Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

: , '«x. Groens houding ten aanzien van het leerstuk der praedesHnatie nader toegelicht. r. Groen van Prinsterer heeft zich limmer geopenbaard als een tegenstanler van het leerstuk der praedestinatie ip zichzelf- aldus schreven wij de vorige laal als ons oordeel over Groens standiimt ten aanzien van dit leerstuk. De jitverkiezing was voor hem ongetwijfeld ie onwankelbare grond, waarop de kerk ies Heeren rust. Dit kan ook nog overiuidelijk blijken uit het Adres, dat de Kven Haagse Heren, onder wie Groen, in 1842 aan de Synode der Ned. Herv. fok toezonden. In dit Adres, waarbij lïij voorheen reeds meer in den brede tebben stilgestaan, werden ook de Fornuleren ter sprake gebracht. De adressanten verlangden dienaangaande een duidelijke en stellige verklaring, dat als leidraad van prediking en onderwijs zou ivorden erkend, wat de-Ned. Herv. Kerk allen tijde als wezen en hoofdzaak Ier Hervormde en christelijke leer had langemerkt. Onder de opgesomde oneranderlijke waai^heden nu werd door fc adressanten ook oenoemd: de eeuwio ; e verkiezing Gods, wat dus genoegaam bewijst, dat Groen dit leerstuk ïoorstond en geenszins vei-wierp. In 848 echter^ op de grote vergadering -1 het Odéon op het Singel te Amsteram, waarover wij ook reeds het één en nder geschreven hebben, werd een 'erklaring van Beginselen aangenomen, iVaarin het leerstuk der uitverkiezing et opzet zorgvuldig was buiten gehoulen. Mr. Groen van Prinsterer, die voorzitter 'Czer vergadering was, deelde dienaanjaandt mede, dat de gehele Commissie, «ïarin zitting hadden: ds. Heldring, ds. «Cretan, ds. van Toorenenbergen, en de ren Groen van Prinsterer, Capadose, ^ Costa en Mackay, met de Verklaring Bstemde, doch dat dr. Capadose, maar un ook deze alleen, de vermelding der Predestinatie er in had verlangd. De ^^'^rige leden achtten volgens Groen het '*rstuk der voorbeschikking genoeg­ zaam door het woord vrije genade aangewezen. De reden hiervan kwam zeer duidelijk aan het licht op de vraag van mr. van der Kemp (een nakomeling van ds. van tier Kemp, schrijver van de verklaring van de Heidelbergse Catechismus), wat de Commis.sie met de uitdrukking „kenmerkende waarheden" bedoelde. Hij wenste namelijk nader aangegeven te zien wat de Commissie als kerkleer beschouwde. Mr. van der Kemp werd in zijn vraag ondersteund door ds. Callenbach en de heer Vader en beantwoord door Groen. Deze merkte daarbij op.

dat het aangeraden en ondoenlijk was zich op dit terrein te begeven, omdat, indien men voorafgaande afdoening der Formulierkwestie verlangde, het oogmerk der bijeenkomst verviel en alle gemeen overleg en samenwerking der christenen in het kerkgenootschap in die dagen onmogelijk zou worden. Voorts zei Groen, dat men zich verenigd gevoelde in de aanneming der waarheden, die, zoals de ingeving der Heilige Schrift, de Drieëenheid, de rechtvaardiging door het geloof alleen, de onmisbaarheid der wedergeboorte en der heiligmaking^ in ieder tijdperk van waarachtig geloofsleven de banier der christelijke kerk geweest waren; dat echter diezelfde overeenstemming vooralsnog niet in allen dele gezien werd ten opzichte óf van het verbindend gezag der symbohsche schriften (de drie Formulieren van Enigheid), óf van de wijze, waarop de voordracht en ontwikkeling der praedestinatie daarin geschied is. Vervolgens merkte Groen op, dat naar het oordeel der Commissie, deze en dergelijke strijdvragen, met volkomen behoud van het wederzijdse standpunt, evenwel, wat de behoefte van het tegeniwoordig ogenblik aanging, terzijde konden en moesten gesteld worden. En verder, dat deze strijdvragen ter behandeling niet rijp waren en dat, als die behandeling desniettemin beproefd zou woi'den, het beter ware, de vergadering te laten uiteengaan, daar elke poging tot samenwerking, tot grote vreugde der tegenpartij, zou verijdeld worden, inüien men niet, met onderling vertrouwen, in de geloofsgemeenschap omtrent de waarheden, die nu het onderwerp der worsteling uitmaakten, berusten zou; indien men \'ergat, dat de kerk, na langdurige doodslaap, zich in een tijdperk van aanvankelijke herleving bevond; in-

dien men de apostolische les: „daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar dezelfde regel wandelen" niet met de eis der omstandigheden in verband wist te brengen; indien men, van alle kanten door het ongeloof omringd, geloofsgenoten, waar zij strijdgenoten begeerden te zijn, afwees, omdat zij, naar men oordeelde, niet in alle opzichten de hoogte der dogmatiek van 1618 hadden bereikt. Uit dit antwoord van mr. Groen van Prinsterer op de vraag van mr. van der Kemp, blijkt alzo onomstotelijk, dat Groen terwille van de samenwerking met degenen, die zich met het leerstuk der praedestinatie in meerdere of mindere mate niet konden verenigen, bereid was, om dit leerstuk op de achtergrond te houden. Hij was van oordeel, dat men in 1848, na een, in de grond der zaak, meer dan honderdjarige afval, niet de nauwgezetheid behoorde te verlangen, welke in 1619 met de ontwikkeling van het geloofsleven der gemeente overeenkwam. Op dit punt zullen ongetwijfeld velen onder ons Groen niet kunnen volgen, gelijk êi. ook in Groens dagen onder zijn intiemste vrienden waren, die gaarne gezien hadden, dat Groen te de­ zer zake de lijn strakker getrokken had. Om slechts één van deze vrienden te vermelden, zij gewezen op de meer genoemde heer Wonnser, die zeer veel met Groen gecorrespondeerd en ook persoonlijke omgang met hem gehad •heeft. Deze Wormser heeft Groen na 1848 meermalen getracht te bewegen de tegenpartij te nopen op kerkehjk terrein openlijk te kiezen tussen handhaving der belijdenis, gelijk zij ons van de vaderen is overgeleverd en een eerhjke wijziging of afschaffing er van. Groen wenste daartoe echter niet over te gaan. Hij gaf aan Wormser ten antwoord: „Ik blijf veel hecliten aan het standpunt der Verklaring van 18 augustus 1848". Groen is dan ook nimmer van dit door hem in 1848 ingenomen standpunt teruggekomen. Met andere uitlatingen, waarop wij in het vervolg nader hopen in te gaan, heeft deze houding van Groen er ongetwijfeld toe bijgedragen, dat menigeen hem voor een tegenstander van het leerstuk der praedestinatie is gaan houden, wat echter door andere uitspraken van hem, waarvan wij er enkele genoemd hebben en er in het vervolg nog wel een enkele zullen noemen, weersproken wordt. Desniettemin komt het ons voor, dat Groen al te zeer over het hoofd gezien heeft, dat er ook in de 19e eeuw, waarin hij leefde, alle reden voor was om het leerstuk der uitverkiezing uit te dragen, evenals dit in de 20e eeu\v nodig is. Het remonstrantisme is toch geenszins in de 17e eeuw uitgeroeid, maar is integendeel steeds sterker in de kerk doorgedrongen, zodat er ook na de 17e eeuw reden te over voor was en is om dit leerstuk onverzwakt te handhaven, gelijk onze oude gereformeerde vaderen het in de belijdenis zo kort en krachtig op grond van Gods Woord tegenover de remonstranten hebben verdedigd. Mannen als dr. Capadose en mr. van der Kemp wensten het leerstuk der uitverkiezing dan ook nadrukkelijk in de beginselverklaring van 1848 vermeld te zien, doch Groen was hiervoor om tactische redenen niet te vinden. (wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1957

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 oktober 1957

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken