Bekijk het origineel

Wetsontwerp over de huren

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Wetsontwerp over de huren

6 minuten leestijd

Bij de Kamer is dezer dagen ingediend een wetsontwerp betreffende de huw-•yerfioging, welke op 1 april zal inigiaan : indien het wetsvoorstel tot wet verheven is.

Daarin wordt voorgesteld de huren van de vóór 1955 gebouwde woningen met ingang van 1 april aanstaati'de met 20 procent te verhogen, terwijl de regering daarin tevens voorstelt tegelijkertijd een huurkompensatie te geven van 4 procent in de vorm van een algemene loonronde. In het wetsontwerp wordt voorts voor­ gesteld, dat de huren van bedrijfspanden met ten hoogste 15 procent verhoogd zullen kunnen worden, terwijl een huurverhoging voor bedrijfspanden sledhts tot Stand kan kxDmen door een nieuwe overeenkomst tussen huurder en verhuurder, derhalve niet eerder dan wanneer de bestaandte kontrakten zijn afgelopen.

Tevens wordt in het wetsontwerp een wettelijke basis voor een geleideUjke opheffing van de huurvoorschriften gelegd. Hoewel de huurverhoging in beginsel geldt voor alle woningen, weBce vóór 1955 zijn gebouwd, bevat het wetsontwerp bepalingen, waardoor woningen, welke vóór 5 mei 1945 zijn gebouwd, kunnen worden uitgesloten van de huurverhoging. 'Dit zal het geval kunnen zdjn als de woningen gebreken vertonen, welke de bewoonbaarheid ernstig schaden, of als zij door verwaarlozinig niet aan redelijke eisen voldoen.

Speciale voorschriften bevat het wetsontwerp voor de vóór 1918 gebouwde woningen, waarvan de huurprijs niet meer bedraagt dan ƒ 9.-, ƒ 8.-, ƒ 7.-, ƒ 6.of ƒ 5.—, al naar gelang van de gemeenteklasse. Alleen na een verklaring van een huuradvieskommissie, dat het onderhoud van deze woningen niet is verwaarloosd, kan bij deze soort woningen huurverhoging worden toegepast. Zodanige verklaring moet door de verfiuurder worden aangevraagd, terwijl niet onder huurverhoging vallen onbewoonbaar verklaarde en daarmede door de minister gelijkgestelde woningen.

Verder stelt het wetsontwerp voor, dat voor woningen, die na 1955 gebouwd zijn met rijkssubsidie, voor zover zij liggen bgneden het huurpeü, dat met de komende huurverhoging wordt bereikt voor vergelijkbare vóór 1955 gebouwde wcningen, de huren op het verhoogde peil worden gebracht door een huurverhoging, variërend van 3 tot 20 procent. Voor de woningwetbouwwoningen zal de minister de gemeentebestimen vragen voorstellen tot verhoging te doen, waarbij ook de partikuliere verhuurders via de gemeentebesturen met voorstellen tot minister van Aartsen zich zullen kunnen wenden.

Vervolgens bevat het wetsvoorstel een voorstel om de in 1955 ingestelde huurkommissies op te heffen, terwijl alsdan de beoordeling van het onderhoud der woningen zal worden opgedragen aan de huura dvie skommissies.

Wat de voorgenomen toekomstige vrijmaking van de huren aangaat, stelt het wetsontwerp voor deze in drie fazen te laten verlopen.

Eerst zal de Woonruimtewet 1947 geheel of gedeeltelijk buiten werking kunnen worden gesteld. Vervolgens zal een einde ikunnen worden gemaakt aan de huurprijsbeheersing, waarbij een zekere vorm van huurbescherming blijft gehandhaafd, en tenslotte zal ook deze huurbescherming moeten verdwijnen.

Het wetsontwerp opent de mogelijkheid de huurprijsbeheersing reeds nu op te heffen voor bedrijfspanden, wanneer de wettelijke huurprijs een bepaalde grens overschrijdt. De regering is van oordeel, dat thans de tijd is gekomen om de huurprijsbeheersing op te heffen voor bedrijfspanden met een jaarlijkse ïhuur van meer dan respektievelijk ƒ 5.000.—, ƒ 3.500.-of ƒ 2.500.-, afhankelijk van de gemeenteklassen.

Volgens het wetsontwerp kan de huurwet bij algemene maatregel van bestuur praktisch geheel worden opgeheven in daarvoor in aanmerking komende gemeenten.

De vrijmaking van de huurbescherming houdt echter niet in, zoals in de Memorie van Toelichting wordt verklaard, dat de huurders — met name uiteraard de zittende huurders — aan hun lot moeten worden overgelaten. Een zekere bescherming kan door hen niet worden ontbeerd. Het daarover handelende artikel bepaalt daarom, dat na het einde van de huur en verhuur — eventueel zal die dus nog eerst moeten worden opgezegd — dan wel na het einde van de bevoegdheid om krachtens humibescherming in het genot van het gehuurde te kunnen blijven, de gewezen huurder niet direkt behoeft te ontruimen. De verplichting daartoe wordt opgeschort totdat de veAuurder van zijn fcant de ontruiming aanzegt. Ook dan echter heeft de gewezen huurder nog een maand de tijd. In die maand kan hij zich desgewenst tot de kantonrechter wenden met een gemotiveerd verzoek om bedoelde termijn van een maand te verlengen. Dient hij zodanig verzoek in, dan wordt daardoor de verplichting tot ontruiming automatisch geschorst.

Hierbij is ten aanzien van de bedrijfspanden een enigszins andere regeling getroffen dan die, welke met betrekking . tot woningen is voorgesteld.

Bij zijn beslissing omtrent de termijn, gedurende welke de verphchting tot ontruiming moet worden geschorst, zal de kantonrechter de belangen over en weer moeten afwegen. Meent hij dat de belangen van de gewezen huurder moeten prevaleren, dan bepaalt hij de termijn, waarmede de eerder genoemde termijn van één maand wordt verlengd. Het maximum hiervan is één jaar, dooh deze termijn kan opnieuw met zes maanden warden verlengd tot ten hoogste alles bijeen 2 jaar, voor zover het woningen betreft. Ten aanzien van bedrijfspanden is de termijn op ten hoogste drie jaren gesteld.

De procedure voor de kantonrechter, waarvan de bepalingen dienaangaande gedeeltelijk zijn overgenomen uit de bestaande huurwet, is uiterst eenvoudig gehouden.

Bepaald is hierbij nog, dat de rechter telkens wanneer hij een verlenging toestaat, tevens de prijs zal vaststellen, welke de gewezen huurder in die tijd zal moeten betalen. Hij zal hierover de huuradvieskommissie moeten horen. Ook kan hij op verzoek van de verhuurder de som bepalen, die de gewezen huurder gedurende de procedure als voorlopige vergoeding moet betalen. Desgewenst kan hij ook hier de Ihuuradvieskoomnissie horen.

Bij beslissingen, ais hier aan de kantonrechter opgedraigen, is kennis van plaatselijke omstandige den uiteraard van groot belang. De kantonrechter kan zich hierover zo nodig behalve door de hutmadvieskommissie ook door het gemeentebestuur laten voorhchten.

Het wetsontwerp is ondertekend: de minister van Volkshuisvesting en Bouwnijverheid, J. van Aartsen; de minister van Justitie, A. C. W. Meerman; de staatssekretaris van Ekonomische Zaken, G. M. J. Veldkamp.

P.S.

Ten aanzien van de kompensatie is later nog in de pers medegedeeld, dat indien de komende huurverhoging met 20 procent op 1 april a.s. een feit wordt, deze zal gekompenseerd worden door een algemene loonsverhoging van 2% %. Daarbij zal een minimum gelden van ƒ 2.50 tot ƒ 4.—, al naar gelang van de gemeenteklasse.

In afwijking van eerdere berichten omtrent een kompensatie van 4 procent. Egt het in de bedoeling der regering, dat het kolege van rijksbemiddelaars krachtens het buitengewoon besluit arbeidsverhoudingen bij beschikking deze kompensatie van 2% procent zal afkondigen. Bovendien zullen de kinderbijslagen worden verhoogd, en wel met 2 oent per dag voor het eerste, tweede en derde kind, en met 3 cent voor elk volgend kind.

Tenslotte zullen ter kompensatie van de nieuwe melkprijsverhoging met 2 cent per liter op 1 april aanstaande de kinderbijslagen bovendien met 2 cent per dag verhoogd worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1960

De Banier | 8 Pagina's

Wetsontwerp over de huren

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken