Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CLVI.

Groen in de „Nederlandse Gedachten" over de onrechtmatige daad der overheid t.a.v. Herv. Kerk.

Het is reeds enige tijd geleden, dat wij in deze reeks artikelen over het leven en het werk van mr. Groen van Prinsterer hebben stilgestaan bij een door hem uitgegeven serie geschriften onder de naam van „Nederlandse Gedachten". Het uitgeven hiervan heeft maar kort geduurd. In 1829 er mede begoimen, werd de uitgave reeds in 1832 gestaakt. Elk der eerste drie delen bevatten veertig nummers van het geschrift, het vierde deel werd reeds met het tweede nummer geëindigd. De reden hiervan lag volgens hemzelf in de algemene slaperigheid van de hogere kringen, voor wie hij voornamelijk schreef. Groen merkte dienaangaande op, dat e< r wel meer dan ooit behoefte was aan een krachtige wekstem, maar „er was geen luisterend oor meer". Hij klaagde over „doflieid en doofheid. De stikluoht van het terugkerende laodiceïsme had ook hem tot zwijgen gebracht". Men vond dat Groen zich aan overdrijving schuldig maalcte. Een vermoeden (n.I. van overdrijven), aldus Groen, waardoor de „Nederlandse Gedachten" in 1831 en daarna, naarmate de spanning met België ophield en hij tot meer stellige sympatisering van beginselen kwam, bij zeer velen in wie hij vroeger steun vond, in disorediet waren geraakt.

Eerst veel later, nadat hij van 1850— 1855 zijn blad „De Nederlander" had uitgegeven, begon hij opnieuw met het uitgeven van „Nederlandse Gedachten". Het was in augustus 1869. Nu duurde de uitgave langer, namelijk tot 29 aprü 1876, dus tot kort voor zijn dood op 19 mei van laatstgenoemd jaar. Deze „Nederlandse Gedachten" beslaan tezamen zes delen en handelen over zeer uiteenlopende onderwerpen. De hoofdstrekking er van bestaat in de strijd te­ gen het ongeloof en tegen de revolutie; in het getuigen tegen de geest der eeuw, tegen de overheersing van het ongeloof sedert de zegepraal der revolutionaire wanbegrippen in kerk en staat, in, maatschappij en huisgezin. Ook aan de buitenlandse politiek, vooral met betrekking tot de Frans-Duitse oorlog van 1870 wordt grote aandacht geschonken. Wij wensen ons thans slechts te bepalen tot wat Groen 'in deze „Nederlandse Gedachten" in zake de kerk heeft geschreven en wel inzonderheid bij wat zijn gemoed zo zeer vervulde, namelijk de onrechtmatige daad in 1816 door de regering onder koning Willem I begaan ten aanzien van de Ned. Herv Kerk. Reeds in het eerste deel zijn vele nummers van 'deze „Nederlandse Gedach-

ten" aan deze materie gewijd, waafbij hij meermalen herhaalt wat voorheen door hem werd opgemerkt. In no. 3 van 9 sept. 1869 gewaagt hij van de caesaropapistische organisatie der Gereformeerde Kerk, waarvan de opheffing verlangd behoort te worden, aangezien de vrijmaking van 1842 en 1852 volgens hem slechts een zogenaamde ivrijmaking was, niet anders' dan overlevering aan de Synode, orgaan der kerk, maar inderdaad creatuur (sobepsel) van het Gouvernement. In no. 9 van 23 okt. 1869 wordt door Groen opnieuw vrijmaking der Herv. Kerk bepleit. Hij schreef hierover woordelijk het volgende: „Het onrecht in zake kerkelijke goederen is verregaande; maar van vrij wat erger natuur is het onrecht, dat tegen de Hervormde Kerk, in haar levensbeginsel gepleegd wordt. Lang genoeg is de intrekking der orga-

nisatie van 1816 en 1852 te vergeefs gevraagd. Met dubbele ernst moet op het periculum in mora (gevaar van vertraging) worden gelet. . .. Het Gouvernement wil de kerk vrij maken. Maar welke kerk? De kerk in haar nieuwei-wetse synodale kerfcvorm, of de kerk op geschiedenis en belijdenis gegrond? Wat zal het Gouvememenit, als vrijgemaakte kerk, in bescherming nemen? Men weet, dat in 1816 aan de kerk een met haar beginselen lijnrecht strijdige kerkvorm werd opgedrongen, en dat daarin, tengevolge ener du'bbelziimigheid, tegen de meest stellige waarschuwingen aan, een leervrijheid ingevorderd is, die tot veel onrecht en verwarring geleid heeft. Nu acht ik, dat de regering moet trachten zich, van lieverlede, zoveel mogelijk, te-

genover die, tot dusver, gouvememenr tale kerk, in onzijdige toestand te stellen, ten einde in de heftige strijd, die bijkans onvermijdelijk schijnt en waaruit scheuring zou kunnen ontstaan, niet door een voortdurend legitimeren van een onrechtmatige toestand, genoodzaakt te worden partij te kiezen voor een richting, naar veler oordeel, vijandig aan de kerk. De gevolgen van het thans aMigenomen stelsel acht ik, voor Jiet vaderland en voor de kei^k, onberekenbaar. Groen voegde hieraan nog toe, dat, sedert hij in november 1863 deze wenk gaf, men — ofschoon de moderne richting zich van de kerkvorm schier meesteres maakte — weder zes jaren lang, onder het caesaropapistische juk van 1816 en 1852, even blind of gedwee was. Op 13 nov. 1869 verscheen in de „Nederlandse Gedachten" van Groens hand en stuk onder de titel: , , De Nederlande Hervormde Kerk", waarin hij anderaal er aan herinnert, dat in 1863 bij ernieuwing gelijk sedert lang vrijmaing der Hervomide Kerk, ook in de weede Kamer, werd begeerd en dat eze vrijmaking in de „Nederlandse Geachten" telkens op de voorgrond werd esteld. De vrijheid van 1852 noemde ij een voortzetting van de slavernij onder gewijzigde vorm. Daarom was nodig erbreking van het gouvemementale dwangjuk, waarin men, ten dienste van et ongeloof, de evangelische aspiration der gemeente versmoort. En Groen vervolgt dan aldus: „Verbreek het gouvernementale kerkgenootschap, in 1816 gesticht; de Heivormde kerkgemeenschap herrijst en ontplooit zich in historische vorm. Alsdan is het einde daar der taktiek, die zich van het reglementaire ter uitdrijving van het confessionele bedient, en aldus het wezen der kerk, door een inderdaad tragische oomediespel, aan haar vijanden prijs geeft. Met moed en beleid gevoerd, kan deze strijd der emancipatie leiden tot een sedert lang gewenste hereniging met de Afgescheidene gemeenten op historische grondslag.

Lang was dit de stem des roependen in de woestijn, zoals ds. Doimer zich uitdrukt.

Thans vindt zij weerklank. Bij hem zelf. In zijn niet ondubbelzinnige bede aan de christenen, in het kerkgenootschap".

Ds. Donner had namelijk in „De Wekstem" van 6 nov. 1869 gereageerd op Groens schrijven over „Vrijmaking der Hervormde Kefk" en zich daarbij gericht tot „de broeders in het Hervormd Kerkgenootschap, hen toebiddende, dat zij naar de trouwe stem van deze roepende (Groen) mochten horen, hem toeroepende: „Breek met de organisatie van 1816 (in 1852 onder andere naam bevestigd); maak u vrij en wij staan aan uw zijde; wij zijn één, van ons vlees en been zijt gij".

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1958

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 augustus 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken