Bekijk het origineel

De begroting van ’t Zuiderzeefonds

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De begroting van ’t Zuiderzeefonds

6 minuten leestijd

Rede van Ir. van Dis

Na de begroting van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid kwam de begroting van het Zuiderzeefonds aan de orde. Deze begroting moest door de nieuwe minister van Verkeer en Waterstaat, mr. van Aartsen, die minister Algera is opgevolgd, verdedigd worden. Uiteraard kon van deze minister niet verwacht worden, dat hij op alle hem gestelde vragen een afdoend, antwoord zou geven, daar hij nog maar zeer kort in funktie is en zich dus nog moet inwerken.

Eén dor belangrijkste kwesties, welke onder zijn aandacht werden gebracht, betrof wel die van de afvloeiing der IJs.selmeervissers. Enkele jaren geleden reeds werd over deze kwestie door een speciale kommissie een rapport aan de regering uitgebracht, waarin richtlijnen voor de afvloeiing der IJsselmeervissers gegeven werden, maar tevergeefs werd door de hierbij betrokken vissers op een bevredigende regeling van de zijde der regering gewacht. Nu eens had de regering deze uitvlucht voor haar talmen dan weer een ander.

Zo werd thans in de memorie van antwoord medegedeeld, dat er een andere wijze van verdere inpoldering overwogen wordt, , waardoor het niet uitgesloten moet worden geacht, dat er andere maatstaven tot gelding zullen moeten worden gebracht dan vs^aarvan in het bovengenoemde rapport is uitgegaan. Het is te begrijpen, dat deze mededeling bij de Kamer niet in goede aarde viel. Het is toch wel zeer aanvechtbaar om te stellen, dat er verband bestaat tussen de verdere inpoldering en de afvloeiingsregeling. Naar de mening van verscheidene Kamerleden is toch deze regeling onafhankelijk van de verdere inpoldering. Of er nu nog weinig of veel ingepolderd wordt, aan een afvloeiingsregeling valt niet te ontkomen. Reeds in o 1949 werd dit erkend, wat wel blijkt uit het instellen der kommissie, die destijds met het onderzoeken dezer kwestie door de regering werd belast. Toen al was men er dus van overtuigd, dat de gedupeerde vissers door middel van een afvloeüngsregeling geholpen moesten worden. Dan gaat het echter niet aan om de afvloeiingsregeling nu weer te laten afhangen van de wijze van verdei-e inpoldering.

Deze zinsnede uit de memorie van antwoord had dan ook geen geringe verontrusting en zeMs ontstemming bij onderscheidene Kamerleden teweegge­ bracht.

Namens de fraktie der S.G.P. werd die ongerustheid tot uiting gebracht door de heer van Dis, die bij de behandeling dezer begi-oting het woord voerde.

Ir. van Dis sprak als volgt: Mijnheer de Voorzitter! Gaarne sluiten wij ons aan bij de woorden van welkom, welke door de mij voorafgaande sprekers tot de minister zijn gericht.

Overgaande tot de bespreking van de begroting van het Zuiderzeefonds, vvdllen wij ons bepalen tot het onderwerp, dat bij de eerste afdeling betreffende de Zuiderzeesteunwet te berde wordt gebracht, namelijk de afvloeiingsregeling ten behoeve van de IJsselmeervissers. Over deze regeling is in deze Kamer al heel veel gesproken, niet alleen bij de behandeling van de begroting van het Zuiderzeefonds, maar ook bij die van Landbouw, Visserij en Voedselvoorzie-ning. Nog zeer onlangs is dit gedaan, toen de afdeling Visserij van laatstgenoemde begroting in behandeling was, waarbij de Kamer een motie heeft aangenomen, waarin zij, gezien het feit, dat de in aanmerking komende IJsselmeervissers, die sinds 1950 met spanning op een afvloeiingsregeling wachten, daarop recht hebben, de regering uitnodigde zulk een regeling spoedig tot stand te brengen en de Kamer daarvan m kennis te stellen. Het is zeer goed te begrijpen. Mijnheer de Voorzitter, dat de nieuwe minister van Verkeer en Waterstaat, waar hij nog zo heel kort deel uitmaakt van het Kabinet, op de hem in het voorlopig verslag gestelde vraag, of de minister kan mededelen of de definitieve regeling voor de IJsselmeervissers op grondslag van het rapport van de Kommissie Beperking Visvergunningen van 1955 thans spoedig tegemoet kan worden gezien, in de memorie van antwoord geantwoord heeft, dat hij zich hierover in verbinding zal stellen met zijn ambtgenoot van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening.

Wanneer het bij dit antwoord gebleven was. Mijnheer de Voorzitter, zouden wij — mede in aanmerking nemend wat door de minister van Landbouw over deze aangelegenheid onlangs in de Kamer is gezegd — het nadere overleg met de minister van Landbouw, dat de minister heeft toegezegd, met enige hoop op een spoedig tot stand komen van de door de IJsselmeervissers zo lang verwachte en zo sterk verlangde afvloeiingsregeling tegemoet kunhen zien. De minister heeft het echter niet bij die enkele mededeling gelaten.

In de memorie van antwoord merkt hij namelijk nog meer op, en wel dit, dat het zeer wel mogelijk is, dat de volgorde van de voorgenomen inpolderingen gewijzigd zal worden. Indien 'dit zou gebeuren, zou er volgens de minister een geheel andere situatie ontstaan dan voorzien was in het rapport van de Kommissie Beperking Visvergunningen van 1955, waarbij er van was uitgegaan, dat het zuidelijke deel van het IJsselmeer omstreeks 1960/'62 van het overige deel zou worden gescheiden.

Deze mededeling van de minister heeft ons niet weinig verontnjst. De konsekwentie toch van de aangekondigde mogelijke wijziging in de volgorde der voorgenomen inpolderingen zal volgens de minister zijn, dat het niet uitgesloten' is, dat er andere maatstaven zullen moeten worden aangegeven, waardoor opnieuw stagnatie zou ontstaan en de hierbij betrokken IJsselmeervissei-s nog weer langer zullen moeten wachten, voordat zij weten, waaraan zij toe zijn.

Wij kunnen voor deze gang van zaken geen bewondering hebben. De Minister kan hiervan vanzelfsprekend geen verwijt worden gemaakt, daar hij deze zaak heeft moeten overnemen zoals zij was, maar wij zouden er toch wel ten sterkste bij hem op willen aandringen te willen bevorderen, dat de verlangde afvloeiingsregeling er spoedig komt. Er is nu al zo lang op gewacht en de ontevredenheid over het lange uitblijven van een behoorHjke regeling is reeds zo groot, dat langer uitstel zeer ongewenst en ook onbillijk is. Te meer is deze gang van zaken te betreuren, als wij da kwestie der afvloeiingsregeling zien in het kader van wat de IJsselmeervissers voorheen reeds hebben moeten ondervinden en meemaken. Er is hun indertijd toegezegd, dat aan het grootse \\'erk van de afsluiting der Zuiderzee geen vlek of smet mocht kleven. De uitvoering van deze plechtige belofte heeft echter voor menigeen bittere teleurstelling gebracht. Bij vroegere gelegenheden hebben wij hierover reeds zoveel gezegd, dat wij er thans niet nader op zullen ingaan. Wel echter wensen wij te verklaren, dat het met het oog op de vroeger gedane toezegging zeer gewenst ware geweest, wanneer de regering er voor zorg had gedragen, dat althans het sluitstuk zonder vlek of smet zou zijn geweest. Tot op heden is dit echter helaas niet het geval. Wij bepleiten daarom bij de minister, dat hij alles in het werk zal stellen om te dezen met zijn ambtgenoot van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening, die ook nog niet zo lang deel uitmaakt van het Kabinet, alsnog spoedig een-bevredigende afvloeiingsregeling ten behoeve van de IJsselmeervissers, die biervoor in aanmerking komen, tot stand te brengen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1959

De Banier | 8 Pagina's

De begroting van ’t Zuiderzeefonds

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 januari 1959

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken