Bekijk het origineel

Gods huis gebouwd

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gods huis gebouwd

7 minuten leestijd

Tot Welke komende, als tot een levende Steen, van de mensen wel verworpen, maar hij God uitverkoren en dierbaar; Zo wordt gij ook zelf, als levende stenen, gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus. 1 Petrus 2:4, 5

De apostel Petrus tracht in zijn brieven de gelovigen in de verdrukking altijd weer te bewegen vast te staan in het geloof als de moeilijkheden des levens zich vennenigvuldigen. Houdt dan het Woord Gods vast, opdat gij niet bewogen wordt door de verleiding der zonde. Weest dan vooral navolgers van Christus, verwachtende de hoop der aanstaande heerlijkheid.

Lees slechts het tweede vers van het tweede hoofd-stuk: „En als nieuwgeboren kinderkens zijt zeer begerig naar de redelijke onvervalste melk, opdat gij door dezelve moogt opwassen". Het leven, dat God werkt, heeft voeding nodig. Als de mens geen behoefte heeft aan die voeding is hij dood, of het door God geschonken leven hgt onder de aslaag van onze zonden. Gevaarlijk is de toestand van de mens, die zijn armoede niet beseft en zijn ellende niet kent, maar „zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden". Als er leven is en behoefte aan voedsel, dan komt er groei, persoonlijk en gemeentelijk.

Daarover spreekt Petrus in 1 Petr. 2 : 4, 5: „Tot weDce komende als tot een levende steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar, zo wordt gij ook zelf als levende stenen gebouwd tot een geestelijk buis, tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus".

De geestelijke groei van de gemeente stelt Petrus voor onder het beeld van het oprijzen van een gebouw, dat op een vaste grondslag wordt opgetrokken, dat een kunstwerk is van hemelse schoonheid, waarin God de Kunstenaar en Bouwmeester heerlijk wordt gediend en waarin de bewoners genieten de volle vrede in de gunst van God. Petrus spreekt in een gelijkenis. Het is onmogelijk met natuurlijke voorbeelden de geestelijke werkelijkheid weer te geven. Al wat wij zien met onze ogen, en tasten Met onze handen, komt op uit het onzienlijke.

Zo ook hier. Wat wij van de kerk zien fp aarde, is een stuntelig beeld van het Wezen. Zij openbaart zich in aardse vormen. In de kerk woont nog de zonde. Maar in diezelfde kerk werken de God- . ielijke krachten, en zij zal eenmaal ge­ openbaard worden in de glans der Goddelijke schoonheid, waartoe God haar 'heeft uitverkoren. Nu zijn haar leden nog vreemdelingen op aarde. Het leven van de kerk is met Christus verborgen in God. Toch is dat leven er, het groeit op en krijgt zijn wasdom uit Christus, die het Leven is in Zichzelf en van Zijn kerk. Zo groeit de gemeente op als een monumentaal gebouw, schoon en majestueus, dat, als het voltooid zal zijn, zal blinken in eeuwige glans.

Doch uit welke grond, '.Tagen we nu, ontvangt de kerk haar groei? U hebt het antwoord reeds gelezen. De grond is Christus, Die Zelf het Leven is en het leven geeft. Petrus gebruikt het beeld van een gebouw, dat opgetrokken wordt op een vaste grondslag. „Tot welke komende ak tot een levende steen, van de mensen wel verworpen, maar bij God uitverkoren en dierbaar".

De dichter van Psalm 118 spreekt ook over die steen, bij gelegenheid der inwijding van de tweede tempel: „De steen, die de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden". De bouwlieden hadden geen acht geslagen op de steen, maar God beschikte het zo, dat zij die steen nodig hadden en legden tot een grondsteen, waarop heel 't prachtige tempelgebouw rustte. Hetzelfde beeld wordt meerdere malen in de Schrift aangehaald om aan te tonen, dat Christus het fundament is onzer hoop. Hij neemt in het fundament van het godsgebouw zulk een plaats in als de steen, die de hoek- of grondsteen van het gebouw inneemt. Vroeger gebruikte men voor de grondstenen van een groot gebouw zware gehakte blokken steen, opdat daarop het gebouw zou rusten. Maar sterker dan het grootste en hardste rotsblok in een fundament, is Christus, de Rots der eeuwen. Hij heeft in Zijn bloed een grondslag gelegd, die nimmer wankelt, noch bezwijkt. Hij heeft door Zijn verzoenend werk aan alle gerechtigheid voldaan, voor Zijn volk het leven en de vrede verworven, en is daardoor de grond der zaligheid geworden.

En die grond der zaligheid is daarom zo vast, omdat niet de mens die gelegd heeft, maar de Heere Zelf. Petrus zegt, dat hij „van de mensen wel verworpen is, maar bij God uitverkoren en dierbaar". De mensen hebben de weg der zaligheid niet uitgedacht. 22j konden «iet tot verlossing komen, want zij lagen onmachtig, blind en verloren in ihim zonde. Zij wjlden zich niet laten verlossen, omdat zij verblind en verdwaasd eigen wegen, die zouden leiden tot het geluk, kozen. Alle eeuwen door heeft de Hjdende mensheid gepoogd worstelend het geluk te veroveren. Door de wijsiheid zochten zij de gangen Gods na te speuren en de raadselen des levens op te lossen. Door boetedoeningen en offers trachtten zij de toom der goden te bevredigen en vrede te vinden voor het ontruste hart. Alle denkkracht en werkkracht werd ingespannen om zich op te heffen uit de noden des levens. Door deugd en goede werken zochten zij de zaligheid te verdienen. Zo bouwde de zwoegende mensheid aan het huis der hoop, maar het einde van alle pogingen was onrust en onvrede.

En toen het God behaagde Zijn Zoon te zenden als de Redder der wereld, is het ongelooflijkste geschied. In plaats van Hem met open armen te ontvangen en met Hem de wereld in te trekken om haar voor God te veroveren, heeft Zijn eigen volk Hem verworpen. De wereld kende Hem niet, lette niet op Hem en deed alsof Hij er niet was. Maar het volk der Joden, dat Hem wel kon kennen, omdat Hij was aangekondigd door het Woord van God, eiste onder de leiding der Farizeën en Schriftgeleerden, in naam van de wet en der vroomheid voor Hem de dood. In ongeloof en duivelse boosheid werd de Messias verwor­ pen, als een onwaardige uitgeworpen, als een misdadiger veroordeeld, als een gevloekte gekruisigd.

Toch ligt hierin het wonder der genade, dat God in Christus een welbehagen had. Bij God was Hij uitverkoren en dierbaar. Immers Christus was de enige en eeuwige Zoon des Vaders. Van eeuwigheid deelde Hij in de volle liefde des Vaders. En toen de Zoon uit liefde tot het reoht Gods Zich gaf om een verloren wereld terug te brengen tot God en een ellendig en söhuldig mensengeslacht te redden, was het oog des Vaders in liefde gericht op de Zoon, in Wie Hij Zijn welbehagen had, en gaf Hem de heerlijke belofte, dat Hij na volkomen overgave, op het volbrengen van Zijn Borgwerk, Middelaarsheerlijkheid en Middelaarsvreugde zou ontvangen voor Hemzelf en voor al de Zijnen. En nu wijdde de Vader Zijn Zoon ten dode, nu deed Hij Hem wegzinken in de oceaan van Zijn diepe gramschap, opdat Hij alle straf zou dragen, de bitterheid des doods zou uitdrinken en vrede zou maken door het bloed Zijns kruises. Doch aan de morgen van de derde dag kwam ook de Vader om het werk des Middelaars te keuren. En als bewijs van de volkomenheid der verlossing werd het graf geopend, werd de Middelaar verheerlijkt, geplaatst als Koning op de troon van Gods majesteit en mocht de jubel weerklinken: „De Steen, Die de bouwlieden verworpen hebben, is tot een Hoofd des hoeks geworden".

Scheveningen

J. C. v. Ravenswaaij

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1958

De Banier | 8 Pagina's

Gods huis gebouwd

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juli 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken