Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CLXI.

Intrekking der Koninklijke Besluiten van 7 januari 1816 en 23 maart 1852 door ds. Zandt in 1928 in de Tweede Kamer bepleit.

De vorige maal hebben wij het eerste gedeelte gegeven van de rede, welke door ds. Zandt in december 1928 in de Tweede Kamer werd uitgesproken om in navolging van mr. Groen van Prinsterer bij de regering het herstel te bepleiten van het onrecht, dat in 1816 door de overheid de Nederlands Hervormde Kerk werd aangedaan door tegen het wezen dier kerk haar een synodale organisatie op te leggen. In dat eerste gedeelte wees ds. Zandt allereerst op het 'grote belang, dat genoemde kerk voor ons volksleven heeft gehad, hoe zij destijds het middelpunt en de kern van het Gemenebest was, waar de RepubMek uit de behjdenis der kerk geboren is. Vervolgens wijdde ds. Zandt aandacht aan het gruweHjke onrecht in 1816 gepleegd, zelfs tegen het advies van de Raad van State, alsook op de schuldige in deze, namehjk de overheid. Tevens herinnerde ds. Zandt aan de bittere vervolgingen, die daarvan het gevolg waren. Zo bitter, dat een bekend staatsman. Mr. Falck, zeide zich te schamen Nederlander te zijn. In het vervolg van zijn rede merkte ds. Zandt op, dat hij op dat aangedane leed, mogehjk niet zo sterk de nadruk zou hebben gelegd, ware het niet, dat in de Memorie van Antwoord van de regering te lezen stond: „Het onrecht, dat in 1816 aan de Nederduits Hervormde Kerk is aangedaan, schijnt de ondergetekende op dit ogenblik meer een historisch te konstrueren figuur, dan een praktisch gevoeld leed".

Ds. Zandt kwam tegen deze woorden van de minister met kracht op, zeggende dat het leed hier praktisch gevoeld is en nog praktisch gevoeld wordt, om hierna als volgt voort te gaan; „Nog op de huidige dag gevoelen duizenden in en buiten de Hervomde Kerk het onrecht, dat de organisatie van 1816 de Hervormde gezindheid aandeed als praktisch leed. Niet alleen leken, maar ook leraars ervaren gedurig de smartehjke druk van de reglementen van de onrechtmatig opgelegde organisatie. Het grote verval, waarin de kerk verkeert, vervult heden ten dage met bitter leed al diegenen, wie het heil van Sion waarlijk ter harte gaat. En al dat praktisch gevoelde leed is toch wat anders dan een historisch te konstrueren figuur. Al het

werkelijk 'bestaand, praktisch gevoeld leed is gevolg van het geweld der overheid, aan de kerke Gods gepleegd. Mijnheer de Voorzitter! De overheid legde de onnatuurhjke, het wezen der kerk krenkende synodale organisatie onwettig op. En nog drukt dat juk op de kerk. Het Koninklijk Besluit van 23 maart 1852 bracht hierin geen verandering. Welke wijzigingen er ook ia vervolg van tijd in dat reglement mogen gebracht zijn, zij 2djn er ingebracht door het toen van staatswege gevestigde hoger bestuur. Het slotartikel van het reglement bepaalt dan ook uitdrukkelijk, dat daarin geen verandering kan worden gebracht dan door de Synode. Met zulk een 'bepaling werd het synodaal juk 'bevestigd. Het onrecht, dat de overheid eenmaal aandeed, is nog nimmer hersteld.

De minister verklaart in zijn Memorie van Antwoord: „Herstel wordt dan ooik door die kerk niet gevraagd". Ik neem de vrijmoedigheid de minister nadrukkelijk te vragen: Wat verstaat Zijne Excellentie onder de kerk naar haar instituaire vorming? Verstaat hij daaronder de vorm of het wezen, de organisatie of de kerk zelf, zoals zij door haar formuheren van eenheid bepaald wordt? Mr. Groen van Prinsterer heeft herhaaldehjk verklaard, dat de kerk door 'haar belijdenis aangewezen werd. Van hem is todh het woord: niet de vrijzinnige ds. Zaalberg, maar ds. de Cock en allen, die de behjdenis der kerk onderschrijven, behoren tot de Hervormde gezindheid. Hij heeft toch herhaaldeHjk betoogd, dat allen, die van de aloude gereformeerde geaiidheid waren, een onvervreemdbaar recht op die kerk hadden. Zijne Excellentie zal Groen van

Prinsterer in deze tijd toch niet verloochenen? Juist hierover heeft Groen zich beklaagd, dat de overheid gedurig de organisatie 'boven de kerkleer, de drie formulieren van enigheid, voortrok. Bc herinner maar aan zijn woorden, te vinden in het „Recht der Hervormde Gezindheid". „Ik bepaal mij bij het hoofdpunt, dat men het ganse systema van het vorige bewind heeft overgenomen, dat men bij voortdxrring de vorm boven het wezen, de organisatie boven de kerkleer gesteld, bij voortduring door medewerking of Hjdelijkheid, de leer en het recht dter gezindheid aan de zucht ter verandering van het Hervormde Kerkgenootschap in een algemeen Protestantse Kerkgemeenschap heeft ten offer gebracht".

Zal Zijne Excellentie het voetspoor volgen van de ministeries, waarover Groen zich beklaagde? Hoe lang nog zal het onrecht gehandhaafd worden? Wanneer zal de Hervormde Kerfc weder uit haar gevangenschap der synodale organisatie worden verlost? Geheel het kerkelijke leven in ons vaderland zou er wel bij varen en aan de opbloei van de fcerfc is ten nau-wste het welzijn van geheel ons volk onafscheidehjk verbonden. Mijnheer de Voorzitter! Die oude Hervormde Kerk gaat ons zeer ter harte. Zij is eenmaal door Gods 'hand op onze vaderlandse bodem geplant. Die haar geweld aandoet, tast een inzetting Gods aan. Het is op deze gronden, dat ik bij de overheid er op aandrüi'g het begane onrecht te herstellen. Hier is wel opgemerkt, dat deze kerk reeds vrij is en zij zelf zich maar moet herzien. Maar tegen deze voorstelling kom ik nadrukkehjk op. Deze vooistelling van vrijheid is een valse leuze. De kerk is m'etterdaad niet vrij. Zij staat in deze zelfs bij de r.'k. kerk ten achter. De overheid heeft 'haar in de synodale gevangenis geworpen en dekt zich met de voorstelling alsof de kerk geen vrijheid zoekt. Eenmaal heeft de heer Kappeyne gezegd, dat de bestaande organisatie niet anders verdedigd kan worden dan met behulp van erbarmehjke sofismen. Ik deel dat gevoelen. Ik ben van mening, dat het gedaan onrecht dringend heistel nodig heeft. Herhaaldelijk is daarop ook in deze Kamer van verschillende kanten met klem aangedrongen.

Mijnheer de Voorzitter! Duizenden en duizenden, die recht op 'die kerk kimnen laten gelden, vragen naar de beginselen, 'die Groen van Prinsterer in deze zo helder heeft bepleit; herstel van onrecht. Uit htm naam vraag ik de minister de behulpzame hand te bieden^ om tot een restitutie in integrum (herstel in rechten) te geiaiken. Ik besluit met de nadrukkehjke vraag, die ik meen, dat de allerminste eis 'bevat, of de minister bereid is, om, in overleg met de minister van Justitie, Hare Majesteit de Koningin voor te stellen de Kontnldijke Besluiten van 7 januari 1816 en 23 maart 1852 op de organisatie in te treldcen".

Tot hiertoe de duidehjke en principiële rede van ds. Zandt. Het was te verwachten, dat daar bestrijding op los kwam. Hierover D.V. ih het vervolg.

(wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1958

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 1958

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken