Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

7 minuten leestijd

III.

En een zekere vrouw, die twaalf jaren de vloed des Moeds gehad had.... Markus 5 : 25-34

In haar onderzoek door Jezus.

„Wie heeft Mijn klederen aangeraakt? " Ziedaar de vraag door Jezus gesteld, waardoor de vrouw openbaar zal moeten komen.

Jezus gaat Zijn eigen werk onderzoeken. Dat werk kan onderzoek leiden!

Ons werk niet. Dat stelt teleur, eeuiwig teleur. Maar Gods werk nooit. Dat houdt stand, ook voor Gods aldoorzoekend oog. Tientallen mensen hadden Jezus aangeraakt, maar niemand zoals deze vrouw. De discipelen zelfs niet eens.

Nog zijn er duizenden, die Jezus aanraken, maar die aanraking is niet door het geloof. 'Het is óf slechts krachtens traditie, óf slechts door tijd-of wondergeloof. Bekoring was de vonk, die even ontvlamde, maar spoedig weer doofde. Of tijdens ziekte of andere omstandigheden had men de Heere nodig, en toen was hot weer gebeurd.

Er veranderde iets aan de buitenkant, maar van binnen bleef alles eender.

Droevig, inderdaad!

„Wie heeft (Mij aangeraakt? " U? En wat was het gevolg? Niet meer buiten Jezus leven? Zonder 'Hem alles dor en dood?

De discipelen weten er wel antwoord op. Ach ja, natuurlijk, dat is toch een vraag, die eigenlijk onbegrijpelijk is. Zie, de schare verdringt U, en hoe vraagt Gij: Wie heeft Mijn klederen aangeraakt? "

De discipelen spraken eens weer voor hun beurt. Ze meenden het eens weer beter te weten dan Jezus. En daarom 'berispten ze Hean. Zij meenden het wel te weten.

Arme dwdzen! Zij wisten niets van Jezus' macht en trekkende üefde ten op-23chte van deze arme vrouw. Zij wisten niet dat zij in haar nood tot Hem de toevlucht had genomen. 'En daarom deze vermaning tot Jezus.

Zo is het nog vaak bij ons. We denken het ibeter te weten dan de Heere. De Heere de weg en de wet voorschrijven. Zo moet het en niet anders! Arme en goddeloze dwazen, die we zijn.

Gelukkig, de Heere gaat er niet eens op in. Stel voor dat dit gebeurde, wat moest er van terechtkomen? De Heere zwijgt tegenover de discipelen. Hij keirrt ze geen antwoord waardig. Hij 2^vijgt tegenover de dwaasheid van Zijn discipelen in liefde. Ze durven Hem berispen en Hij verwijt ze niet eens wegens hun dwaasheid en onwetendheid.

Zie hier het geduld en de liefde van Jezus tegenover Zijn kinderen.

O, welk een diepte van ontferming blijkt ook hier weer. 'Iedere stap van Jezus was openbaring, tentoonspreiding van deze hefde. Wat zal het Zijn reine ziel gekwetst hebben, dat Zijn kinderen zó laatdunkend over Hem spraken, alsof Hij niet wist wat Hij zei.

Dat is Middelaarshefde; om te zwijgen wanneer esn toornig woord dubbel en dwars verdiend is. Maar Jezus zwijgt! Na de vraag van Jezus en het antwoord van de discipelen is het stil geworden. Jezus 2det rondom Zich. En nu wordt het nog stiller.

Allen houden de adem in. Want Jezus zoekt het schaap van de kudde, dat naar des Vaders welbehagen tot de Herder de toevlucht heeft genomen.

Hij begeert deze vrouw, aan wie Hij reeds zulk een heerlijk wonder heeft verricht, te ontmoeten, opdat Hij uit haar eigen mond zou vernemen wat het was, dat er haar toe bracht om tot Hem te komsn.

Jezus' oog ontmoet het hare. Wat zal dat een ogenblik voor deze vrouw zijn geweest. Immers, nu kan zij niet meer verborgen bUjven. Nu zal openbaar dienen te komen wat aan haar is geschied.

Het "w'as misschien haar plan ge< weest om in stille verlegenheid zich terug te trekken, maar nu maakt de 'Heere haar Zelf openbaar. Hij zal zorgen dat wat in het verborgen geschied is, op de daken zal gepredikt worden, opdat Israël wete dat zijn Verlosser is gekomen.

Hij beoogt de eer van Zijn eigen werk. Niet onze eer, zoals die ook met geeste-Hjke zegeningen zo vaak bedoeld wordt. Daarom moet deze eenvoudige ziel te voorschijn komen. Jezus wil Zich in Zijn eigen werk verlustigen. O, werd dat meer door Gods volk beseft, dan zou meer beantwoord worden aan de belofte des Heeren: , jDit volk heb Ik Mij geformeerd; zij zuUen Mijn lof vertellen". Niet eigen lof of eigen eer, maar Gods lof en eer.

Nu moet deze vrouw spreken. Openbaar 'komen.

En zie nu eens hoe zij dat doet!

Neen, niet met alle vrijpostigheid, die meer op brutaliteit dan op tere vreze Gods lijkt, maar vrezende en ^bevende. Schuchter en verlegen komt zij te voorschijn.

Wil Jezus haar nu te schande maken? O neen, maar uit haar eigsn mond zal Hij willen horen wat haar ten deel gevallen is.

Zijn werk is het immers waard, dat het verkondigd wordt? Welnu, daarom vrouw, zo wil de Heere zeggen, zeg nu maar wat er is gebeurd.

Zo lokt de 'Heere haar vriendelijk en welmenend uit om haar hart voor Hem uit te storten. Niets behoeft ze achter te houden. Alles mag en moet ze Hem zeggen.

„En zij zeide'Hem al de waarheid".

Alles komt er uit. Wat ze aan gesn mens durfde zeggen, vloeit nu uit haar mond. Niets houdt zij achter. O, als ze ziet hoe Jezus luistert, dan ontvangt zij daaruit reeds - vrijmoedigheid om alles te zeggen.

Want Jezus luistert! O, dat doet Hij gaarne wanneer een ziel met al haar noden tot Hem vlucht. En naar mate dat zij spreekt, wijkt de vrees. De vrees om bespot te worden door de .; hare, de vrees om te schande te 'worden gezet.

Heel haar hart zegt ze uit voor de Heere. Welk een aangenaam werk om zo voor de Heere te zijn als een open boek, waarin de Heere kan lezen. Geen geheimen voor Hem te hebben.

Dat is esn heerlijk werk. Dat luoht reeds op, afgedacht nog van het antwoord, dat de Heere geeft.

Ze vertelt van haar strijd, van haar nood, van haar - werk om genezing te vinden bij ieder en alles, van haar telkens terugkerende teleurstellingen en tenslotte van haar totale hopeloosheid, toen alles tevergeefs was geweest.

Maar ook van het gerucht, dat ze had gehoord, dat Jezus dezulken niet verstootte, maar kon en wilde helpen. Hoe ze nu tot Hem was gekomen. Hoe er wel veel bezwaren warsn geweest, , maar ze kon en wilde niet meer terug en toen ze dan ook de zoom van Zijn kleed had aangeraakt, was daar zulk een kracht van uitgegaan, dat ze genezen werd.

Hoe zal haar mond welsprekend gewor-• den zijn om Hem alles te vertellen. Hoe zal uit haar oog en door haar spreken de aanbidding voor zoveel goedheid, aan haar onwaardige 'bewezen, geblonken hebbsn.

Maar ook, welk een blijdschap zal dit voor de Heere geweest zijn, toen Hij deze vrouw hoorde getuigen van Zijn daden.

Zie, nu was ze op de rechte plaats gebracht. Niet meer achter Hem, maar vóór Hem op de knieën in heilige aanbidding en bewondering.

Daar wil de 'Heere Zijn kerk brengen. Daar, waar Hij de eer van Zijn werk ontvangt.

Hij wil de eer van Zijn eigen werk hebben. Daarvoor heeft Hij ze beweldadigd. En nu is er maar één plaats, waar vandaan die eer van Zijn werk gebracht kan worden, en dat is vanaf de plaats waar deze vrouw lag, dat is aan Zijn voeten. Dat is uit de nederigheid en uit de verootmoediging. Daar worden geen grote mensen gemaakt, maar ootmoedige en toch in Gods daden zich verblijdende kinderen. Daar aan die plaats klimt het loflied omhoog: „Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen".

Kennen we die plaats? Er is geen heerlijker plaats voor een arme zondaar om daar voer het eerst of bij vernieuwing gebracht'te mogen worden. Dan wijkt alle dorheid en dodigheid. Daar welt het lied uit de ootmoed en de blijdschap omhoog, waar de engelen in de hemel naar luisteren, en waarin de Heere en Zijn deugden worden grootgemaalct.

Dat is het begin van de hemel. Maar dat moet hier op aarde geleerd worden. Hebben we dat lied aan de voeten van Jezus leren zingen?

Veenendaal

Ds. J. Keuning

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1960

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken