitgaven een beroep te doen op de kapitaalmarkt. Het is om deze reden, dat de begroting zodanig is opgesteld, dat de financiering van de gehele dienst is gewaarborgd zonder dergelijk beroep. De strijd tegen de woningnood blijft nog steeds de meest dringende taak bij de voorziening in de behoeften van ons volk.

Mede dank zij de gunstige weersomstandigheden in het begin van het jaar zal in 1957 een groter aantal woningen gereed komen dan in enig voorgaand jaar het geval was. Verwacht mag worden, dat meer dan 80.000 woningen aan de woningvoorraad zullen worden toegevoegd. Het streven van de regering blijft, ook in het komende jaar, gericht op een — binnen het kader van de bestaande mogelijkheden — zo groot mogelijke woningbouw. Het is haar voornemen de financiering van 40.000 woningwetwoningen mogelijk te maken. Tot betere aanpassing van de rijkssteun aan de werkelijke behoeften en ter stimulering van de bouw van particuliere woningen met een redelijke huurprijs is een wijziging van de premie- en bijdrageregeling vwjningbouw 1953 tot stand gebracht. Verwacht wordt, dat mede dank zij deze maatregel met de bouw van 40.000 particuliere woningen zal worden aangevangen. Ten einde een begin te maken met de consolidatie van de hoog opgelopen vlottende schuld der gemeenten en van de schulden, die moeten worden aangegaan, in het bijzonder voor de nog in dit jaar ondernomen woningbouw, zal de regering haar medewerking verlenen aan een bitmenkort door de Bank voor Nederlandse Gemeenten tegen marktvoorwaarden uit te geven woningbouwlening.

Maatregelen zijn in overweging om het vrijwillig beschikbaar stellen van ruimte voor inwoning sterker aan te moedigen. De mogelijkheden tot het verlenen van een bijdrage in de kosten van noodzakelijke voorzieningen aan de woningen zullen worden verruimd".

Tot zovec het gedeelte van de troonrede, dat over de woningbouw en de gemeenten handelt. Daaraan moet nog toegevoegd worden, dat door de regering ter bevordering van de woningbouw en ter ontlasting van de financiën der gemeenten een post van ƒ 450 millioen aan de rijksuitgaven op de begroting is gebracht. Dat is niet alleen wenselijk geweest, maar ook noodzakehjk. Ware de toestand toch gebleven zoals hij is, dan zou het met de woningbouw totaal zijn vastgelopen. Tal van gemeenten zouden niet in staat zijn geweest om vanwege de reeds hoog geklommen schuld de vroningbouw verder te bekostigen. Het zou met de woningbouw op een katastrofe zijn uitgelopen.

Wat de binnenkort door de Bank voor Nederlandse Gemeenten tegen marktvoorwaarden uit te geven lening aangaat, waaraan de regering haar medewerking zal verlenen, daaromtrent wordt alleen verklaard, dat zij tegen marktvoorwaarden zal worden uitgegeven. Men wordt in het onzekere gelaten, of de regering alsdan zal toestaan, dat de rentestandaard verhoogd zal worden. Is dit niet het geval, dan zal het een hele dobber zijn om de lening voltekend te krijgen, tenzij de regering in staat zal zijn met eigen geldmiddelen — rechtstreeks uit de pensioenfondsen en andere fondsen, die te harer beschikking staan — de lening zelf te laten voltekenen. Ook overweegt de regeaing maatregelen om het vrijwillig beschikbaar stellen van woningruimte sterker aan te moedigen. Blijkbaar denkt de regering hier aan een tegemoetkoming aan degenen, die hun huizen geschikt maken voor dubbele bewoning. Men kan van deze maatregelen waarlijk geen grote verwachtingen hebben. Het zou echter wel wenselijk zijn indien de regering daarin slaagde, want duizenden zijn om een woning verlegen.

Verhoging van belastingen

„Ten einde haar financieel program te volvoeren — zo luidt de troonrede — acht de regering naast beperking van de overheidsuitgaven een tijdehjke verhoging nodig van de omzetbelasting op personenauto's en motorrijwielen, op televisietoestellen en op sigaretten. Bovendien zal de opschorting van de investeringsaftrek in 1958 moeten voortduren en zal een tijdelijke heffing van opcenten op de vermogensbelasting worden voorgesteld. Deze maatregelen leveren tevens een bijdrage tot beperking van de bestedin-

Het is derhalve de kant opgegaan, welke verwacht werd. Ingrijpende bezuinigingen zijn achterwege gebleven. Belastingverhoging ligt in het voornemen der regering. Terwijl voor 1957 het recordbedrag aan de belastingopbrengst op 7.2 miljard was geraamd, wordt voor 1958 een nog hoger record, dat van ƒ 8, 2 miljard geraamd. Hierbij zijn de posttarieven, welke opnieuw verhoogd staan te worden, buiten beschouwing gelaten.

Dat verlaging van belasting mogelijk is en veel beter op haar plaats zou "rijn dan verzwaring der belastingen, blijkt wel heel duidelijk uit het feit, dat ondanks de royale uitgavenpolitiek de gewone dienst in 1958, inclusief het nadelig saldo van het Landbouw-Egaüsatiefonds, een overschot oplevert van runn ƒ 600 miljoen. Het tekort wordt veroorzaakt door de kapitaaldienst. Hierbij komt nog, dat tal van uitgaven van 1957 een aflopend karakter droegen en dus aanmerkelijk lager voor 1958 konden bedragen. Voor het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds kon met ƒ 100 miljoen minder worden volstaan, de uitgaven voor herstel van oorlogs- en watersnoodschade daalden automatisch met ƒ 111 miljoen, de defensie-uitgaven konden met ƒ 96 miljoen verlaagd worden, posten van uitkeringen als Japans smartegeld, tegemoetkomingen aan oorlogsslachtoffers uit Indonesië en uitkeringen aan het Industrieel Garantiefonds, elk ten bedrage van omstreeks ƒ 30 miljoen, kwamen geheel te vervallen.

Op zichzelf genomen steekt het guntsig af, waar het uitgavenpeü niet is verhoogd, tegen het beleid van de vorige minister, van financiën, onder wiens beheer de staatsuitgaven in vier jaar tijds met 40 procent gestegen zijn; maar al is dit zo, dit neemt het feit niet weg, dat bij het ongewijzigd uitgavenpeil door het Rijk geen eigen bijdrage tot beperking van de bestedingen is geleverd. Wel is op de begroting een aantal kapitaaluitgaven ten laste van het Deltaplan, de wegenbouw en andere projecten naar de volgende jaren verschoven, doch dit is veelzeggend en valt ernstig te betreuren: de consumptieve en voor een groot deel improductieve staatsuitgaven zijn niet verminderd.

De regering heeft haar toevlucht genomen tot verhoging der belastingen, waarbij het menigeen is meegevallen, dat de inkomsten- en vennootschapsbelastingen niet zijn verhoogd. De verhoging van de belasting op televisietoestellen en op sigaretten zal allicht niet een sterk verzet in het parlement ontmoeten, doch die op auto's en motorrijwielen vermoedelijk wel; wat ook wel het geval zal zijn met de-opschorting van de investeringsaftrek in 1958 en met de tijdelijke heffing van de opcenten op de vermogensbelasting. Met dat al zien waj, dat de lasten weer verzwaard zullen worden en weer gelden van de particulieren naar de berooide schatkist van Vadertje Staat overgeheveld staan te worden. De belastingopbrengst wordt toch ƒ 880 miljoen hoger geraamd dan het vorige jaar.

De export, het loonpeil, prijsstabifiesatiepofitiek in de landbouw

Aangaande bovenstaande zegt de troonrede: onderwerpen „Verdere verhoging van de uitvoer vraagt bijzondere aandacht. Ter wille hiervan is het nodig te waken tegen het ongunstiger worden van onze concurrentiepositie op de internationale markt. Grote voorzichtigheid bij het nemen van maatregelen, die tot verhoging van de produktiekosten kunnen leiden, is geboden. Zolang de huidige toestand voortduiut, zullen bedrijfsleven en overheid zich ten aanzien van de ontwikkeling van het loonpeil de grootst mogelijke beperking moeten opleggen. Mede met het oog hierop moet de prijsstabüisatiepolitiek in overleg met het bedrijfsleven onverflauwd worden voortgezet. Het prijsbeleid en het mededingsbeleid zullen ook moeten bevorderen, dat de kostenverlagingen zo veel mogeHjk in de prijzen doorwerken. Het is dringend noodzakelijk de besparingen op te voeren onder inschakeling van zo breed mogelijke lagen der bevolking. Voorstellen ter bevordering van de bezitsvorming zullen u in het komende zittingsjaar bereiken. Voor de landbouvs^rodukten vertoont de ongunstige verhouding op de ^ve reldmarkt geen verbetering. 2ij zelfs van structurele aard te wor(jp Voortgebouwd zal worden op j grondslag, welke de regering het af J lopen jaar heeft gelegd. In dit ver. band zullen de vraagstukken van i totale omvang van de produktie en i verbetering van de bedrijfsstructuu, de bijzondere aandacht vragen." een In d ring rech Hing ting jv'au maa eigen

Er dient afgewacht te worden well. maatregelen de regering in deze zal men. Tot dusver hebben de regerings maatregelen er vaak aan medegewerkt dat het vertrouwen in de financiële monetaire situatie aanmerkelijk sloni doordat de waarden van onze munt i, gulden, steeds meer en meer daalde ft verhoging van de lonen is steeds Vj k Ie tro olstaa [ert g leldt, smsti een verhoging van de prijzen gevolgdBëbben welke veroorzaakte, dat het levensonder houd steeds duurder werd en voor ta van Nederlanders, ook voor degenen dii niet bepaaldelijk tot de zogenaamde ver geten groepen — voor deze wel in hel bijzonder — behoorden, het leven maatschappelijke werd. zin steeds bena En wat het sparen betreft — waar de re gering nu toe aanmaant en de drin: noodzakelijkheid er van in de troonredi erkent — heeft de regering wel een lerbedroevendst voorbeeld gegeven, waai zij de staatsuitgaven op een geheel oi\' verantwoorde wijze de hoogte heeft 'm gedreven. In deze geldt het wel sterk: Geneesmeester, genees uzelf.

Nederland behoort op internationaal gebied een sterke parti^er te zijn

Over de internationale verhoudingen verklaart de troonrede in haar aanvang: „Een zeer bewogen jaar ligt achter ons , De internationale spanningen duren onverminderd voort", en handelt zij vervolgens in een later deelte, na eerst over de samenwerl tussen Nederland, Suriname, de Nederlandse Antillen en Nederlands NieuW' Guinea gehandeld te hebben, waarow zij het navolgende zegt:

„De samenwerking tussen NederW Suriname en de Nederlandse Antillen in de geest van het statuut heeft i!( voortdurende aandacht der n Na ontvangst van een binnenkort tt verwachten advies van de commissif tot herziening van de staatsinricl van Nederlands Nieuw-Guinea, hoopt de regering aan de Staten-Generaal te kunnen aanbieden een ontwerp van wet tot partiële herziening van de bewindsregeling Nieuw-Guinea, dat eai ruimer inzicht zal bieden voor de ^ litieke ontwikkeling van dat gel

Daarna vervolgt de troonrede, handelenii over de internationale betrekkingen; „In de samenwerking tussen de vnf landen wordt een nieuw perspecl geopend door de ondertekening i verdragen betreffende een EuropeS Economische Gemeenschap en W Europese Gemeenschap voor energie, alsmede door de tussen regeringen der drie Beneluxlanden ii^ reikte overeenstemming over het verdrag inzake de economische unie. V bdiandeling van de drie samenhangej' de wetsontwerpen zal in de k zitting veel van uw aandacht Het levensbelang van de Noord-M tische Verdragsorganisatie voor vrije wereld blijft ook van ons jen redelijke defensie-uitgave eisen. In de Verenigde Naties zal de regefine haar steun verlenen aan elk oprecht streven naar politieke ontspanjinff, herstel van onercht en bevordering van de vrede. \auwere Europese samenwerking inaakt het ons te meer tot plicht in eigen land verhoudingen te scheppen, die Nederland in internationaal verband een goede en sterke partner doen zijn". m kunnen aangaande dit gedeelte van |e troonrede met een korte opmerking olstaan, daar het grotendeels reeds se- [jft geruime tijd bekende dingen verjeldt, waarover wij meermalen overeenjmstw het S.G.P.-beginsel onze mening lebben uitgesproken.

Het slot van de troonrede

ian het slot van de troonrede treffen rij de volgende passage aan: Ten einde de aandacht geconcentreerd te houden op de vraagstukken, die op het ogenblik centraal staan, spreek ik thans niet tot u over tal van andere onderwerpen, die nochtans in het komende zittingsjaar veel van uw werk­ kracht zullen vragen. Beperking op velerlei gebied, waarbij de regering er intussen naar streeft het essentiële te ontzien, mag niet het laatste woord zijn. Een positief gerichte inspanning, zowel ter vergroting van de nationale produktie als ter versterking van de geestelijke en maatschappelijke krachten, zal nieuvi^ en ruimere mogelijkheden moeten openen, lenigziende op hetgeen ons \'olk na de oorlog onder veel moeilijker omstandigheden heeft gepresteerd, vertrouw ik, dat het ook thans de zelfbeheersing en de kracht zal weten op te brengen, noodzakelijk voor herstel en voor nieuwe vooruitgang. Moge God u sterken bij de verantwoordelijke taak, waartoe gij weder zijt geroepen. Hiermede verklaar ik de gewone zitting der Staten-Generaal geopend".

De millioenennota

In de vergadering van de Tweede Kamer van Dinsdag 17 september heeft de minister van Financiën, de heer H. J. Hofstra, de zogenaamde millioenennota en het ontwerp rijksbegroting voor 1958 aangeboden. De begroting vertoont een totaal van uitgaven van 7, 978 miljoen gulden, waar­ bij de middelen worden geschat op 7, 538 miljoen gulden, zodat het nadelig saldo van de gehele dienst ƒ 440 miljoen gulden bedraagt. Er zullen echter nog ten laste van de begroting bepaalde uitgaven, onder meer voor mOitaire doeleinden komen, waarmede het nadelig saldo stijgt tot ƒ 745 miljoen. Maar door enige specifieke maatregelen — vermindering van het aandeel van het Rijk in de werkloosheidspremie en verhoging van enkele belastingen, verhoging van de omzetbelasting op sigaretten, automobielen en televisietoestellen, en verhoging van de vermogensbelasting en voortzetting van de schorsing van de investeringsaftrek — -en omdat niet alle begrotingsposten tot kasuitgaven in 1958 zullen leiden, kan het budgetaire kastekort worden teruggebracht tot 405 miljoen gulden. De regering meent, dat dit het maximaal geoorloofde is. Bij de opstelling van de begroting hebben de regering twee doeleinden voor ogen gestaan.

1. Met de meeste kracht de vraag naar goederen en diensten tot een evenwichtig peil terug te dringen en zodoende het monetaire evenwicht te herstellen. 2. De voortzetting van de woningbouw te verzekeren. Als middel daartoe is de financiering van de woningwetbouw voor rekening van het Rijk genomen. Op de begroting is een bedrag van 548 miljoen gulden opgenomen voor de verstrekking van woningbouwvoorschotten aan de gemeenten.

De, ernstige onevenwichtigheid, welke in 1956 in de financieel-economische situatie in ons land, na enkele jaren van redelijk evenwichtige economische omstandigheden, aan de dag is getreden en nog steeds voortduurt, geeft de minister van Financiën aanleiding in de slotbeschouwing van de Millioenennota de betekenis van de thans ingediende begroting tegen die achtergrond te bezien. Herstel van het evenwicht in onze economie ziet de regering als één van haar belangrijkste doelstellingen. Zo spoedig mogelijk moet een toestand van monetaire stabiliteit weer worden bereikt en gehandhaafd, ook ter verdediging van de koopkracht van onze munt.

Hierbij is het voorts niet voldoende alleen te streven naar de gewenste verhouding tussen totale middelen en totale bestedingen, er zal bovendien aandacht moeten worden geschonken aan de stucturele problemen, waarvoor ons land zich op la.ngere tennijn ziet gesteld, met name op het gebied van de bevolkingsaanwas, inhaal van het woningtekoit, productiviteitsvergroting en dergelijke, die hun eigen eisen stellen ten aan2aen van de verdeling van de onderscheidene bestedingscategorieën binnen het in to- taal toelaatbare geheel. Een hoog niveau van investeringen en dus ook van nationale besparingen is met andere woorden onontbeerlijk.

Aan deze woorden knoopt de minister vervolgens vast, dat hij op grond hiervan de conclusie gerechtigd acht, dat in vergelijking met 1957 een aanzienlijke verbetering van het begrotingsbeeld kon worden verkregen. Ook bij een vergelijking vae 'het absolute uitgavenpeil van 1958 met dat van 1957 moet, indien men ook hier de voorschotten voor de woningwetbouw wegens hun bijzonder karakter buiten beschouwing laat, een daling en wel met ƒ 523 miljoen worden geconstateerd. De minister acht dit resultaat van belang bij een beoordeling van de mate, waarin hetzij rechtstreeks door het rijk, hetzij door derden via het rijk een beroep wordt gedaan op de nationale middelen. Een nog sprekender teruggang blijkt — aldus de minister — bij een vergelijking van de bedragen voor 1957 en 1958 met het nationale inkomen.

De minister maakt vervolgens zijn inzichten omtrent de financiering van het budgetaire kastekort kenbaar. Inflatoire financiering is duidelijk in strijd met de eisen van de algemene economische situatie en een voortzetting van hetgeen te dien aanzien in 1956 en 1957 is geschied, dient dan ook te worden vermeden. Een voortgaande inflatie is in wezen een slapende en ongecontroleerde belastingheffing, die op den duur niet slechts de maatschappelijke structuur ontwricht, doch die ook de spaarzin ondermijnt en die veelal juist de economisch minst weerbaren het zwaarste treft. De regering zal er dan ook met vastberadenheid naar streven om, mede door haar financiële politiek, aan dit ernstige euvel een krachtig halt toe te roepen.

De regering meent — zo verklaart de minister van Financiën — dat door het leggen, via de begroting, van een gezonde financiële basis voor 1958 ook de voorwaarden worden geschapen om aan de moeilijkheden, die uit de recente ontwikkeling resulteren, met name op dat van de gemeentelijke financiën, het hoofd te bieden. Zij is er zich van bewust, dat in dït opzicht nog een zware taak voor ons ligt en dat nieuwe kapitaalsbehoeften van het komend jaar ons te dezen aanzien nog voor ernstige overgangsmoeilijkheden zullen stellen. Het eerst nodige is, dat nieuwe kapitaalbehoeften van de lagere publiekrechtelijke lichamen door tegen marktvoorwaarden af te sluiten lang lopende leningen kunnen worden gedekt. De regering zal bevorderen, dat deze mogelijkheid op korte termijn wordt heropend. Aannemende dat voorgestelde maatregelen ter nadere verbetering van de rijksbegroting worden aanvaard en bovendien de lagere overheid haar kapitaalbehoeften weet te beperken, lijkt het vertrouwen gewettigd, dat, nu de woningwetbouw door het rijk zal worden gefinancierd, het aanbod van nieuwe besparingen in de risicomijdende sector deze behoeften zal kunnen bevredigen. Daarnaast rijst het moeilijke probleem van de consolidatie van de exorbitant hoge vlottende schuld, vooral van de gemeenten. Onafwijsbare voorwaarde voor het oplossen van dit probleem is het herstel van het vertrouwen in de financiële stabiliteit van ons land, waartoe, 250als gezegd, de ingediende begroting een belangrijke bijdrage beoogt te geven.

Rijk aan goede bedoelingen, voornemens en vertrouwen

Het geheel van de troonrede en de millioenennota overziende, moet er van getuigd worden, dat zowel de trooiurede als de ministeriële beschouwing aangaande de millioenennota rijk aan goede bedoelingen, voornemens en vertrouwen is. Dit komt niet het minst uit in de woorden, waarmede de toelichting op de millioenennota besloten wordt. Daarin wordt gezegd:

„Het gaat bij het in het jaar 1958 te volgen financieel beleid dan ook om het herstel van het evenwicht tussen de nationale middelen en de bestedingen, om de verdediging van da gezondheid van ons geld en het vermijden van inflatie, om het financieren van de woningbouw, die moet worden voortgezet, bovenal". Met de minister van Financiën zijn wij het eens, dat, maatschappelijk beschouwd, het om belangrijke zaken gaat. Doch wij kunnen allerminst het vertrouwen der regering delen, dat haar voorgestelde maatregelen in deze de oplossing der problemen zullen brengen. Vervolgens wordt door de minister van Financiën verklaard:

, , Tot het bereiken van al deze (bovenvermelde) doeleinden is een gemeenschappelijke inspanning nodig van ons gehele volk, zo mede de bereidheid om de maatregelen te aanvaarden, die door de regering worden voorgesteld. Maar deze gemeenschappelijke inspanning en deze bereidheid, waarop de regering vertrouwt, worden niet zonder reden gevraagd. Zij kunnen de ernstige gevaren afwenden, waarmede het' verbreken van het evenwicht in onze nationale economie ons bedreigt. Herstel van het evenwicht betekent echter meer dan alleen het afwenden van actuele gevaren, die ons bedreigen. Herstel van het evenwicht kan en moet tevens het uitgangspimt zijn voor de verdere versterking van de materiële en geestelijke grondslagen van onze samenleving, waartoe het Nederlandse volk alleszins bekwaam en in staat is".

Even rijk als de inhoud van de door ons vermelde en besproken twee staatsstukken is aan goede bedoelingen, voornemens en uitgesproken vertrouwen, dat niet nagelaten heeft op velen indruk te maken, even arm en armzalig is zij in der waarheid, omdat bij het oplossen van de zo belangrijke vraagstukken het vertrouwen gesteld wordt in het beleid der regering en de bekwaamheid van het Nederlandse voDc, waarbij totaal geen acht en geloof geslagen is op en in het Woord des Heeren: , , Vertrouwt niet op prinsen, op des mensenkind, bij hetwelk geen heil is".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1957

De Banier | 8 Pagina's

De Prinsjesdag

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 september 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken