Bekijk het origineel

Begroting van Nieuw-Guinea

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Begroting van Nieuw-Guinea

17 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

II.

Rede van Ir. van Dis

Bij de behandeling van bovengenoemde begroting vormde de kwestie van het verlenen van subsidie voor de oprichting van een rooms-kathoKeke primaire middelbare school te Hollandia een veelbesproken onderwerp. Hiervoor he. stond dan ook alle reden. Hollandia toch, dat op de noordelijke kust van het zeer grote eiland Nederlands Nieuw-Guinea ligt, is nagenoeg geheel protestants, evenals dit in het algemeen met noordelijk Nieuw-Guinea het geval' is. De zending heeft daar verscheidene scholen, waaronder ook een primaire middelbare school te Hollandia, waarvan het onderwijs te vergelijken is met het U.L.O. in ons land. Leerlingen voor deze school zijn er genoeg, zo zeHs, dat er reeds enige jaren geleden behoefte bestond aan het invoeren van parallelklassen. Er ^verd hiervoor door de zending bij het Gouvernement sdbsidie aangevraagd, doch dit verzoek werd afgewezen. De zending, die niet tegen het beleid der regering wilde ingaan, legde zich hierbij neer, dat wil zeggen men ging er niet toe over om met eigen middelen toch parallelklassen te vormen.

Onder het ministerschap van minister Helders gaf deze in 1957 te kennen, dat hij aan het vormen van primaire middelbare scholen enige uitbreiding wenste te geven. Als de plaatsen waar deze scholen gevestigd zouden moeten worden, wees hij aan Merauke, Manolavari en Sorong. In Merauke moest vol'sens hem. alzo een rooms-ikatholieke orimaire middelbare school (P.M.S.) .komen, in Mandkwari een protestantschrrstelijke P.M.S. en in Sorong een openibare P.M.S.

Rome dacht er echter anders over. In tegenstelling met w-at de zending destijds had gedaan, onderwierp het zich niet aan wat door de regering was aangegeven. De rooms-katholieke missie met bisschop Staverman aan het hoofd, vroeg subsidie aan, maar niet voor een P.M.S. te Merauke, doch voor een P.M.S. in het nagenoeg geheel protestantse Hollandia. De direkteur, die hierover te beslissen had, had op dit verzoek, gezien het regeringsplan, vanzelfsprekend afwijzend moeten beschikken. Deze direkteur was echter rooms-katho-Hek, met het gevolg, dat hij het verzoek der missie inwüligde. Zodoende kwam er te Hollandia een r.k. P.M.S., terwijl er in Hollandia en omstreken nota bene slechts één r.k. leerling voor deze school aanwezig was. De anderen die in een internaat werden ondergebracht, moesten merendeels van heel grote afstanden komen, niet maar bijvoorbeeld van Zwolle naar Den Haag, maar zo iets als van Zwolle naar Zurich in Zwitserland!

Het is te begrijpen, dat er bij de zending in Nieuw-Guinea, bij de aldaar bestaande Evangelisch Ohristelijke Kerk en ook in Nederlandse kerkelijke en zendingskringen over deze handelwijze der r.k. missie, zeer grote ontstemming ontstond en dat er thans in de Tweede Kamer het nodige over werd gezegd. Minister Toxopeus had echter in zijn beantwoording van ham gestelde vra-. gen reeds doen weten, dat van hem geen intrekking van deze subsidie te verwachten was. Helaas legden de piotestants-dhristelijke Kamerleden zich hierbij maar al te geanakkeliik neer. Vooral de heer Bruins Slot {A.R.), die reeds het vorige jaar in zijn blad „Trouw" het standipunit innam, dat deze subsidie niet geschrapt kon worden. Wij zullen het echter 'bij deze inleiding laten, omdat in het tweede gedeelte van de door Ir. van Dis gehouden rede, de gehele fcwestie voldoende duidelijk uit de doeken wordt gedaan.

Ir. van Dis, die onder meer intrekking der genoeirxle subsidie bepleitte, sprak als volgt:

MiJTiheer de Voorzitter! Thans wensen wij over te gaan tot het lx? spreken van de aanigelegenheid, welke ik zoeven reeds aanduidde met de P.M.S.-Ocwestie, namelijk de suljsidiering van de

rooms-katholieke

primaire middelbare school te Hollandia, waarover reeds zoveel te doen is geweest en die nog steals de gemoedoren dei-protestanten in Nieuw-Ouinea en in Nederland in sterke m.ate verontrust. Dat dit niet overdreven voorgesteld is, blijkt wel uit de talrijke publikaties, welke over deze kwestie versche-Bcn zijn, het laatst nog in de „Opea Brief aan Zijne Excellentie van Binnenlandse Zaken", welke dezier dagen ook aan alle Kamerleden werd toegezonden door een aantal vooraanstaande personen uit Nieuw-Guinea, ondier wie ook vertegenwoordigers der autochtone bevoIiJTig, zoals onder meer de predikanrten Jochu, Mori Muzendi, Dr. Kabel, Dr. Karmma en de heren N. Jouwe, J. Mano en E. Mantundoy. In dez»

„Open Brief”

worden krasse ^vaarheden geizegd. Allereerst wordt het betwist, dat de kwestie van desse school als een afgedane zaalc zou moeten worden beschouwd, die in Nederland in een deel van de pers nog wel wordt opgeblazen, maar waarvoor in Nieuw-Ouinea nauwelijks belangstelling meer zou bestaan. Uit deze brief hlijkt echter, dat deze zaak voor de belijdende protestanten in Nieuw-Guinea absoluut niet is afgedaan. Er bestaat integendeel nog steeds 'grote beroering orver. Zelfs als de opriohting van deze school als een voldongeni feit zou moeten worden gezien, dan betekent dit volgens de schrijvers van deze brief, die allen leden van de BvanigeHsdi ChristeUjke Kerk in Nederlands Nieuw-Guinea zijn, allerminst, dat dit feit geen verdere betekenis zou hebben. Men ziet toch in wat zich ten aanizien van deze rJc. primaire middelbaie school te Hollandia heeft voorgedaan een symptoom er van, dat het Gouvernement zicb bij zijn siibsidiebeleid op

onaanvaardbare wijze

laat beïnvloeden. Met de briefschrijvers, die terecht te kennen geven, dat zij aan de kracht der argumenten een grotere waarde toekennen dan aan een groot aantal ondertekenaars, hoewel het hun mogelijk geweest zou zijn om voor hun „Open Brief" vele handtekeningen te verkrijgen, zijn wij het na kennisneming van wat zich ibij deise aangelegenheid heeft afgespeeld volkomen eens.

Het is toch niet voor bestrijding vatbaar, dat de ambtsvoorganger van minister Toxopeus in de memorie van toelichting op de begrotingen van Nieuw-Guinea voor de dienstjaren 1957 en 1958 heeft aangekondigd, dat hij bereid was aan het orimaire middelbare onderwijs voor de autochtone bevolking, waarvoor tot dusver alleen een school bestond te HoUandia, namelijk een protestantse school, een naar verhouding grote uitbreiding te geven en voorts, dat voor 1958 gerekend werd op een drietail nieuwie scholen van dit type, waarbij ak plaatsen van vestiging was gedacht < iaa

Merauke, Maaokwari en Sorong.

Hi» wordt dus onder meer gesproken van Merauke in het zuiden van Nieuw-Guinea, waar de roams-kathoHeken het sterkst vertegenwoordigd zijn! De bedoeling van de minister was derhalve aan de rooms-katholieken subsidie toe te kermen voor de opriohting van een primaire middelbare school te Merauke. Hoewel bekend met het te dezer zake door de minister uitgestippelde beleid, werd dit van r.k. zijde doorkruist door subsidie aan te vragen voor een primaire middelbare school te HoUandia, dat in een vrijwel geheel protestants gebied ligt en waar de rooms-katholiekcai over geen enkele voedingssohool beschikken, weUce de leerlingen voor de primaire middelbare school m'oet kverea.

Inpkats van dat deze aanvrage werd af'gawezen, werd zij toegestaan. Dit gesciiiedde nog wel, terwiji een veraoek va« de

zending

der Nederland* Hesrvomide Keric o« met bet oog op de daaraan bestaande behoefte aan de protestantse P.M.S. te HoUandia paralleMdassen te mogen instellen, afgeweaen. was.

Dat een dergelijke daad grote verontwaardiging moest < jpwekken en nog steeds opwekt, ligt voor de hand. Het is toch inderdaad ergerUfk, dat aan de zending niet werd toegestaan op haar P.M.S. te HoUandia twee klassen inplaats van één 'Mas per jaar te mogen aannemen, hoewel de zending op de noordkust van Nieuw-Guinea over niet minder dan elf voedingsscholen beschikte, en diat er wel subsidie weid toegekend voor de oprichting van een r.k. P.M.S., waarvoor te HoUandia en omgeving geen voedingsscholen bestaan.

Deze daad is het werik geweest van de rooms-kathoUefce

direkteur

van Kulturele Zaken in Nieuiw-Guinea, dde, ssoails minister Helders in antwoord op hem door de 'heer Stufkens gestelde vragen heeft verfdaard, destijds nc^ maar Jcort in funktie was en zsondesr voldoeïide kennis van de feitelijke achtergrond van het voornemen der regering heeft gemeend, dat voor hem vrijheid bestond tot het nemen van de zoeven genoemde beslissing.

Deze verklarinig, Mijnheer de Voorzitter, kan ons aUerminst bevredigen. Het wil er bij ons niet in, dat de desbetreffende r.k'. direkteur van Kulturele Zaken, van wie men toch niet unag veronderstellen, dat hij geen kennis heeft gehad van de memorie van toelichting bij de begroting voor 1957 en 1958, waarin nadruiklkelijk

Merauke

in hat zuiden van Nieuw-Guinea wordt aangewetzen als plaats voor de vestiging van een P.M.S., niet zou geweten hebben wat hij deed. Zou d& ze direkteur ter zake ook zo onkundig zijn geweest, wanneer door de zending subsidie zou zijn gevraagd voor een protestanlsdhristelijfce P.M.S. te Merauke? Gelove, wie dit geloven wil, maar wij en velen met ons niet!

Neen, de hiembij betrokken direkteur handelde zoals de 'bisschoppen het wensten. Dit is zelfs nadrukkelijk in de Nederlandse r.k. T> ers verklaard, n.l. in , JDe Maasbode" van 3 december 1958, waaarin de korrespondent schreef:

„. . .. dirdkteur de Wit liet niet tea omreohte de missie zelf bepalen, waai Eij de door het Gouvernement gesubsidieerde school wüde hebben". Mijnheer de Voorzitter! Al wetdi deze direkteur hierom door het Gouvernement van zijn funiktie ontheven en ontslagen, toch moeten wij er onze

afkeuring

over uitspreken, dat de ten onrechte verleende subsidie niet werd ingetrokken, maar tot op de huidige dag gehandhaaft wordt. Slechts werd door des ministers ambtsvoorganger in antwoord op de hem te dezer zaïke gestelde 'vragen verklaard, dat hij het op prijs zou steUen, indien de missie op basis van vrijwilligheid zich alsnog zou 'kunnen aansluiten bij de opvatting der regering, namehjk, dat de subsidie voor een r.k. P.M.S. behoort te gelden voor zuilk een school te Merauke. Een rechtstreeks verzoek aan de r Je. missie, zich bij de opvatting der regering aan te sluiten, wat toch wel het minste is, dat verwacht had mogen worden, vond dtis niet eens plaats. Ook dit wend van r.k. zijde erkend, namelijk in een op Nieuw-Guinea verschijnend r.k. weekblad „De Tifa", ia bet nummer van 14 noventbor 1959, met de bijvoeging, dat het antwoord der missie todi

negsitief

geweest zou zijn. Dit laatste. Mijnheer de Voorzitter, veiwondert ons in g^ien dele. Wanneer men enigermate tnet Rome's leer bekend is, behoeft een dergeUjke houding helemaal niet te bevreemden. Een dergelijke ervaring werd ook ad opgedaan met 'betrekking tot het vroegere verbod tot het bedrijven van dubbele zendiiig, waarbij het de zending en de missie niet 'was toegestaan eUcaars gebieden te betreden om daar onder de bevolking te werken. Van r.k. zijde was men sterk tegen dit verbod en werd het herhaaldehjk genegeerd.

Tal van Machten rezen er dan ook over penetraties der r.k. missie in zendin'gsgebieden der protestanten. EHt brajdit Rome's beginsel mee. Ik vond dit beginsel eens als volgt vertolkt in het destijds toonaangevend r.k. dagblad

„De Maasbode”,

in het nummer van 8 december 1890. I> aarin stond te leaan:

, yKan men ach wel iets dwazers m-deaken dan dat het protestantisme, hetwelkj als zijnde een dwaüng, niet eens recht vao bestaan heeft de katholieke kerk zou vidllen dwingen af te blijven van haar terrein? Want alle terrein is roomsoh, omdat Christus aan de roomsche kerk heeft gezegd; Onderwijst aUe volkeren. Hoe meer die kerk dus protestantsche gemeenten binnendringt en het protestantisme er uit verjaagt, hoe meer zij handelt krachtens het beval van haar Godd& lijken Stichter".

Mijnheer de Voorzitter! Het gaat bij de gewraakte subsidieverlening aan de r.k. P.M.S. te HoUandia niet over de kwestie van het verbod van dubbele zending. Dit verbod heeft op Nieuw-Guinea wel bestaan, maar werd helaas in 1928 opgeheven. De r.k. missie heeft diis sedert 1928 de volle gelegenheid gehad, zich in het gebied der zending in te dringen, •wa.t zij ook heeft gedaan.

Desniettegenstaande is het Rome niet geilukt, het

protestantisme

uit Nederlands Nieuw-Guinea te verdringen en is het aantal protestanten er veel groter dan dat dier rooms-katholieken. Het 'gaat bij de P.M.S.^jkwestie te HoUandia — het ^j nogmaals gezegd — dus niet over de kwestie van dubbele Bending, al is dit van r.k. zijde ook beweerd. Neen, het gaat hierbij om het handelen tegen het uitdrukkelijk be­ kendgemaakte regerin'gsbeleid. Daaife gen werd van r.k. zijde ingegaan. D, regering had Merauke aangeweasn maar de r.k. missie trok zich lüervat niets aan. Het doel zat hieAij voor oa protestantse leerlingen onder haar hl arbeiding te krijgen.

De verontwaardiging onder de pix> te(. tanten over dit optreden der r.k. missie is dan ook zeer goed te begrijpen ej alleszins gegrond. „Hun felle prutest" zo schreef Dr. Locher in „Hervonnd Nederland" van 17 oktober 1959. , ^ treft het feit, dat de

missie

voor haar arbeid onder protestantse Pa, poea's regeringssulbsidie vraagt , ^ krijgt. Dit is", aldus r> r. Locher, „j strijd met onze Nederlan^dse staatsiiistellingen en daarom vragen de protestaaten, dat de regering recht zal doen", waarop hij laat volgen;

, , Een stonn van verontwaardiging oo. der 'de r.k. Nederlanders zou imts. ken, als de regering een protestant» m, iddelbare school zou subsidiëicii g een totaal roomtse plaats. Is het verwonderlijk, dat de protestanten k Nieuw-Guinea en de Nederlandae •ending m^et hen fel verontwaardiad zijn over de sulbsidiëring ener r.k P.M.S. in HoUandia, dat 'Wil zeggen in Noord-Nieiuw-Guinea, welks gekerstende bevolking protestants is? De missie was dan ook niet bij m'ieh, te om de eerste klas in septeünhet 1958 aUeen met roomse leerlingen t9 bezetten".

Mijnheer de Voorzitter! Wat hier floor Dr. Locher werd opgemerkt, is volkomen juist, geüjk bMjkt uit het antwoord van minister Toxopeus op de vragen van de heren Couzy, Diepenhorst en Patijn, Uit het daarbij overgelegde staatje toch is te zien, dat van , cte 58 leerlingen der r.k. P.M.S. te HoUandia er 10 protestants zijn. Verder zfen vidj er uit, dat van die 58 leerlingen er slechts

één

rooms4catholiek is uit HoUandia en omgeving. De andere r.k. leerlingen ikomiMi van !zeer verre afstanden:6 uit Merauke en omgeving, 12 uit Kokonao en omgeving, 22 uit Fak-Faik en omgeving, 14 uit Sarong en omgeving en 1 uit Biak.

In een artikel in , , Hervormd Nederland" van 27 februari 1960 wordt dieaaangaande nog vermeld, dat van die 58 leerlingen er zeker 13 even ver van huis zijn als wanneer de school in lowest» zich te Merauke ibevond, terwijl 42 anderen van 'hen dichter bij huis zouden zijn.

Mijnheer de Voorzitter! De zoeven door mij geciteerde ontboezeming van Dr. Locher staat niet op zichzelf. Zij r/m met vele andere te vermeerderen zijn-Wij zuUen het hierbij echter laten en thans enkele opmerkin^gen maken over het standpunt, dat door minister Toxopeus ten aanzien van deïze kwestie, die nog steeds zoveel beroering onder de protestanten in Nieuw-Guinea en Nederland verwekt, heeft ingenomen. i5it standpunt is bekend uit het door mij reeds gememoreende antwoord van de minister op de door hem met betrekking tot deze zaak gestelde vragen. In dit antwoord stemt de minister allereerst toe, dat een rooms-katholieke

primaire middelbare school

te HoUandia niet in de door zijn ambtsvoorganger wenselijk geachte spreiding van dit schooltype paste, miaar verder laat hij de zaak zoals zij is. Het hem gedane verzoek om de ten onrechte verleende subsidie in te tretkiken werd door 'hem afgewezen. De minister merkte op, dat die subsidie verleend as, dat 2Jm ambtsvoorganger haar niet gejóhrapt had, dat de school thans bestaat PQ leerlingen en ouders door sohrapping van het suibsidie bij gebrek aan een anjere direkte voorziening zouden worden gedupeerd.

yiraéeer de Voorzitter! Dit antwoord y0i de minister kan ons ailemiinst bevTedigen, evenmin als het standpunt, juor de heer Bruins Slot zoeven verjollct, namelijk dat volgens hem de subsidie niet kan worden iagebrokken. De jiinjster toch heeft zijn eigen veramtwoordelijMieid, weHoe meebrengt, dat een

verkeerde daad,

fg^ zijn anAitsvoorganger igepleegd, ioor hem behoort te worden hersteld. Pit is mogelijk doordat de verleende jiiisidie niet in één som is uibgekeerd, Biaar maandelijks, onder verantwooidelijMieid van de minister, wordt uitgeleerd. Het is toch buiten kijf, dat in deze zaak niet recht gehandeld is. Waar moet het heen, als het onrecht besten-(ügd wordt en men het toelaat, dat het protestants-ohristeüjk onderwijs in Nieuw-Guia-ea al meer en meer wordt achtergesteld bij het r.k. onderwijs? Dat dit nu reeds het geval is, bHjkt uit de „Open Brief", waarop ik zoeven 'de aandaoht vestigde. Hierin toch wordt de Kamer medegedeeld, dat de mogelijkheden voor voortgezet konfessioneel anderwijs in de huidige situatie, in procenten uitgedrukt, zo zijn, dat deze voor kinderen van protestantse voedingsscholen 48 pet. en voor kinderen van roomskatholieke voedtogsscholen 67 pet: bedragen. Mocht de r.k. missie een tweede P.M.S.-subsidie krijgen, dan zou het laatstgenoemde percentage zeHs tot 82 stijgen.

De toestand is dan ook nu al zo, dat, teruijl de zending o\'er

vijfmaal zoveel

kandidaten, afkomstig van dorpsscholen B, beschikt, het aantal plaatsen op de vervolgscholen van de zending slechts tweemaal zo groot is als bij de missie. Deze verhouding is absolvnit scheef.

Er zal dan ook bij de suibsidiërinig een andere maatstaf behoren te worden aangelegd dan nu gebeurt. Met de subsidiëring naar de maatstaf van ieder evenveel, van fifty-fifty, zoals men dat noemt, dient gebroken te worden. Er behoort in het vervolg sterker rekening te worden gehouden met de 'grote protestantse meerderheid der bevoUdng. Wij kunnen het ook niet met de minister eens zijn, dat door schrapping der utisidie de leerlingen en ouders gedupeerd zouden worden. Aan de missie is subsidie voor een P.M.S. te Merauke ; ezegd. Zij kan dus te Merauke zulk een , sc-hool oprichten. Zoafc reeds door "lij \\erd opgemerkt, zouden dan 42 .'an de 58 leerliogen dichter bij huis ajn dan nu zij de r.k. P.M.S. te Hollaobezoeken. Van dupering der ouders de leerün^n behoeft dus helemaal

geen sprake

* ziJTi. Wij zijn dan ook van oordeel, ^i. ter wille van het recht de subsidie ^ de r.k. P.M.S. te Hollands, alsnog Jenoort te worden ingetrolkkerL, en ma-«n van deze gelegenheid gebruik dit ïiet alle nadruk bij de minister te be-)leiten. Voorts achten wij het noodza-*l!jk. dat de minister zijn eigen plan-*fi ten aanzien van het onderwijs en K door hem te volgen richtlijn voor de wsidiëring aan de Kamer bekendge-"^kt, daar wij hieromtrent in volslagen duisternis verkeren. De minister ^ heeft over zijn eigen standpunt iKts lo.sgelaten in het zoeven gemeoio-•< *rde antwoord op de hem gestelde fragen.

Mijnheer de Voorzitter! Wij hebben bij de P.M.S.-'kwestie te HoUandia tamelijk lang stügestaan. Zij is ook van vibeimate groot belang, zoals het onderwijs op zichzelf voor Nieuw-Gninea van zieei groot ibelang is. Er is dienaangaande al veed gedaan, maar dit wü niet zeggen, dat er reeds voldoende onderwijsgelegenheid is. Uit hetgeen

Ds. Roemainoem,

voorzitter der Evangelisch^OhristeMjke Kerk in Nieuw-Guinea, hieromtrent de vorige week aan de pers beeft medegedeeld, blijkt wel zeer duidelijk, dat dit niet het geval is. Er is volgens hem dringend voorbereidend uinjversitair onderwijs nodig, dus sekundaire middelbare scholen. Ook aan lager en middelbaak vakonderwijs bestaat nog grote behoefte, alsmede aan scholen, die een opleiding igeven voor het leven in de dorpen, voor landbouwkursussen en maatsohappehjk dorpswerk.

Met het geven van allerlei soorten onderwijs zijn wij er echter nog niet. Het is van het aUergrootste belang, dat er voor ben, die onderwijs genoten hebben, ook 'betrekkingen beschikbaar komen. Handel en industrie zullen krachtig 'bex'orderd moeten worden, opdat er voor de bevolking bestaansmogelijkheden zullen zijn. De regering zal hierbij leiding 'behoren te geven en ontwikkelingsplannen moeten ontwerpen. Zo wees Ds. Roemainoem op de

rotan,

die OD Nieuw-Guinea in overvloed groeit! Jaarlijks worden «r duizenden rotanstoelen uit Singapore geïmporteerd. Deze zouden dus op Nieuw-Guinea gemaakt kunnen worden, wat velen werk zou verschaffen. Het scheppen van werkgelegenheid is dan ook één van de zeer voorname problemen. Het is nu al voorgekomen, dat jonge mannen, die naar de steden trokken om daar werk te zoeken en een bestaan te vinden, moesten worden teleurgesteld. Teruggekeerd in hun dorp, lopen zij dan werkloos rond, wat tot grote spanningen leidt.

Aan het vraagstuk der iverkgeilegenheid zal dan ook door de regerinig ten volle aandacht behoren te worden gegeven, zo\vel ten aanzien van de kultures als door het bevorderen van veehouderij, land-en tuinbouw, visserij en houtwinning. Wij erkennen, dat de

moeilijkheden

groot en vele zijn, maar deze mogen ons er niet van weerhouden om al het mogelijke te doen Nieuw-Guinea tot verdere ontginning te brengen, opdat de bevolking in staat zal zijn kraohtens het haar toegezegde recht van zeWbesohikking over haar status te beslissen. Ofschoon wij de bezwaren inzien van 't bej> alen van een streefdatum', waarop dit zou kimnen plaatshebben, zouden wij het toch wel zeer op prijs stellen, indien de regering 'hieromtrent enig perspektief zou kunnen openen, al zeggen wij nogmaals, dat hier grote moeilijkheden zijn, bovenal wel, omdat niet de mens, maar God aUe dingen bestuurt en de toekomst, die er verre van rooskleurig uitziet, niet in mensenhand, maar in Zifn hand is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1960

De Banier | 8 Pagina's

Begroting van Nieuw-Guinea

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken