Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

7 minuten leestijd

II

Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: ie is toch de meeste in het Koninkrijk der hemelen? En Jezus een kindeke tot Zich geroepen Jiehhende, stelde dat in het midden van hen; en zeide: oonvaar zeg Ik u: ndien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan. , Matth. 18 : 1-3

Ja, dat worden geJijk een kiod is beslist noodzakelijk. Want Christus zegt: „Voorwaar zeg Ik u: indien gij u niet verandert en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan".

„Indien gij u niet verandert". Dus we moeten veranderd worden. Dat kunnen wij zelf nooit. En toch zegt Christus, dat we het zelf moeten doen. Want de verantwoording blijft. Hoe dikwijls zegt de Schrift niet: „Bekeert u". De onbekeerde staat is immers een schuldige staat? We kunnen niet, maar we moeten toch. Zalige nood, dat te leren: te moeten en niet te kuniien. In die nood is er nog nooit iemand mee klaar gekomen, dat hij niet kan. De volle verantwoordelijkheid van de eisen Gods komen op hem af.

„Indien gij u niet verandert". Wat moet er dan veranderen? M'oet de volwassene dan weer een kind worden? Nicodfemus dacht, dat het zo moest. Maiar hij kreeg ten antwoord: „Wat uit het vlees geboren is, dat is vlees". Met weer een ikind te wordsn, daiarmee is de mens oiet gebaia: t, want de zonde woont ook in het kleinste kind. Al zouden we de kalender tot aan ons kinderleven terug kunnen zetten, wat zou het baten?

Neen, we moeten wordten (ds een 'kind. Want er staat niet in de Schrift hunner, maar dezulken is het Konuikrijk der hemelen. Niemand kan worden behouden omdat hij ©en kind is, maar die ©en kind gelijk zijn, idie worden behouden.

Als een kind te worden. Dat is moeilijk, van 's mensen zijde onmogelijk. Het ganse verdorven bestaan druist er tegenin. Dan moet een mens wat verliezen, om van groot klein te worden. Ja, zelfs de minste 'Oinder allsn, zoals Paulus dat zeide. Dat is geen kleinigheid, om van een groot mens een kind te maken. Dat kan alleen dte Geest Gods.

Als een kind, zo 'aanhankelijk, zo afhankelijk, zo eerlijk en z» vertrouwend. Maiar dan moeten we gebroken worden. 'Dan moet eigen wijsheid en eigen gerechtigheid en eigen dunk uit de handen vallen. Dan moet dé onwaiarachtigheid aan het licht komen. Dan moet de koning van zijn gewaande troon. Hij moet zijn kroon verliezen, die in het Paradijs is stuk gevallen, maar 'die hij zelf nog wat aan elkaar heeft gelijmd met wat deugden en plichten, waarvan hij nog een heimelijke grond maakt.

Een kind gehjk worden. Zeg maair: dat is sterven. Sterven aan eigen ©er, aan eigen deugd, aan eigen vroomheid, aan al wat met het woord „eigen" te maken heeft. De oude mens mioet sterven, en die oude mens, dot is de grote mens. De grote mens moet de dood in.

Hoe staat het er mee? Kent ge daar iets van? De weg naar de hemel begint in de ootmoed en ©imdigt ook daar. 2ie worden de minste. Zonder ^daarvan iets te beleven, kunt ge dat Koninkrijk niet ingaan. O onbekeerde zondaar, indien gij u niet verandert, indien gij u niet verandert!

Doch deze waiarschuwinig geldt evenzeer het volk van God, die evenals de discipelen hun hoogmoedig bestaan blijven omdragen. De discipelen waren er over bezig wie de meeste was in het Koninkrijk der hemelen. Maar toen ze er zo goed in stonden en om de ereplaats vochten in dat Rijk, toen ze dus dachten dat ze heel wat verder binnen waren dan ©en dorpelwachter, toen werden ze er juist buiten gezet. Wie zichzelf er fa zet, die zet God er buiten. Ze moesten eerst veranderen om er in te staan. Zij hadden getwist over de erfenis, m-aar het is alsof Christus zegt: „Nu zullen we het er eerst eens over hebben of ge ook in het testament staat". Want de Heere spreekt van een inigaan in dat Rijk. Ze moeten er nog mgaan en daartoe moeten ze bij vernieuwmg veranderd worden. Ingaan. En dat met al wat er aan hen was gebeurd. Verstaat ge dat, volk van God? Als ge er nu nooit eens buiten staat, zie het dan eens na bij uzelf, of ge er wel oodt m staat. Of moet ge niet duizendmaaü veranderd worden, aangezien ge uzelf er duizendmaal buiten zondigt?

Dat is nu de dagelijkse bekering van node te hebben. Dat is nu wat Paulus zegt: „Ik jaag er naar, of ik het ook grijpien mocht". Het blijft strijden om in te gaan door de enge poort.

De discipelen dachten: „We zijn er". En wie 'dat meent, 'die gaat zich ook verheffen boven anderen. Die 'gaat anderen verdringen en verstoten en wegslaan om de meeste te zijn met zijn natuur. (Doch de natuur kan 'het Koninkrijk Gods niet beerven. .Daarom, „fa'dien ge u niet verandert, ge kunt niet ingaan".

En zo moet ge, volk des Heer'en, nog wel duizendmaal veranderen, dat is: van groot klein worden; dat is: van uw natuur verlost, want die kunt ge niet meenemen in het Koninkrijk God'S. Zo moet ge te^lkens oog miaar begmnen, nog maar ingaan. Maar zulke buitenstaanders worden er nu juist faigezet. Armen maakt Hij rijk, missenden doet Hij bezitten, ong©lukkigen maakt Hij gelukkig, de nederigen worden door Hem opgericht.

„Als ik groot ben". iDat is de taal van een kind. 'En daarin erkent d!at kind, dat het nog niet is wat het zijn wil. O, zalige kindertaal dn het 'geestelijke leven, nog niet te zijn wat men zijn wil. Nogmas'ls Paulus: „Ik jaa'g er naar". Het is een zaak van "worden, en niet van zijn. Eerst aan gene zijde zal een kin'd van God 'gewoT'den zijn wat het zijn moet. Maar dan juist zxd hij nooit meer zichzelf, alleen God bedoelen. Daarin zullen ze allen de meesten, en tegelijk de minsten zijn.

En hoe woi-den ze van groot klein aan deze zijde? Op dezelfde wijze ak de discipelen. Als de weg van de Koning van 'dat Rijk, waarin zij zelf dfe ereplaatsen aJ verdeeld hadden, naar de diepte gaat. Als die Koning 'gaat sterven. Als ze geen zacht meer hebben op dat Rijk, als ze van •die Koning wegvluchten en Hem verloochenen. Ja, als zij zich er buiten zondigen. Als ze geleerd hebben dat zij niet anders kunnen 'dan .dat. Als ze dus hun rechten verlxM-en hebben op een plaatsje in dat Rijk.

Dan krijgen ze een stervende Koninig nO'dig. Een Koning, die van God verstoten is gewoiden, opdat onwaardigen bij God een plaats zouden ontvangen, al was het dan' m'aar de plaats van een dorpelwachter. Dan kunnen ze zichzelf tot de dienst van 'die Koning niet meer gorden. Dan m'oeten ze gegord worden, zoals een kind moet worden aangekleed en geholpen.

Wie 'dat 'leert, 'di© woodt 'de minste. Maar dan wordt er voor hem Eén de Meeste, en dat is Ohiistus, Die niets is geworden voor een volk, dat nog dacht iets te zijn. Hij 'allesn is de Meeste onder zijn 'broederen. En Hij schaamt Zich niet om de Zijnen broeders te noemen. 'Hoe walgelijk ze ook zijn in zichzelf.

Hoe dichter bij Hem, hoe lagei-aan de grond. 'Dan kunt ge alleen ingaan op rekening van Hem. Alles van Hem, niets van u.

Maar 'dezulken is het Koninkrijk der hemelen, want:

D’ eenvoudgien wil God steeds gadeslaan; 'k Was mfcgeteerd, maar Hij zag op mij neder. Keer, mijne ziel, tot uwe ruste weder; Gij zijt verlost; God heeft u welgedaan.

En zo moeten de kinderen niet op de 'leerschool der igroten, maar de groten moeten 'op de leerschool der kfa'deren. Dat is het hemels onderwijs van 'dit woord.

Zalig wie het leert.

Rampzalig wie het niet leert.

Bovenal, God wordt er door verheerlijkt.

Driebepgen.

Ds. F. Bakker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1960

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken