Bekijk het origineel

De defensie-nota

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De defensie-nota

12 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Verkorting diensttijd Legeroefenïngen op zondag

Rede van Ir. van Dis

II.

De vorig© week igaven wij het eerste gedeeilte van de rede, welke door Ir. van Dis bij de behamdelinig vaa die defensienota namens de fraküe der S.G.P. werd gehooiden. Hferonidler volgt het twaade of laatste gedeelte. Voordat we daartoe overgaan willen wij echter eerst nog even één en ander mededelen uit de rede van de mdnister van Defensie, Ir. Visiser, die slechts vergezeld was van de staatssekretaris van Marine, daar staatssekretaris Cahneyer wegens zaekte verhinderd was aan de dislaissies deel te nemen. Dit was wel jammer, want generaal Oalmeyer is uitersit deskundig op het gebied van de land-en 'hidbtmacht, welker behartiging hem is toebeifcrouwd. De miniisiter zelf gevoelde idit gemis en de Kamer ook, want hoewel de minister ongeveer 2^/4 uur sprak, bleven toch verscheidene hem 'gestalde vraigen onbeantwoord.

Eén van de belanigrijkist© punten welke bij de diskussi© ter sprake kwamen, had betrekking op de verkorting van de diensttijd. Door alle sprekers wend dit onderwerp besproken, wat begrijpelijk is, 'dlaar verkorting van diensttijd een begerenswaardige zaak is. De minister merkte echter op, dat verkorting van 'diensttijd slechts mogelijk is, wanneer zioh een voldoend aantal vrijwilligers zoor aaiimal'd'en, wat in ons land nieit zo gemakkelijk is in vergelijking met andere lan'den van de Noord A'tiantiscbe Verdraigs Organisatie of N.A.V.O., waarbij het percentage vrijwüü'gers bij de landistrijdkraohten varieert van 34% tot 55%. Vandaar dat - bijivooiibeeld ini België en West Duitsland de diensttijd korter kan zijn dan hier te lande.

Om nu de aanmelding voor beiroepsdienst aantrekkelijk te maken, beeft de regering een aantal maatregelen ontworpen zoals verbetering van de salariërin'g, verbetering van de sekundaire arbeidsvoorwaarden, waaronder het sohienken van bijzondere aandacht aan het huisvestingsvraagstuk en nog enkele meer. Op het verzoek aan de regering om de nieuwe salarisisohalen eerder dan I januari 1961 van kracht te laten worden, antwoordde de minister, dat hij hierover op dat moment zelf niet besiMssen kon, maar bereid was dezje kwestie in. de kabinetsraadi te bespreken.

Het aanstellen van ©en staaitssekrefairis voor de luchtmaoht, waarop van de ïrijidie dier K.V.P. ook nu weer was aangedrongen, wees de minister van die banid. Hij was van oordeel, dat staatssekretaris Calmej'er volledig in staat is de zaken van land-en luchtmacht te behartigen.

In antwoord op 'de vraag van Ir. van Dis of de minister bij de N.A.V.O. leiding wilde bepleiten, 'cfe-t er op zondag geen internationale 'legeroefeningen zullen plaats hebben, deelde de minister mede, dait hij' dit zoveel' mo, gelijk wilde bevorderen. Zijn antwoord •was dus niet botweg afwijzend^ m, aax de toevoeging „zo veel mogelijk" 'doet ons er niet erg gerust op zijn, dat ©r aan het houden van 'legeroefeninigen op aonidag een ©inde zal worden gemaakt.

In zake het instellen van een kursus als de oude hoofdkursus te Kampen, opdat de miogelijikh'eid zou worden geopend op lagere leeftijd tweede luitenant te wor-'den, merkte de minister op, dat hij de naidelen hiervan te igroot achtte, onder meer dat hiervoor investering öodiig is, terwijl 'het rendement omzeker is. Hij •vond, dat een hoofdkursus niet meer pas'te in het 'buidiige bestel. Aanoiaande het verkrijgen van Amerikaanse huln kon de minister > niOig zeggen in weBte mate die steun zal worden verfeeixi miaar wel 'stond het vdlgens hem vast dat die hulp verleend zal worden.

Met deze inleiding kunnen vsaj volstaan. zodat wij thans het tweede o-edeelt» van de rede van Ir. van Dis ovea-do defensienota 'laten volgen.

Mijnheer de Voorzitter!

Ook zouden wij de miinister "willen •vragen, of hij 'de mogelijkheid ziet om ^ Nederlandse diivis-ies aan te passen aan de orgaeisaiti'e^ die door de opperbevd-'hebber der landstrijdkrachten i'n G; ntraal Europa in 1959 als streefdoel „ aangageven. In de nota wordt dienaangaande vermeld, dat de regering hier. naar wil s'treven. Van militair-deskundige zijde v/ordt de m'O'geHjkheid tot uitvO'ering van dit - streven echter sterk betwist. Wat voorts de m'ededeün'g in ^ nota 'betreft, dat in bewapenmg en uitrusting van de parate eenheden in ds komende jaren in de eerste plaats

verouderd en versleten

materiaal vervangen rruoat worden, vooral wat betreft bepaalde series votartuigen en .gesch'ut, het 'geweer en het Mdite tankmiaiteiiaal, hiermede stemmen wij ten volle in. De bewapening en iritrustirijg der strijdkrachten zal toch geHjk» tr«d moeten houden met de ontwikkeling der techniek, die aan sterk© veranderingen onderhevig is. Het is in het •verleden maar al ta zeer de grote foii geweest, dat onze strijidJcrachten waren uitgerust m©t wapenen, die totaal warten

verouderd,

zodat, toen ons land in 1940 werd overvallen, d'cze manschappen niet op konden tegen de modem bewapende Duitse vals'cheiTn en luohtlandinigstroepen, Een herhaling hiervain (dient te •worden voorkomen. Het zou hoogst onverantwoordelijk zijn onze militairen het slachtoffer te laten worden van een niet naar behoren verzongde bewapermig. Uit 'de nota blijkt, dat ds regering zioh 'hiervan ten volle bewust is en 'dat doot haar naar

modernisering

der bewapening en uitruistiog wordt gestreefd. Van militair deskundige zijde wordt het echt'or als een leemte in de nota aan'gem'erkt, dait zij met betrekkiag tot dit punt tamelijk summier is. Zo schreef de militaire medewerker van , , Elsevieris weekblad" in het niumm« van 28 mei j.l., dat er in de nota ten aanzien •van de m'odemisierinig en de instandhoudinig van een weifoeMjk paraat leger niets nieuws "wordt medegedeeld. Wat 'hieromtrent in de oiota wordt •vermeld, werd reeds "voorheen in de toe-Kohitingen op diverse begrotinigen medegedeeld. Over een

tijdsbepaling,

waarbinnen de nodige gemeohaniseerde artillerie, 'gepantserde verkenningsauto's, verdragende •verbindingsmiddelen, zware 'helikoipters en nog vele andere zaken er zullen moeten zijn, laat d© niota ons al ©venzeer in het d^uister. Er wordt slechts in vermeld, dat er, gelet op < te afl'everingstij'd en de 'beperkte finan'ciële miiddelen, voorshands drie bataljons infanterie worden gam-echaniseard en €«" hoeveelheid halfrupsvoeituigen in de v^erkenningseenhaden wo'rden vervan-'gen. Het 'begrip voorshands is eohter zeer

rekbaar,

terwijl uit deze miediedöünig b'hjkt, dat er van de 'andere hoogst noodzakelijke voorzieningen in de komende drie jaren niets zal koimen. In de nota , vardt voo^rts verklaard, dat steun van (Je Aimerika^i^®® bondgenoot oiuiüisbaar is om alle voorzdeningen mogelijk te maken. Wij zouden gaarne van de ragejjuff \vïEen vernemen of haar reeds iets betend is aangaande de bereidheid van j^igrika cm ons de nodige steun te biejgn ^"0or de uitvoering van de in de nota alü noodzaJcelijk aangegeven maatregelen. Gezien het feit, dat er in de Verenif^de Staten beiihaaldelijk sterrunen opgaan om de

financiële

steun voor de defensie van West-Emxjpa te verminderen, daar men deze te hoog acht is er alle reden voor om te dezen niet zo optimastisoli te zijn.

Vervolgens is het ons opgevallen, dat in de nota wel voor - de zeemacht een sterkte v.'ordt genoemid en zelfs een gedetailleerd vernieuwingsschema wioirdt geformuleerd, maar niet voor ide land-en luchtmacht. Wij erkennen ten voEe de noodzakelijkheid van de

marine

zowel voor wat betreft taken in N.A.-V.O.-verband alis voor nationale staken, waartoe behoren het beschermen van de nationale zeescheepvaart buiten het X.A.V.O.-gebied, de verdediging van Suriname, de Nederlandse Antófen en Nederlands Nieuw-Gninea en het besohennen van^ de overige Nederlandse belangen, waar de regeiinig dit nodig acht. Wij zijn er dan ook beslist voor, dat aan de Marine de aandacht wordt oeo-even welke zij verdient. Wanneer men bedenkt, dat

slechts 20%

van de marinebegrotinig voor nieuwbouw beschikbaar is, dan is dit inder­ daad wel 'aan de zeer lage kant. Het is dan ook niet onze bedoeling krMetk te leveren op wat in de nota aangaande de noodzïaak van de opbouw der marine wordt vermeld. Wij willen slechts wijzen op het feit, dat, terwijl in de nota zo zeer de nadruk wx> rdt .gelegd op 'het grote belang van .een z» sterk mogelijk , , schild", zij, wat betreft de

land- en luchtmacht,

die toch voor een zieer belangrijk deel dit schild moeten uitmaken, zo uiterst vaag is op het stuk van de toekomstige sterkte en samenstellimg. Müitaire deskundigen hebben hierover naar het ons voorkomt te reoht hun-vesrwwraiddring uitgesproten. Zetfs werd dkxir sommigen himner gevraagd, of voor deze krijgsmachtdelen wellicht een stille devaluatie of inflatie plaats heeft, omdat handhaving van ds bestaands sterkte en uitrusting met modem materieel niet mogelijk is binmen de grenzen van het in de noita aangegeven idefensiepilafond. IMt defensieplafond' is inderdaad hoog. De uitgaven voor de defensie leggen een zware Lasit op ons volk. Zij 2Mliteni zelfs voor de eerstkomende drie jaar wederom m^et 200 miljoen per jaai worden verihoogd en zodoende tot

1850 miljoen

per jaar stijgen. Dit komt er op neer, dat 4, 67o van het nationiale inkomen voor 1961 en volgende jairen voor de defensie bestemd is. Toch is dit niog belanigrijk beneden het percentage, dat omstreeks 1950 tijdens de •oorlog in Korea voor de defensie werd besteed, namehjk 6%, terwijl sedertdien het nationale fakomen met ongeveer 50% is gestegen.

Wanneer voorts bedacht wordt, dat sedert de oorlog in Korea, Rusliaind in militair opzicht zoveel maobtiger is geworden, dat daar

25%

van het nationale inawmen voor de bewapening is bestemd, dïin z»u het wel hoogjst onverantwoordelijk zijn, op het door de regerirug gevraagde bedrag te beknibbelen. Wel 'kunnen ^n] 'niet nalaten, met alfe nadruk te bepleiten, dat de gelden ten behoeve dar defensie op de juiste wijze zuilen wonden besteed en dat ze zuinig zullen worden 'beheerd, waaraan volgens het laatste vei'slag van de

Algemene Rekenkamer

in het verleden nogai het één en ander heeft ontbroken.

Voorts 'zaïl er 'Op dienen te worden gelet, dat er geen ondeugdelijk of verouderd materieel voor zial worden aangeschaft en dat er met dat miateriëel niet roekeloos zal worden omgesprongen. Ook zal er voor behoren - te worden gewaakt, dat zich herhalinigen voordoen van v.nat zich bij de beruchte 'heknenaffaire heeft voorgedaan.

Een volgend onderwerp, waarover 'wij enkele opmiarkingen wensen te maken, betreft de

verkorting van de diensttijd.

Steeds 'zijn wij hiervan besliste voorstandersders geweest en 'dit zijn wij heden nog, aj staan wij tevens op het standpunt, dat 'dit niet mag : gesahi©den iten koste van de paraatheid van ons leger. Nu is over deze kwestie innaiddeils het rapport van de kommissie-van Voorst tot Voorst verschenen, terwijl uit de nota blij'kt, dat de regerirug zich daarbij in grote lijnen heeft aamgesloten. Dit komt er op neer, dat zij ^vel bereid' is, tot verkorttoig van de diensttijd met tviee maanden over te gaan, m'aar ailleen als het mogelijk - zal 'blijken een voldoend aantal

vrijwilligers,

zowel kort-^-enbandvrijwüligers als nadienenden, aan te trekken. Dit is in'derdaad wel zeer taleursteMend, daar bet toch de grote vraag is, of het wel mogelijk zal zijn vo'Idoende vrijwiliigers. aan te trekken.

De door de regering aangegeven maatregelen inzake het verbeteren der arbeidsvoorwaarden, waarbij nieuwe saiarissohalen met ingang van 1 janaiari 1961 zullen Worden ingevoerd, babben amze voile ins.tamnning, daar de huidige bszoldiginig van de beroepsmilitair beslist onvoldoende is, \vat O'.i. ook één der voornaamste redenen is dat er zulk een groot tekort aan bero'apspers'oneed is. Toch zouden wij de regering willen vragen, of het geen 'aanbeveling verdient, de nieuwe salarisschalen op een

vroeger tijdstip

te doen inigaan.. Met het oog op het •verkorten van de diensttijd, waarnaar door de diensitplach'tigen zwzeer wordt verlangd, zou dit wel zeer 'geiwenst zijn, daar het werven van, vrij'Wifligars er door zou worden bevorderd. Mede miet het oog hierop komt bet ons voor, dat het niet bevorderhj'k is voor het werven van kort-verbandvrijwdlligers om te bepalen, dat zij na zes jaar dienen niet in beroeps'dienst kunnen oveitgaan. Waar er zuiDc een igroot gebrek aan beroepspersoneel is, Mjkt ons een dergelij.ke bepaling niet juist.

Ook zou het onz^s inziens aallbe^'eliJnJg verdienen,

extra prestaties,

bijvoorbeeild in de 'bungeisetktor, te helonen, geüjk door de komimiissie-van Voorst tot Voorst in 'haar rappoirt ook is aanbevQiIen, maar door de minister in de nota ^^10^dt afgeweizen. Wij aobben dit vo< w ©en goede funktionering van het mildtaire apparaat niet tevoirderlijk, daar te vrezen is, dat 'goede krachten de miilitaice dienst zialien prijsgeven voor een rbetrekking m de bungermaatschappij, waar extra prestaties wel worden beloond.

Wij hopen aeer, dat de vooiigestelde maatregelen tot verlantiiKg van de diensttijd zullen leiden. De lanige diensttijd is toch voor de dieiistpl'icJitige militairen uiterst bezwaarlijk. Ook is het voor hen onaangenaam te moeten bedenken, dat de dirinsttijd in landen als België en West-Duitsland veel korter ds. Wij vragen ons dan ook af, of het niet mogelijk is, lan-gs andere weg tot verkorting van de diensttijd te komen, n.l. door een

algehele reorganisatie,

waardoor de nodige mankracht 'kan worden verm'inderd, terwijl de vuurkradht woidt gehandhaafd en de paraatheid niet wordt aanigetaist. Waar van mdlitadrdesknndige zijde een dergehjloe reorganisatie moegelijk en zelfs nodilg wordt geacht, bepfeiten wij, dat de regeiing ook in deze richting een oplossing zal zoeken voor de zo noodzakeHjike verksOTting van de diensttijd. Dat vooits de regering zal streven naar een verbetering van het

woonvraagstuk

en ook naar een verbeterinig van de vergoeding voor 'gesohedden gezinsleden. heeft onze voMe instemmiina. Wij achten dit goede maatregelen, welke meermalen drxtf ons werden bepleit.

Hetzelfde kan geziagd wo< rden van het voornemen der regeling jonge uitblinkende onderoffioieren, na een aanvullende middelbare-schoolopilieiiding financieel in staat te stellen via de Koninklijke Militaire Akademie

officier

te worden. Ook dit hebben wij hea-haaldeüjk voopgesttaan en het verheugt ons, dat de regering in haar nota heeft toegezegd, dat zij dit wil bevorderen.

Toch zouden wdj de minister wilten vragen, of het niet wenselijker zwu *zijn oon het systeem te volgen van de vroegere hcxrfdk'unsiuis te Kasmpen in haar laatste fase, waardoor het mogelijk zal worden, dat de ibetreffende ^onderofficieren op aanmerkelijk

lagere leeftijd

de ramg van tvveede-lukenant zouden kunnen verkrijgen dan volgens de weg, welke in de nota is aangegeven, waarbij zij volgens een pulblikatie van luibenantkotonel Dijkman deze ranig eerst op de leeftijd van 27 jaar kunnen bereiken.

Tenslotte wiiülen wij er hij de regering nog eens m'et alle nadruk op aandiringen, er bij de in(tenia'ti; jniaile legerleiding op te staan, dat er op

zondag

geen legeroefenin/gen zullen plaatshebben. Gonstantijn de Grote, de eerste christen-keizer van het uitgestekte Romeinse rijk moge de regering en de N.A.V.O.-leiding hierbij ten voonbeeld strekken, - daar het toch 'bekend is, dat deze keizer voor de nalevimg van het Goddelijke gebod inzake de eerbiediging van Gods dag opkwam en alle legeroefeningen op deze dag verbood.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1960

De Banier | 8 Pagina's

De defensie-nota

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 juli 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken