Bekijk het origineel

Buitenlands OVERZICHT

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Buitenlands OVERZICHT

11 minuten leestijd

In het tweede boek der Koningen, hoofdstuk 1, staat ons een even indrukwekkende als leerzame geschiedenis beschreven. In dat hoofdstuk wordt ons vermeld, dat koning Ahazia door een tralie viel in zijn opperzaal, die te 'Samaria was, en krank werd. Doch het is helaas met zijn krankheid en ongeval gesteld gelijk dat met zo vele anderen gesteld is wanneer zij ziek te bed neerliggen of in het één of andere ernstige ongeval gekomen zijn. Hetgeen wij daarbij zo menigmaal te' aanschouwen krijgen, is dat ziekte, zelfs gevaarvolle ziekte, of tegenspoed, zelfs zware, niet bij machte is om het harde hart des mensen te verbrijzelen, opdat men zich tot de Heere ootmoedig wendt. Die toch de Enige is. Die in de dag der benauwdheid en der beproeving een gezegende uitkomst kan geven. Zo ging het ook met Ahazia in zijn krankheid. Hij zond boden en zeide tot hen: „Gaat henen, vraagt Baal-Zebub, de god van Ekron, of ik van deze krankheid genezen zal". Aan de wijsheid en voorzeggingen van de priesters van de god van 'Ekron sloeg hij geloof.

De god van Ekron leeft thans niet meer. Hij heeft in zijn eigenlijke bestaan afgedaan. Maar toch, hoe dikwerf wordt in onze donkere dagen hulp en raad gezocht bij de één of andere afgod! Elk mens heeft van nature zulk een pop, waarop hij zijn vertrouwen stelt en bij wie hij om raad gaat. Hoe bedroevend het ook is, in zijn ongeloof vervalt hij ook tevens in allerlei bijgeloof, dat hij het heil en de redding verwacht van menselijke wijsheid. Groot is toch het getal der mensen, die bij het één of andere stelsel van een filosoof zweren, een stelsel, dat in zijn verfijnde vorm toch, nauwkeurig beschouwd, niet anders is dan de lering van Baal-Zebub, de god van Ekron. Groot is evenzeer het getal van hen, die in het verrichten van deiigd en plicht en in het aanhangen van een eigenwillige godsdienst opgaan, hetgeen ook al niet anders is dan een raadplegen en vertrouwen stellen in de god van Ekron. En dit immer met een kwade uitslag! Zo was het ook al gesteld met Ahazia. De engel des Heeren sprak tot Elia, de Thisbiet: , , Maak u op, ga de boden des Iconings van Samaria tegemoet, en spreek tot hen: Is het omdat er geen God in Israël is, dat gijlieden heengaat om Baal- Zebub, de god van Ekron, te vragen? Daarom nu zegt de 'Heere alzo: Gij zult niet afkomen van dat feed, waarop gij geklommen zijt, maar gij zult de dood sterven".

Ach, ach, hoe ontstellend talrijk is de menigte van personen, die in noden en benauwdheden, in dagen van tegenspoed en bezoeking er zelfs nooit aan gedacht hebben bij de God Israels het heil en de uitkomst te zoeken; die inderdaad geen andere god in hun tegenslagen en rampspoeden kennen dan de sterfelijke en nietige mens, stof en aarde. Doch wee hen, al diegenen, welke het vertrouwen en de eer, welke alleen de Heere toekomt, op de afgoden stellen en aan de afgoden toebrengen. 'De Heere, Die jaloers is op Zijn eer en deze met niemand, zelfs Zijn volk niet, deelt, aanschouwt het niet onopgemerkt en ongestraft.

Het vertrouwen stellen in de afgoden, 'het afgodische verheerlijken van de mens en diens krachten, altijd gepaard gaande met schromelijke miskenning van de Heere en Diens geopenbaard Woord, wordt immer duur betaald. Dit valt niet alleen in de geschiedenis van koning Ahazia, maar in die van alle eeuwen, niet het minst in de onze, waar te nemen. Wat een onzalige onrust valt er hedsn ten dage op het rond der aarde onder de volkeren waar te nemen! Hoe hoog zijn de spanningen tussen hen, in zonderheid tussen de westelijke en de oostelijke mogendheden, geklommen! Welk een wrok en wrevel, zelfs bittere vijandschap bestaat er ook al tussen de burgers van één en hetzelfde land. Men denke hierbij aan Indonesië. Daar treft men thans twee regeringen aan, één op Sumatra en één te Djakarta, die scherp tegenover elkander gekant staan. Vanuit Djakarta is men zelfs met wapengeweld tegenover die van Padang opgetreden. Op Sumatra toch zijn op bevel van de regering te Djakarta bommen geworpen, waardoor de radiozender van Padang vernield werd en waardoor schrik en ontsteltenis onder de bevolking gebracht werden. Vele bewoners zijn aldaar uit de steden weggevlucht. Dit bombardement — zo werd door de regering op Sumatra verklaard — is allerminst geschikt om het bestaande konflikt tot een vreedzame oplossing te brengen. Zij heeft dan ook, vrezende dat door een militaire macht een aanval op Sumatra gedaan zal worden, daartegen maatregelen genomen. 'De legerleiding in Padang bereidde zich voor op een aanval van de torpedojager „Gadja Mada", welke voor Sumatra's westkust patrouilleert.

In Djakarta is dezer dagen een militaire oefening gehouden. 'Met stalen helmen en met volledig oorlogstenue uitgeruste militairen leverden straatgevechten om een vijandelijke aanval op de stad af te slaan. Opnieuw werden er te Djakarta handgranaten geworpen.

De minister-president Djoeanda zeide in het parlement: De grootste moeilijkheden worden thans veroorzaakt door de onrust in eigen kring en de onparlementaire oppositie, welke er op uit is om haar eisen, onafhankelijk van het Nieuw-Guinea-geschil, door te voeren., .De regering betreurt het alleen, dat de Nederlanders in staat zullen zijn te profiteren van de moeilijkheden, waarvoor Indonesië zich thans gesteld ziet. Het parlement heeft met 95 tegen 20 stemmen een resolutie aangenomen, waarin de regeringspolitiek betreffende Nieuw-Guinea is goedgekeurd, terwijl een motie van afkeuring, voorgesteld door een lid van de Masjoemi-partij, met 93 tegen 17 stemmen werd verworpen.

In diplomatieke kringen in Washington is men van oordeel, dat economische druk de regering van Djoeanda wellicht zal noodzaken een compromis aan te gaan met de tegenregering op Sumatra. Een gewelddadige strijd acht men niet waarschijnlijk, maar wel dat Soekamo, die thans veel tegen zich heeft en krijgt, zal moeten toestaan, dat Mohammed Hatta minister-president wordt. Dit zijn echter niet meer dan gissingen. Niemand kan toch met enige zekerheid zeggen hoe het verder in Indonesië zal verlopen, en ook niet of er geen gewelddadig optreden tegen Sumatra zal plaats vinden. Onze regering stelt in samenwerking met het Rode Kruis pogingen in het werk om de evakuatie te regelen van ongeveer 200 Nederlanders, die uit Midden-Sumatra wensen te vertrekken. Bij alle onzekerheid is dit wel zeker, dat de rust in Indonesië geheel zoek is, wat ook zo is in het midden-oosten. De unie van Egypte met Syrië en de verkie'zing van Nasser tot president daarvan is met een overweldigende meerderheid van stemmen door de burgers van beide landen goedgekeurd. Zo bestaan er dan in het midden-oosten twee nieuwe Arabische unies, namelijk de Verenigde Arabische Republiek, waartoe Egypte en Syrië zijn toegetreden, en de Arabische Statenbond, waartoe Jordanië en Irak behoren. Tevergeefs heeft de Statenbond tot dusver getracht ook Saoedie-Arabië bij de fcond als een derde lid te krijgen. Het is zelfs niet onmogelijk, afgaande op de berichten in de pers, dat er onder de één of andere benaming nog een derde Arabische unie of bond gevormd zal worden. Saoedie-Arabië moet daartoe pogingen aanwenden.

Veel goeds houden deze Arabische bewegingen voor - de staat Israël niet in. Om toch vooral blijk te geven van hun Arabische gezindheid, put zowel de Verenigde Arabische Republiek als de Arabische Statenbond zich in hun radio's en anderszins uit in dreigementen tegen de staat Israël. Dit zal wel mede de oorzaak zijn, dat Israels minister van buitenlandse zaken op het ogenblik een buitenlandse reis maakt, welke klaarblijkelijk ten doel heeft om vriendschapsbanden tussen baar land en enige andere staten te vestigen of te versterken.

Ook deze reis wijst er we) terdege op, dat het in het midden-oostsn nog immer gist en kookt en men daar nog heel ver verwijderd is van de wezenlijke vrede. Het is ook aldus gesteld ten aanzien van het Frans-Tunesische geschil. Ook ten opzichte daarvan is men nog geen stap nader tot het herstel van de vrede gekomen.

De Amerikaanse bemiddelaar Murphy heeft na drie dagen konfereren met de Tunesiërs dezer dagen de Franse vertegenwoordiger ontvangen om hem het Tunesische standpunt in het konflikt mede te delen. Afgaande op wat daaromtrent bekend is geworden, omdat het geschil in hoofdzaak de drie volgende punten. a. Het konflikt kan niet worden geregeld door dii-ekte Frans-Tunesische onderhandelingen over de technische problemen van hergroepering van de Franse troepen of grensbewaking.

b. Het principe van een algehele evakuatie van de Franse troepen moet aan de onderhandelingen voorafgaan. c. Bij de onderhandelingen zal gesproken moeten worden over de diepere oorzaak van het konflikt: de kwestie Algerije, die volgens president Bourguiba beter semigeinternationaliseerd kan worden binnen de westelijke Atlantische gemeenschap, dan dat zij wordt betrokken bij het konflikt tussen de westelijke en de oostelijke mogendheden.

'Het Tunesische standpunt werd door president Bourguiba nogmaals in een rede uiteengezet. Hij toonde zich er een besliste voorstander van, dat de Noord- Afrikaanse konflikten door de leden van het Noord-Atlantische pact behandeld worden, en was van oordeel, dat deze leden Frankrijk moesten verhinderen om Amerikaanse wapens tegen de Algerijnse opstandelingen te gebruiken. Ook achtte hij, dat de tijd voorbij was om de Tunesisch-Algerijnse grens door gemengde Frans-Tunesische patrouilles te doen bewaken, waarbij hij zich keerde tegen het Franse voorstel om langs de grens een ontvolkt niemandsland te vestigen. Tevens verwees hij naar het communiqué der Algerijnse nationalisten, waarin een' beroep gedaan wordt op hen, d'e goede diensten uitoefenen, om het Algerijnse probleem niet over het hoofd te zien, daar anders Noord-Afrika gedwongen zou worden elders hulp te zoeken. Volgens het nationale bevrijdingsfront dient, voordat het te laat is, door de westelijke mogendheden een nieuwe gemeenschap gevormd te worden, waarin Europa en Afrika als gelijkwaardigen samenwerken. In Tunis werd dezer dagen bekend ge­ maakt, dat 38 vooraanstaande personsj waren gearresteerd wegens de oppositie, welke zij tegen pfesident Bourguiba's pro-westelijke politiek voeren. Deze S8 personen zijn aanhangers van Salak b«n Yoessef, de leider van de linkervleugel der Tunesische nationalisten, die naar Kairo is uitgeweken en van daar uit een tegen president Bourguiba en zijn poli. tiek scherpe aktie voert. Wat de houding van de Franse regering betreft: deze blijft op haar ingenomen standpunt staan. Minister Pineau bevestigde dit nogmaals .voor de kommissie van buitenlandse zaken van het Franse parlement. Hij verklaarde bij deze gelegenheid, dat de Algerijnse kwestie volstrekt niet bij de kommissie van de goede diensten zou kunnen worden betrokken, en dat indien deze kommissie geen resultaat opleverde, deze aangelegenheid voor de Organisatie der Verenigde Naties zou moeten komen, waarbij Frankrijl alsdan alle konkrete maatregelen moesl nemen om zijn rechten te beschermen. Een Franse kontrole van de Tunesisclie vliegvelden oordeelde Pineau nodig, omdat de Algerijnse piloten in Egypte worden opgeleid. Verder sprak de minister als zijn oordeel uit, dat men van Engelse zijde meer begrip voor 'het Franse standpunt aan de dag legde dan van Amerikaanse. I

Met grote bezorgdheid en ook verontrusting wordt in Frankrijk echter de ont\\'il{keling van de oorlog in Algerije gevolgd. Daar is ook alle reden voor. Men is er in de laatste weken mee in kennis gekomen, dat de Algerijnse opstandelingen een gioot voorjaarsoffensief voorbereiden en dat de in het vorige jaar met zoveel ophef en kosten gebouwde Ligne-Morice, die gedeeltelijk zelfs geëlektrificeerd is, volkomen onvoldoende is gebleken om infiltraties van opstandelingen via de Tunesische grens te voorkomen. Bovendien blijken ook de opstandelingen in de buurt van Algiers en bij Oran veel talrijker te zijn dan men nog enkele maanden geleden wilde aannemen. Daarenboven geven de militaire autoriteiten thans openlijk toe, dat, terwijl de Fransen het vorige jaar tegenover lichte mitrailleurs en jachtgeweren stonden, zij thans met mortieren, bazooka's en andere zware wapens bestreden worden. Dat deze versterkte bewapening der opstandelingen mogelijk was, wordt vrij algemeen door de Fransen aan de medeplichtigheid van de Tunesiërs toegeschreven. Het bericlit, dat de Algerijnse piloten in Egypte worden opgeleid en dat een vreemd vliegtuig met twee Amerikanen, een Engelsman en esn Israëliër, waarin 292 bazooka's vervoerd werden, boven het Algerijnse gebied tot landing werd gedwongen, ver- ' sterkt nog de indruk, dat de opstandelingen thans op grote schaal allerlei wapens ontvangen. Hierbij komt nog, dat er lieel kort geleden in het oostelijk deel van de provincie Constantine een ware veld.slag heeft gewoed, waarbij meer dan hveehonderd opstandelingen het leven verloren en veertig Franse soldaten sneuvelden.

Het behoeft geen verwondering te wekken, dat zowel de toestand in Tunesië als het opvlammen van de strijd in Algerije de positie van het kabinet Gaillard aanmerkelijk verzwakt heeft, alsook dat de onrust onder de bevolking in Frankrijk in geen geringe mate is toegsnomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1958

De Banier | 8 Pagina's

Buitenlands OVERZICHT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 maart 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken