Bekijk het origineel

Voor Oud en Jong

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Oud en Jong

6 minuten leestijd

CLxvn.

Wijziging der onder Onderwijswet van 1801 in 1803 en 1806. Christendom boven geloofsverdeeldheid.

De schoolwet van 1801, die, zoals wij de vorige maal opmerkten, de voorschriften inzake het onderwijs van de Dordtse Synode van 1618/1619 en de ordonnantiën op het onderwijs, welke door de onderscheidene Staten der Provinciën uitgevaardigd waren, krachteloos maakte, werd reeds in 1803 gewijzigd. De voornaamste wijziging was wel, dat de onderscheiding tussen openbare en bijzondere scholen werd weggenomen, zodat iedereen verplicht was voor zijn kinderen van het openbaar onderwijs gebruik te maken. Een onderwijs dus, waarbij de gereformeerde belijdenis contrabande was en waarin het christendom feitelijk verloochend werd. Deze wet was echter van korte duur. Na drie jaar, in 1806, onderging de schoolwet andermaal een wijziging onder de Raadspensionaris Rutger Jan Schimmelpenninck.

De wet van 1806 onderscheidde zich in zover gunstig van die van 1803, dat zij het oprichten van bijzondere scholen weer vrij liet, al moedigde zij dit allerminst aan. Het beginsel waarvan zij uitging was echter al even droevig als dat van de wetten van 1801 en 1803. Zo bepaalde artikel 22 van deze wet onder meer, dat het schoolonderwijs moest dienen om de verstandelijke vermogens der kinderen te ontwikkelen en zij zelf opgeleid worden tot alle maatschappelijke en christelijke deugden.

Voorts bepaalde artikel 23 dezer wet, dat de onderwijzers geen onderwijs mochten geven in het leerstellige. De geest, die deze wet ademde, kwam alzo geheel overeen met die van de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Van de noodzakehjkheid der wedergeboorte werd daarbij met geen woord gerept. Die werd niet nodig geacht. De mens was immers goed geboren, daarom kon volstaan worden met die goede kiem tot verdere ontwikkeling te brengen. De kinderen moesten geleerd - worden hun vijanden lief te hebben, kwaad met goed te vergelden, het welzijn te zoeken van hen, die ons vervolgen, om ze alzo door het beoefenen aan duidelijke deugden pasklaar te maken voor het toekomende leven.

Het opleiden tot maatschappelijke en t christelijke deugden moest volgens de ; voorstanders van dit systeem dienen i voor het verkrijgen van een christendom - • boven geloofsverdeeldheid, waarmede ; bedoeld werd een christendom, dat de \ Griek geen dwaasheid en de Jood geen ergernis was.

Dat er op onderscheidene openbare scholen in die tijd toch nog wel gebeden werd en psalmen werden gezongen, was dan ook alleen daaraan te danken, dat ons volk nog niet geheel met de geopenbaarde waarheden van Gods Woord had gebroken, voorts aan het feit, dat het schooltoezicht destijds nog aan een vrij groot aantal predikanten was toevertrouwd en ook daaraan, dat verscheidene onderwijzers gebnu'k maakten van bepalingen, welke het hun mogelijk maakten om de kinderen toch uit Gods Woord te onderwijzen. Zo bepaalde artikel 6 der Algemene Schooierde van 23 mei 1806 het volgende: „De schooltijd zal, hetzij wekelijks, hetzij dagelijks met een kort en gepast ohristehjk gebed, op een eerbiedige wijze ingericht, geopend en gesloten worden en er zal bij dezelfde gelegenheden ook iets toepassehjks mogen gezongen worden".

Dat de scholen kort na 1806 in godsdienstig opzicht nog zo betrekkelijk goed waren, vloeide dus niet uit de wet zelf voort, maar was enkel en alleen een gevolg van de zoeven genoemde faktoren.

Dat Rome met de Onderwijswet van 1806 ingenomen was, laat zich denken.

De scheiding der school van de kerk was haar zeer 'welkom, omdat de openbare school daardoor haar uitsluitend gereformeerd karakter had verloren, zodat er geen onderwijs in de Heidelbergse Katechismus en ook geen ander gereformeerd schoolonderwijs meer gegeven mocht worden. Toen Rome na enige tijd echter bemerkte, dat het schooltoezicht grotendeels aan hervormde predikanten was toevertrouwd, zinde dit haar niet, daar zij vreesde, dat het protestantisme daardoor bevorderd zou worden. Het is dan ook zeer waarschijnlijk, dat er in 1808 op aandringen van Rome een dekreet werd uitgevaardigd, waarin bepaald werd, dat de predikanten en geestelijken der onderscheidene gezindheden voortaan niet meer zouden benoemd worden tot leden der kommissies over het openbaar onderwijs.

Nadat koning Lodewijk afstand van de regering had gedaan en ons land bij Frankrijk werd ingelijfd, werd bij de­ kreet van 22 oktober 1811 bepaald, dat de wet van 1806 van kracht zou blijven, alleen de Franse taal kwam er nu als verplicht leervak bij. Ook na de afwerping van het Franse juk bleef de wet van 1806 bij een Besluit van 4 december 1813 rechtskracht behouden, wat in 1814 door koning Willem I nader bekrachtigd werd.

De wet van 1806 bleef lange tijd gelden en werd zelfs in 1815, toen Noord-Nederland met België verenigd werd, ook in België van toepassing verklaard. In België viel dit echter allesbehalve in goede aarde, zo zelfs, dat daar al spoedig een schoolstrijd ontbrandde. Het overwegend rooms-katholieke België kon zich niet verenigen met een school, waarop voor de roomse Katechismus en de roomse leer geen plaats was. Deze strijd werd ingezet onder de leuze van: „Vrijheid van onderwijs".

De toenmalige regering wilde aan het verlangen van de rooms-katholieken in België niet tegemoetkomen. Zij hield krampachtig vast aan de schoolwet van 1806 en aan het beginsel der zogenaamde verdraagzaamheid, waarbij de school neutraal terrein behoorde te zijn. Geheel overeenkomstig dit beginsel verklaarde een schoolopziener in 1827 dan ook eens, dat het in de school niet mocht blijken, welke godsdienst de onderwijzer beleed. Een andere schoolopziener ging zelfs zo ver van te verklaren, dat de kinderen uit de mond van hun onderwijzer zelfs niet mochten horen, dat God bestaat!

Zo werd de openbare of staatsschool meer en meer ontkerstend. De naam van de Heere Jezus als Zoon Gods mocht er niet worden genoemd, omdat de Joden zich daaraan zouden ergeren en over Luther en Calvijn mocht nauwelijks gerept worden, omdat dit de rooms-katholieken ergernis kon geven.

schillende hierbij betrokken waterschappen bijna waardeloos zijn.

Mijnheer de Voorzitter! Dan zou ik nog een enkel woord willen spreken - Ik zal niet veel tijd van de Kamer meer in beslag nemen - over de veiligheid van het verkeer.

Het is toch noodzakelijk, dat de veiligheid van het verkeer meer wordt bevorderd dan op het ogenblik wordt gedaan. Er dient naar mijn mening met gestrengheid te worden opgetreden tegen hen, die het verkeer onveilig maken, vooral als zij onder de invloed van alkohol zijn. Men dient aan hun praktijken zonder pardon een einde te maken, want men durft zioh tegenwoordig bijna niet meer op de weg te wagen, omdat men geen zekerheid heeft en niet weet, wat er kan gebeuren. Behalve degenen, die onder de invloed van alkohol zijn, zullen er ook wel anderen zijn, die roekeloos rijden. Ik geloof, dat de overheid hieir een taak heeft om wakend op te treden. Hier ligt ook een taak voor de overheid in de handhaving van Gods wet, al is het dan een andere tafel dan de wet des Heeren, waarop ik zoeven wees.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1959

De Banier | 8 Pagina's

Voor Oud en Jong

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 februari 1959

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken