Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CLXIII.

Mr. Groen van Prinsterer en het onderwijs.

Uit hetgeen voorafging heeft ieder zich er van kunnen overtuigen, dat de Kamerleden der S.G.P. zich wel degelijk met het kerkelijk vraagstuk hebben ingelaten en zich daarbij geheel hebben aangesloten bij wat door mr. Groen van Prinsterer te dezer zake jaren lang in en buiten de Tweede Kamer is bepleit. Wij zouden hierover nog meer bewijsstukken kunnen aanhalen, doch zullen dit niet doen, daar wij ons bij mr. Groen van Prinsterer's leven en arbeid moeten bepalen. Wij willen daarom nu van dit ondenverp afstappen en ons begeven op een ander terrein, waaraan de persoon van mr. Groen van Prinsterer ten allernauwste verbonden is. Wij hebben hierbij op het oog het vraagstuk van het onderwijs, dat in de vorige eeuw inderdaad een vraagstuk was, waarover heel wat te doen is geweest. Ministeries sajn er om gevallen; wat eens vrienden en geestverwanten waren, zijn er tegenstan-; ders en vijanden door geworden, gelijk i in het vervolg nader blijken zal. Voordat wij echter op dit vraagstuk, zoals het zich in de vorige eeuw tijdens het leven van Groen voordeed, ingaan, achten wij het wel van belang om eerst in korte trekken weer te geven hoe het voor die tijd met het onderwijs ia ons land gesteld was.

Daartoe zij er op gewezen, dat de hervormers en in navolging van hen onze oude gereformeerde vaderen van het grote belang van het onderwijs voor de jeugd ten volle doot-drongen waren. Bekend is in dit opzicht de uitspraak van Luther, welke luidt: „Zal de christenr heid tot haar kracht komen, zo moet men inderdaad met de kinderen aanvangen". Calvijn zag eveneens de noodzakelijkheid er van in de jeugd op de scholen in de christelijke godsdienst te doen onderwijzen. Door de invloed zijner geschriften werd dan ook niet alleen de kerk, maar ook de school van Rome's slaafse dienstbaarheid verlost, zodat kerk en school niet langer onderworpen waren aan menselijke inzettingen, maar aan Gods Woord. Het was dan ook in de eerste tijd der Hervonning en kort daarna vooral de kerk, die zich de zorg voor het onderwijzen der jeugd aantrok. Reeds op de Synode van Wezel, welke in 1568 plaats vond, vormde het onderwijs een belangrijk punt van bespreking en ook de Synoden, die daarna volgden, lieten er zich voortdurend mede in. Om dit nader te bewijzen, vestigen wij de aandacht op het besluit van de eerste Synode, weUce in het jaar 1574 te Dordrecht werd gehouden, wat het volgende inhield:

„Dewijl dat tot de dienst der kerk en politiën goede scholen groteUjks van node zijn en hiertegen kwade scholen grotelijks schaden, zo zullen de kerkdienaars van alle klassen vooreerst zorg dragen, op welke plaatsen scholen en schoolmeesters behoren te wezen; ten andere, of deze schoolmeesters der plaatsen, daar men van handelt, voortijds een verordende of bestelde beloning gegeven is; ten derde zullen zij van de overheid begeren, dat het hun geoorloofd zij, een schoolmeester te stellen en dat de overheid bevele, dat onderhoud te betalen, hetwelk eertijds placht betaald te worden; ten laatste zullen zij zorgen, dat de schoolmeesters de belijdenis des geloofs onderschrijven en zich der discipline onderwerpen; ook mede de katechismus en andere dingen, die der jeugd nuttig te zijn, te leren".

Ook volgende Synoden, zoals die van 1578 te Dordrecht, van 1581 te Middelburg van 1586 en 1591 te 's-Gravenhage gehouden, schonken volle aandacht aan het onderwijs. Hierin werd de kerk krachtig gesteund door de overheid. Met name prins Willem I en Willem Lodewijk, maar ook de Staten der onderscheidene provinciën hadden een open oog voor het geven van deugdelijk onderwijs op gereformeerde grondslag. Men zorgde er voor, dat de schoolmeesters voldoende jaarwedden werden toegekend en ook dat zij aan bepaalde eisen voldeden.

Vooral aan het onderwijs in de Katechismus werd grote zorg besteed en dit alles met het doel, zoab in een oorspronkelijk stuk uit die tijd wordt vermeld, „om de kinderen in de vreze des Heeren en goede manieren allenthalven binnen en buiten de scholen, te onderhouden en dat ze der ouders, magistraten en allen eerhjken luiden behoorlijk eer en respect bewijzen, dewijl daar zeer veel aan gelegen is, dat de jonge jeugd in de ware godzaligheid, gehoorzaamheid en andere christelijke deugden van jongs af geoefend en wel gestileerd worden". Het onderwijs was in die tijd alzo een onderwerp van voortdurende zorg der overheid, doch zo, dat kerk en ouders daarbij zeer nauw betrokken waren.

Ook de roemruchte Dordtse Synode van 1618—1619 heeft zich met het onderwijs ingelaten, vooral in haar zeventiende zitting, welke aan het schoolwezen gewijd was. Deze Synode ging eveneens uit van het standpunt, dat bij de opvoeding der jeugd zowel de ouders en de kerk als de school en de staat betrokken behoren te zijn. Van de schoolmeesters werd vereist, dat zij „lidmaten waren der gereformeerde kerk en versierd met getuigenis van een oprecht geloof en vroom leven en in de leer der Katechismus wel geoefend". Met hun handtekening moesten zij voorts verklaren, „dat zij de Konfessie en de Nederlandse Katechismus onderschreven en heiliglijk beloofden, dat zij de hun toebetrouwde jeugd in de fundamenten der christelijke religie naarstig zouden onderwijzen".

In de 177ste zitting werd door deze Synode besloten aan de Staten-Generaal te verzoeken, dat zij aangaande de lagere scholen bevelen zouden een algemene schoolorde, we zouden nu zeggen: een onderwijswet, te beramen en te arresteren (vaststellen) om de bestaande gebreken in de scholen te verbeteren en zoveel mogelijk eenparigheid in het onderwijzen der jeugd te bevorderen.

De Dordtse Synode van 1618-1619 heeft alzo ten behoeve van het onderwijs voortreffelijk - werk gedaan. Het is alleen zeer jammer, dat de door deze Synode vastgestelde regelen, die men de „christelijke grondwet der opvoeding" heeft genoemd, niet algemeen dus over het gehele gebied der Republiek werden uitgevoerd, wat zijn oorzaak vond in het ontbreken van een algemene organisatie van het schoolwezen onder een bestuur, dat met de uitvoering belast was. De nadelige gevolgen hiervan deden zich te sterker gevoelen naarmate de ijver der kerk ten opzichte van het ondenwjs allengs ging verflauwen. Zodoende kreeg men de toestand, dat in sommige plaatsen nog wel de hand werd gehouden aan de bepalingen der Synode, in andere plaatsen echter niet. Er was dus geen eenheid meer üi de uitvoering, wat mede veroorzaakt werd door de gebrekkige staatsregeling. In de 18e eeuw vooral nam het verval op godsdienstig gebied sterk toe, wat niet naliet op het onderwijs grote invloed uit te oefenen. Ook mr. Groen van Prinsterer heeft hierop gewezen, doch hierover D.V. in het vervolg.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1959

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1959

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken