Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

9 minuten leestijd

III.

Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam, dezes doods? ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere. Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde. Romeinen 7 : 24-26

Hoe is nu het leven van de apostel geweest? Hij zegt het heel duidelijk. Hij is niet lijdelijk in de heiligmaking; hij ïeot niet: „die oude mens is toch niet te bekeren", gelijk de andhomianen zeggen, o neen, het leven van Paulus was één grote strijd tegen de zonde. Nooit heeft hij gepleit voor de zonde; hij heeft geijverd tegen de zonde en tegen degenen, die hem vals wilden ten laste leggen dat hij leerde: „laat ons de zonde doen opdat de genade te meerder worde". Met heilige verontwaardiging wijst hij die valse beschuldiging af en xegt: „Welker verdoemenis nechtvaar-dig is”.

Maar als hij getroost was, zag hij op Gods eeuwige raad, waarin ook zijn weg bepaald was. Üe Heere had Zijn volk ook van stonde aan in Zijn eeuwige heerlijkheid 'Icunnien opnemen, maar naar Zijn vrijmachtige wil moet Zijn volk geoefend worden door zware strijd. Zij Hioeten hun zwakheid en diepe afhankelijkheid van de bediening van de Geest van Christus beleven, opdat Christus bun te meer dierbaar zal worden en ook noodzakelijk.

En al hebben Gods kinderen nimmer vrede met de zonde, toch heeft Paulus de hoog begenadigde, hier vrede met de weg, die God bepaald heeft. Hij is volkomen verenigd met Gods weg. Dit is de hoogste zaligheid op aarde, om te willen wat God wil. Als hij zegt dat hij met tet vlees de wet der zonde dient, bedoelt hij daarmede niet zijn lichaam, maar de verdorvenheid, die nog in hem overig is. Welk een kostelijke onderscheiding maakt hij tussen gemoed en vlees. Dat weet hij door oefening des geloofs en verlichting des verstands. In de eerste Weg mist de ziel die onderscheiding. Dan komt de twijfel aan de genadestaat door de werking der zonde alle troost verstoten. Kan dat nu allemaal wel met genade bestaan? 'zegt izulk een ziel. Ik vrees dat ft nog alles mis en dat mijn werk geen Waarheid is. Maar Paulus ziet helder en tlaar tegenover de verdorvenheid van het vlees de werking van het gemoed, dat, vernieuwd zijnde door de Heilige Geest, een vermaak heeft in de wet Gods.

Het is niet zo, dat een kind Gods als het Ware bestaat uit twee delen, die los van elkander staan, neen, het is de ene mens, vernieuwd zijnde in de geest zijns ge-•noeds, maar in wie nog zijn de overblijfselen der zonde. Zij jagen naar de beiligmaking. Het is de verlustiging huns gemoeds om God te verheerlijken in hart en leven, in woord en in wandel. Dat is voor dat volk een drinken uit de fonteioen des heils.

En de strijd tegen de zonde ivordt steed» zwaarder. De Heilige Geest doet hen steeds dieper afdalen in zelfkeimis tot hun vernedering. Anderzijds leidt de Geest van Christus ze steeds meer uit zichzelf, om al hun roem en blijdschap alleen te hebben in Christus. EUendigen in 'zichzelf steeds meer, maar roemende vanwege de blijdschap die ze hebben in Christus.

En eenmaal zal Christus ze de Vader voorstellen als een gemeente, die geen vlek of rimpel heeft. Dan zal hun bhjdschap volkomen zijn, als Christus alles zal zijn en in allen en wanneer een volzalige Verbondsgod Zijn liefde zal te genieten geven. Want God zal alle tranen van hun ogen afwissen en eeuAvige blijdschap zal op hun hoofd wejsen. Welgelukzalig is het volk, welks God de Heere is, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft. Welgelukzalig zijn zij reeds hier in de tijd in beginsel, en straks in de heerlijkheid in voltooiing. 'Niet alleen Paulus, maar ook allen die Christus in onverderfelijkheid liefhebben, zullen eenmaal een zaligheid verkrijgen, die geen oog heeft gezien, geen oor heeft géhoord en die nog nooit in het hart des mensen is opgeklommen.

Wij heblben hier een tipje opgelicht van de sluier, die hing over het innerlijke zieleleven van de apostel Pauhxs, ja zelfs over het zieleleven van al het geoefende volk van God, dat door zo weinigen recht begrepen wordt. Van dat bevindelijk leven van Gods voHc is Christus de grondslag en de fontein, omdat Hij vrijwillig schuldenaar werd voor Zijn volk, en ide ganse sohuld veraoende door dadelijke en lijdelijke gehoorzaamheid. En dat verlossingswerk is volkomen, daar kan niets af en daar kan niets bij.

Maar daarvan geeft de Heere Zijn uitverkorenen een bevindelijke kennis. Hoevelen ook die bevinding overbodig achten, en hoevelen ook met een voorwerpelij'ke beschouwing tevreden zijn, bij Paulus was een ware bijbelse 'bevinding van de voorwerpelijke waarheid. Uit [Romeinen 7 blijkt het overduidelijk, dat hij innerlijke gemeenschapsoefeningen met Christus kende, en die werken bevinding en de bevinding 'hoop, en de hoop besdhaamt niet, omdat de liefde Gods is uitgestort in onze harten door de 'Heüige Geest. Velen praten over Christus, roemen Hem met de lippen, terwijl zij niet anders hebben dan een historisch geloof, en een innierhjke afkeer van-d© bevinr ding van Gods volk. Een afkeer, die voortvloeit uit eigenliefde, waar het bevindelijk leven der kinderen Gods al hun valse gronden wegstoot. Het is een doodsteek voor hun oppervlakkige beschouwing van Christus. Zij willen van ellende niet weten, over dat stuk stappen Edj lichtvaardig heen, maar Gods volk wordt ellendig in zichzelf en blijft het.

In ieder van Gods volk werkt de Heilige Geest een waarachtige 'kennis der ellende. Zie het in Paulus, die zioh als een vervolger leerde kennen op de weg naar Damaskus, en zie het in Manasse, maar ook in Lydia. Al Gods volk leert er iets van wat Paulus zegt: „Ik ellendig mens”.

Zijn v/i] ooit ellendigen voor God geworden? Is dit besef ons, gearresteerd op onze levensweg, ook tot hartelijke droefheid geworden voor God? Welk n duie roeping heeft het vrijgemaakte volk van God om onontdekten ernstig te vermanen voor zelfbedrog, zelfs al is er een beginsel van genade bij eerstbeginnende zielen. 'Het is zo nodig om eerst het fundament te leggen. Het eerste wat de Heilige Geest toch doet, is overtuigen van zonde, werkende een diep besef van de ellende en een hartelijke droefheid naar God. 'Daarvan zal iets gekend moeten worden. Onze treden houden de hel vast, ons hart is arglistig en bedriegelijk. Al kunnen wij voor de mensen wat schijnen, de Heere weet het wat in het hart 3S en waar het om te doen is. Laat ieder het zioh eerlijk afvragen of er ooit waar-.ijk een hartelijke betrekking op God geweest is.

Het historisch geloof geeft immers geen werkzaamheden aan de troon der genade. Het is alles verstandswerk zonder meer. In de zaligmakende bediening des Geestes wordt de rust opgezegd en heeft men verzoening nodig, maar ook verlossing van de macht der zonde. Al neemt men alle godsdienstplichten waar, wat op zichzelf niet verkeerd is, als men anders niet heeft, zal het ons niet baten bij het sterven. Als dan de dood komt, is het voor eeuvwg te laat.

En als men mag zeggen: „Als ik mij niet bedrieg, 'ken ik wat van dat leven", is het dan niet zo, dat uw ellende in uzelf groter en dieper wordt? Valt gij uzelf niet voortdurend tegen en is uw verdorvenheid u niet tot steeds groter smart? Hoe zal dan ook de noodzakelijkheid van 'Christus u voor ogen staan, want buiten Hem is er toch geen bestaan voor God. En al heeft het God behaagd Zijn Zoon in u te openbaren, hoe groot is het gemis aan die toepassing vian Zijn gerech­ tigheid. Dat mocht maar meer aangebonden worden. Er is geen rust en vrede buiten Christus. Het moet eens aan eea eind komen met alle gronden buiten Christus. De Heere geve meerdere ontdekking aan erf-en 'dadeHjke sohuld bi| het licht van Gods gerechtigheid en heiligheid. Ja, dat het recht Gods eens zo werd afgedrukt in de ziel, dat voor dat recht Gods geheel de ziel werd ingewonnen om het te beminnen boven eigen zahgheid. Daar is dan plaats voor een schuldovememende Borg, daar is ruimte voor Hem, Die dat recht Gods vervulde. Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zo zult gij waarhjk vrij zijn en van de Rechter worden vrijverklaard.

Maar dan zult u Christus ontvangen niet alleen als betalende Borg, maar ook als tot reinigmaking uwer ziel door het geloof in 'Hem en in Zijn allesreinigend bloed. O volk van God, hoe groot is het voorrecht, Christus te bezitten tot rechtvaardigmaking en tot heiligmaking beide. Hem te kennen als de doorluchte Koning Sions in de overwinning van de zonde.

Zeker, steeds dieper wordt gij ingeleid in het overblijvend bederf, dat nog tot gedurige waakzaamheid dringt en hetgeen u in ootmoed zal doen wandelen voor Zijn aangezicht. Zelfs zal grote droefheid daarover u bij tijden vervullen, maax anderzijds is de roemtaal van Paulus u toch ook niet vreemd. U kent iets van dat leunen en steunen op Hem, beide tot verzoening en tot verlossing van de zonde. Zonder Hem kunt gij niets doen. Laat uw ziel dan bij Hemi schuilen en ziet toe te nemen in de genade en kennis van Christus.

Laat de strijd zwaar zijn en uw kracht klein, in Hem is een almachtig verm'ogen om u te helpen en te schragen. B^ Hem is een fontein van water om u te wassen en te reinigen, keer op keer. EH door dat gelovig verkeren met Christus eal de blijdschap in Hem toenemen, d© vergevende liefde zal •u tot ijverig he~ trachten van de wet gedurig dringen. Ja, daardoor zult u als een afgezonderd mens voor de Heere leven en de hoop op de uiteindelijke overwinning in Christus zal u in dit tranendal vergezellen, en de vertroostingen des Heiligen Geestes zullen uw 'blijdschap en sterkte zijn. Amen.

Rotterdam

Ds. Chr. v. Dam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1960

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken