Bekijk het origineel

Algemene beschouwingen over de Rijksbegroting voor het jaar 1960 (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Algemene beschouwingen over de Rijksbegroting voor het jaar 1960 (2)

9 minuten leestijd

laten varen en althans, hetgeen sommige gewetensbezwaarden verlanjgen,

een spaarregeling te hunnen behoeve in te stellen, gelijk deze ook bestaat bij de bedrijfspensioenfondsen.

Mijnheer de Voorzitter! In het kort samengevat, komen wij er met alle nadruk tegen op, dat men personen met dwang en allerlei dwangmiddelen kontributies en bijdragen afperst om ze te betalen voor instellingen, waarom zij nooit gevraagd hebben, waar zij geen nut in zien en waartegen zij allerlei bezwaren, soms zelfs principiëele bezwaren hebben. In naam van de vrijheid en krachtens het beginsel der vrijheid vragen wij dan ook terugkeer tot die vrijheid, welke er eeuwen aaneen in ons land in het bedrijfslaven tot grote tevredenheid en tot nut bestaan heeft.

Mijnheer de Voorzitter! Vóórdat wij overgaan tot bespreking van het allergrootste bezwaar, dat vdj tegen het beleid van de regering hebben, wensen wij eerst nog kortelijk, gelet op de ons kort toegemeten spreektijd, iets te bespreken over de buitenlandse politiek. Het is bekend, dat wij tegen het wetsvoorstel betreffende de Euromarkt, de Europese Ekonomische Gemeensohap, gesproken en gestemd hebben. Wij hebben onze gegronde bezwaren daartegen uiteengezet, Avaaraan weinig of geen aandacht is geschonken, omdat men in de Kamer met de regering er zeer grote verwachtingen van had, maar nu verklaart onze minister van Buitenlandse Zaken Mr. Luns in de toelichting op zijn begroting: „De ontwikkeling van de verhouding van E.E.G. met de buitenwereld en vooral met de overige Europese landen is niet zo bevredigend geweest als de regering had gehoopt ten tijde van de ondertekening van het verdrag".

En iets verder verklaart hij in zijn toelichting: „De regering hoopt in dit plan van de zeven landen tot een vrijhandelsassociatie een ernstige en belangrijke poging te mogen begroeten om uit de impasse te geraken, waarin de onderhandelingen over de Europese Ekonomische Associatie sedert 1958 verkeren".

Mijnheer de Voorzitter! Het is zeer te vrezen, dat het hierbij weer even ontstellend droevig en slecht verlopen zal als bij de Indische kwestie toen het woord „hoop" in de officiële redevoeringen en bescheiden der regering ook gedurig voorkwam. Zij voer toen met ijdele hoop als stuurman aan het roer. Gelet op de houding, die West-Duitsland en vooral Frankrijk nog steeds aannemen, bestaat er gegronde reden, dat de regering ook thans weer met ijdele hoop als stuurman aan boord vaart.

Het verdrag van Rome, waarbij de Euromarkt wettelijke sanktie, ook in ons land, verkregen heeft, is vanwege zijn protektionistisch karakter wel te veroordelen van Frankrijk, dat daarin nog geen enkele verandering aangebracht wil zien, maar ten nadele van Nederland, dat met vrijhandelsverkeer, met 'Vrije navigatie en negotie, zoals het door onze vaderen werd uitgedrukt, niet aUeen uiterst gediend is, maar naar de mens gesproken voor zijn maatschappelijke welvaart deze ook beslist van node heeft. Bovendien heeft de Euromarkt tegen, dat zij het grote gevaar oplevert, dat Europa instede van verenigd te worden, nog^eer verdeeld wordt in twee kampen, namehjk dat van de Euromarkt en dat van de vrijhandelszone. Werd het destijds wel zo voorgesteld bij de aanneming van het verdrag van Rome in ons parlement en daarbuiten, dat wij Staatkundig Gereformeerden tegen elk verdrag met eeni buiterdandse mogendheid krachtens ouderwetse begrippen gekant zijn, zo was het echter niet, want om gegronde redenen waren wij er tegen. In werkelijkheid zijn wij op een goede verstandhouding met andere volken zeer gesteld. Wij hebben ook geen bezwaar om zelfs een bondgenootschap met een ander rijk aae te gaan, gehjk dat ook het geval was met onze voorouders. Daarvan legt het feit, dat wij ons nooit gekant hebben tegen het lidmaatschap van het Noord-Atlantische Pakt als dienende ter beveiliging en verdediging van ons land, een sprekend bevwjs af. Wel hebben wij er zeer ernstige bezwaren tegen, dat ten koste van het intemationahsme, waarin verreweg de meeste Kamerleden tot de antirevolutionairen en christelijk-historisohen toe, zulk een groot heil zien, dat-zij daaraan zelfs een heel deel van onze soevereiniteit willen opofferen. Onze weerzin daartegen is ook al verklaard door een soort van ziekte, als zouden wij aan een kwaal lijden van ouderwetse waanbegrippen. Het is echter wel heel merkwaardig, dat een hooggeplaatst pei-soon, die men daarvan allerminst kan verdenken, nie^ mand minder dan de voormalige staatssekretaris van Buitenlandse Zaken, de heer van der Beugel, kortgeleden te Hengelo heeft gezegd, dat het niet die dromerijen nu maar eens voorgoed uit moest zijn. Hij rechtvaardigde ons daarmede, want vidj hebben deze aangelegenheid nooit anders beschouwd dan als een dweepzieke dromerij, als een illusie, waarbij niet de minste rekening werd gehouden met de feiten en de historie.

Hierbij komt dan nog, hetgeen deze zaak nog zoveel te erger maaikt, dat men hierbij geheel voorbij zag de God onzer vaderen, die ons eenmaal zo beweldadigd heeft, dat ons land een gouden eeuw heeft beleefd en dat het, zo klein en schaars bevoUct als het was, toen aan de spits der volken, heeft gestaan.

Mijnheer de Voorzitter! Mede de openlijke miskeiming van God en Zijn geopenbaard Woord heeft bij ons de vaste overtuiging gewekt, dat de Volkenbond als een tweed© toren van Babel in het puin temeer zou storten en is de oorzaak, waar het met de Organisatie der Verenigde Naties aangaande die miskenning al even droef gesteld is, dat wij van haar ook niet het minste heü verwachten, want God laat Zlich niet bespotten. Trouw^ens, als viedesinstituut heeft zij na de korte jaren van haar bestaan reeds afgedaan, en wie wil weten, wat deze organisatie en haar te veroordelen karakter verder is, die leze maar eens na het artikel, dat de heer de Kadt destijds over haar heeft geschreven. Nog altijd betreuren wij het, dat er aan dit Instituut zoveel miljoenen guldens, die tot miljarden zijn aangegroeid, zijn besteed, gelden, die heel wat nuttiger ten behoeve van ons volk en tot leniiging vae zijn noden besteed hadden kunnen worden. De toekomst, althans de naaste toekomst, geeft ons echter geen hoop, dat deze heilloze geldsmijterij zal ophouden, want niet alleen de regering, maar ook het parlement, hebbenhun liefde verpand aan.dit Instituut. Het laat zich aanzien, dat er nog heel wat zwaardere en ernstiger verliezen door ons land zullen moeten worden geleden dan het verHes van Indië — dat wij voor een groot deel aan de Organisatie van de Verenigde Naties te wijten hebben — wil er in de regering en in het parlement met betrekking tot dit beleid enige wijziging komen. Mijnheer de Voorzitter! Komende tot de bespreking van het geesteUjk peil, kunnen wij niet anders dan konkluderen, dat het verval onder ons volk in dit opzicht ontstellend groot is en tevens nog toeneemt. Knoeierij, verduistering, oplichting, bedriegerij, falsifikatie, diefstal heeft in ons land bij wijze van spreken dag aan dag aan de lopende band plaats. Het is hierbij zelfs zo ver gekomen, dat het iets bijzonders is, als er een 'krant uitkomt, waarin niets van die aaxd te lezen staat. De kriminaliteit is zeer sterk toegenomen en die onder de jeugd is zelfs in korte tijd tweemaal zo groot geworden. Het optreden van de zogenaamde nozems spreekt alleen reeds boekdelen. Het leven van de naaste wordt bij velen niet meer geteld, getuige het zo roekeloos rijden op wegen, dat de veiügheid van het verkeer ernstig gevaar loopt, zo zelfs, dat velen het met de dood moeten bekopen en anderen zwaar gewond worden. Echtscheiding, welke eertijds als een schande beschouwd werd, wordt thans ndet meer als zodanig gezien en is aan de orde van de dag. Moord, zelfs om kleine bedragen, tot lustmoord toe, heeft plaats. Aanranding van jonge meisjes en vrouwen komt ook veeKoildig voor. In steden en dorpen breekt men steeds meer openlijk met God en alle godsdienst en neemt de ontkerstening van ons volk hand over hand toe. Zo zouden ^v^ wel kunnen doorgaan met de opsomminig van gevallen, waaruit het grote verval van ons volk blijkt, maar waartoe hieraan nog meer woorden te besteden, nu de feiten zuUc een overtuigende taal spreken?

Mijnheer de Voorzitter! Het grote verval onder ons volk wordt van welke kant ook beschouwd, hoe langer hoe meer zichtbaar voor elkeen. Wij stellen nadrukkelijk vast, dat de regering daaivoor ndet alleen aansprakehjk kan worden gesteld, maar wij zeggen toch met vrijmoedigheid en naar waarheid, dat haar wetgeving en maatregelen het verval sterk in de hand werken en hebben bevorderd. Als de regering op de ingeslagen weg blijft voori: gaan, dan zal dit alles nog toenemen. Dit geschiedt ongetwijfeld, ak de Loterijwet in de thans door de regering voorgestelde vorm wordt aangenomen. Met ontsteltenis hebben wij er kennis van genomen, dat de regering voornemens is binnenkort de Loterijwet zodanig te wijzigen, dat ons volk meer gelegenheid zal worden geboden te gokken dan het thans heeft. Daarbij zijn de ministers van antirevolutionaire huize overstag gegaan. Deze ministers hebben in 1956 bij hun toetreding tot het toenmalige kabinet nog de eis gesteld en ingewilligd gekregen, dat geen wijziging in de Loterijwet zou plaatsvinden, zoals thans wordt voorgesteld. In de krüigen van de antirevolutionairen en van anderen gold in vroeger jaren als vaststaand: Loterij en spel brengen menigeen naar de hel, maar het schijnt wel, dat dat niet meer 20 is. Nu wordt het woord van Kain opgevolgd: „Ben ik mijns broeders hoeder? "

Ik - bemerk, dat mijn spreektijd bijna ten einde is. Ik zou gaarne nog ettehjke zaken, zoals de eerbiediging van de dag des Heeren en andere principiële onderwerpen betreffende het regeringsbeleid hebben behandeld, maar ik moet daarvan nu wel afzien met het oog op de mij toegemeten tijd. Ik zie mij gedrongen daarop in mijn repliek nader in te gaan. Ik besluit deze rede om met nadruk bij de regering aan te bevelen, dat zij haar beleid naar den Woorde Gods zal richten en ons volk daarin zal voorgaan en er toe zal aansporen, dat het zich voor God verootmoedigt en de paden van de zonde zal verlaten, opdat ons volk niet verder wegzinkt in materialisme en stofvergoding, waartoe het regerinigsbeleid aanleiding geeft door zich alleen met tijdelijke en stoffelijke aangelegenheden in te laten in haar wetgeving en nooit met de eeuwige belangen, die zij verwaarloost, wat vierkant inloopt tegen wat de Heilige Schrift leert en ook tegen wat de o^ide christelijke kerk en die der reformatie op grond daarvan hebben Seleerd.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1959

De Banier | 8 Pagina's

Algemene beschouwingen over de Rijksbegroting voor het jaar 1960 (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1959

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken