Bekijk het origineel

Plan Wilsveen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Plan Wilsveen

16 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van de heer D. Kodde

Met het oog op de bevolkingsaanwas van Den Haag en onmiddellijke omstreken, achtte het kabinet-Drees het nodig om maatregelen te nemen, teneinde die bevolkingsaanwas op te vangen. Na veel voorbereidende werkzaamheden kwamen de gemeentebesturen van Den Haag en enkele andere gemeenten, aangeduid met de naam: „Haagse agglomeratie" in 1958 met het plan tot vestiging van een satellietstad in de polders benoorden de spoorlijn Den Haag—Gouda, het plan-Wilsveen. Aanvankelijk leek het of dit plan wel zou aanvaard worden, doch al kort hierop kwamen van allerlei kanten zeer ernstige bezwaren naar voren. Niet alleen van de zijde der gemeenten, die bij dit plan zo nauw betrokken zijn, zoals Zoetermeer, Gouda, Delft, Alfen, Bodegraven, Leiden, Leiderdorp, Pijnacker en Woerden, maar ook van de kant van het Landbouwschap en zelfs van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland.

De regering zag zich hierdoor voor een moeilijke beslissing geplaatst. Om uit die moeilijkheid te geraken, nam zij zich voor te zijner tijd een wetsontwerp in te dienen met de strekking, dat er een bovengemeentelijk lichaam zal komen, een distrikt of stadsgewest, waarvan behalve de leden van de Haagse agglomeratie, ook Zoetermeer en Nootdorp zouden deel uitmaken, om dan gezamenlijk er over te beslissen of het plan-Wüsveen al of niet zal worden uitgevoerd.

Dit wetsontwerp is echter nog niet in het openbaar verschenen. Vooraf heeft de regering blijkbaar de Kamer willen polsen hoe zij over het plan-Wilsveen dacht. Daartoe werd door haar een nota aan de Kamer aangeboden, welke onlangs in behandeling kwam. Namens de fraktie der S.G.P. werd hierbij het woord gevoerd door de heer Kodde. Daar diens rede met repliekrede vrij lang is en dus tamelijk veel plaatsruimte vergt, zullen wij het bij deze korte inleiding laten en de rede laten volgen.

De heer Kodde sprak als volgt.

Mijrnheer de Voorzitter!

Alvorens het plan nader te bezien, wil ik mij bepalen tot de vraag welke strekking deze behandeling heeft.

Blijkens de memorie van toelichting op het hoofdstuk van binnenlandse zaken, bezitsvorming en publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, begroting 1959 (eerste bladzijde), was het de bedoeling de Staten-Generaal in te lichten en, naar mijn mening, niets anders en niets meer.

Nu schrijven de ministers op blz. 13 van de memorie van ant^ woord: „dat de Kamer na overweging van het bovenstaande bereid zal zijn de voor de stichting van een uitbreiding in het noordelijk gebied (Wilsveen—Zoetermeer) vereiste bestuursrechtelijke regeling in beginsel te aanvaarden"-Bij mij rijst de vraag, of wij voldoende zijn ingelicht om daaraan te voldoen.

Tegen het vormen van een

distrikt

heb ik geen principiële bezwaren. Integendeel, het kan bekend zijn, dat ik daarvoor wel heb gepleit, ten einde samenvoegingen van gemeenten tegen te gaan. Doch ik wil wel weten wat dat inhoudt en ik wil wel tevoren de strekking daarvan kennen alvorens mij, al is het dan zogenaamd „in beginsel", te verbinden. Het gaat nu niet alleen meer over de plaats, waar zal worden gebouwd en waarover al verschillende meningen zijn geuit, maar ook over de bestuurlijke vorm. Naar mijn mening is zelfs meer de nadruk gelegd op de bestuurlijke vorm dan op de plaats, waar de bouw zal plaats hebben.

Het geeft mij een wat onzeker gevoel. Dat gevoel is nog versterkt door de wetenschap, dat er toch reeds een voorontwerp is. Ik begrijp, dat er bezwaar is tegen overlegging daarvan, want het is nog in een geheim stadium, maar toch kan ik niet begrijpen waarom er in het geheel geen inlichtingen zijn verstrekt. Waarom zijn ons de hoofdzaken niet in de memorie van antwoord medegedeeld? Dan hadden wij althans in beginsel iets kunnen weten. Nu heb ik het gevoel, dat mij

„een kat in de zak”

wordt aangeboden. Uitdrukkelijk stel ik „aangeboden", want kopen doe ik die nog niet, want ik kan niet nagaan of die dienstig is voor het doel, waartoe ik die wil gebruiken. Nu wil ik mij bepalen bij de vraag of het plan, zoals het ons is voorgelegd, nodig is. De vraag, of Den Haag nog veel ruimte nodig heeft voor opneming van de bevolking en voor de nodige sanering, acht ik niet zo met zekerheid beantwoord en deze is ook niet met zekerheid te beantwoorden.

Over de woningbezetting is verschil van mening en toch blijkt wel van welk een grote invloed de raming daarvan is. Ook is er verschil van mening over de vraag of de bevolking van 's-Gravenhage toeneemt, ja dan neen. Het wordt daardoor toch wel zeer moeilijk om een beslissing te nemen, die gebaseerd is op een gedachte groei, en omdat er geen vastigheid is, dat die groei zo groot is, dat buitengewone maatregelen nodig zijn.

De heer A. J. M-Brugman, wonende in Den Haag, schrijft ons, dat „er in Den Haag reeds enkele jaren geen bevolkingsaanwas meer is", en grondt zijn bewering op statistische gegevens. Ook van andere zijde is mij zulks medegedeeld.

Nu wil ik wel erkennen, dat er vele faktoren zijn en kunnen zijn, die de groei van de bevolking van een gemeente kunnen beïnvloeden; vooral in de tegenwoordige tijd kan ook het ruimtetekort hierop van grote invloed zijn, maar de vraag mag toch wel worden gesteld of hetgeen nu in het voornemen ligt, voldoende grond heeft, als er geen

bevolkingsaanwas

meer is en niet te verwachten is, ook al zijn de mogelijkheden aanwezig. Volgens hetgeen de bewindslieden op de bladzijden 4 en 5 van stuk nr. 5534, nr. 4, vermelden, is het vraagstuk in het groeiprobleem van het ekonomisch centrum Den Haag gelegen.

Al stem ik gaarne toe, dat het steeds een tasten zal blijven, want wij vermogen niet in Gods raad te blikken, toch meen ik, dat wij wel zeer voorzichtig moeten zijn om ons beleid te gronden op iets, dat niet alleen onzeker is, maar waaraan op grond van bepaalde feiten wel een sterke twijfel moet bestaan.

Hier is iets geheel anders aan de orde dan wanneer een gemeente beslist een plan van uitbreiding te gaan uitvoeren, omdat er binnen de bestaande grenzen van die gemeente geen ruimte meer is. Ook dan kan wel de vraag rijzen „Hoe groot? ", doch dan is er toch meer een gewone gang van zaken, die gemakkelijker aan de omstandigheden kan worden aangepast, terwijl wij hier tot het verlenen van medewerking aan een buitengewone gang van zaken worden uitgenodigd. Als wij dit pad eenmaal zijn opgegaan, zal het niet gemakkelijk zijn het weer te verlaten.

Nu wordt meermalen gesteld, dat er voor Den Haag geen andere mogelijkheid meer is en dat er wat moet worden gedaan. Het zou er dan slechts om gaan, wat er moet worden gedaan. In verband daarmede wil ik als mijn mening te kennen geven, dat er wel een andere mogelijkheid is, een mogelijkheid, die echter door de ministers wordt afgewezen. Daarbij doel ik op de mogelijkheid het

vliegveld Ypenburg

op te heffen en dat terrein voor stadsuitbreiding te bestemmen. Er wordt ons op blz. 8 van stuk 5534, nr. 4, de memorie van antwoord, gewezen op de kosten en op het argument, dat dit vliegveld in het N.A.VO.-verband is ingevoegd. Beide argumenten mogen wij zeker niet als niet mede te tellen beschouwen.

Toch rijzen er wel vragen.

Eerst rijst de vraag: zal dat vliegveld kunnen blijven dienen voor het doel, waarvoor het nu bestemd is, als Wilsveen wordt gebouwd en als ook andere plannen worden uitgevoerd, zodat het als het ware in het midden van bebouwingen komt te liggen, ook al zijn die bebouwingen dan niet geheel gesloten? Zal de bestemming op de duur toch niet moeten worden veranderd?

Zal het verantwoord zijn

Wilsveen

in de onmiddellijke omgeving van dit vliegveld te bouwen; zal het althans niet van gevaar ontbloot zijn, daar te wonen? Afgezien van het gevaar zal het toch wel zeer onprettig zijn daar te wonen door het grote lawaai, dat door 't opstijgen van vliegtuigen verwekt wordt. Zal dat het aantal zenuwpatiënten niet doen toenemen? Wordt wel gedacht aan de huismoeders, aan zieken, aan ouden van dagen, aan kleine kinderen? Het is geen aanlokkelijke gedachte in een gevarenstrook te moeten verblijven en onder alle omstandigheden in het lawaai te moeten wonen.

Wat de kosten betreft, lijkt mij de schijn groter dan het zijn. Inderdaad is 40 miljoen een bedrag, dat is mede te tellen, en mogen wij maar niet doen of het niets is. Toch vind ik, als ik ga rekenen, dat het nog wel eens kon meevallen, als het alleen over de kosten zou gaan. De kosten zijn 40 miljoen. Dat staat op blz. 8 van de memorie van antwoord. De grootte van het terrein is 300 ha. Als ik dat uitreken, kom ik op een prijs van ƒ 13, 34 per m^. Mijnheer de Voorzitter! Het is mij niet bekend, of er andere omstandigheden zijn, die zouden beletten tot opheffing van dit vliegveld te komen. Ik weet niet, of er bepaalde verbindingen zijn. Ik heb echter uit de memorie van antwoord begrepen, dat de nadruk meer op het kostenvraagstuk werd gelegd. Daarom ben ik ook even gaan rekenen. Ik weet ook wel, dat het terrein voor de prijs, die ik noemde nog niet volkomen bouwrijp is-Er zullen nog straten, rioleringen en andere voorzieningen nodig zijn. Maar wat zal het terrein, waarop Wilsveen is gedacht, gaan kosten eer het zover is als het terrein, waarop nu Ypenburg ligt? Aankoop en ophoging zullen toch ook voor Wilsveen een aanzienlijk bedrag eisen.

Juist de

ophoging

acht ik wel de belangstelling waard. Bij een andere gelegenheid wil ik daar nog wel wat nader op ingaan, doch ik meen er in dit verband toch ook wel op te mogen wijzen, dat het niet verantwoord is te gaan bouwen op een peil, dat gelijk is met dat van de nu agrarische grond.

De afvoer van het afvalwater zou volgens een mededeling van de regering voor Wilsveen minder moeilijk zijn dan voor het plan-Reyens, maar het zal toch ook in Wilsveen niet toelaatbaar zijn het afvalwater zo in het binnenwater te lozen. Zuivering zal nodig zijn.

Doch, afgezien van dat alles, moet er rekening mede worden gehouden, dat de grondwaterstand voor een woning lager zal moeten zijn dan voor grond met een agrarische bestemming. Dat konflikt ligt in Wilsveen als het ware opgesloten. Dan denk ik nog niet aan de gevaren, welke een ligging op een laag terrein kan meebrengen in verband met toch nooit uit te sluiten dijkdoorbraken.

Nog een groot voordeel is er in het gebruik van het vliegveld gelegen, n.l. dit, dat dan niets kunstmatigs moet worden ondernomen, maar dat er voor Den Haag mogelijkheid komt om woningen te bouwen, welke nodig blijken. De natuurlijke groei kan dan doorgaan en het kunstmatige achterwege blijven. Niet alleen kan Den Haag natuurlijk groeien, maar ook Zoetermeer zal kunnen gaan uitbreiden. Ook Delft, Gouda en Leiden zullen kunnen gaan uitbreiden. Er kunnen ook daar wel enige bezwaren liggen in de hoogte, de ligging en de tegenwoordige bestemming, doch die bezwaren zullen niet zo wegen en gemakkelijker zijn op te lossen bij een wat minder geforceerde groei dan bij realisering van het plan Wilsveen.

Er schijnt vrees te zijn, dat Zoetermeer voor dat werk niet kapabel zou zijn. Ik meen, dat men ten onrechte deze vrees koestert. Het is mij gebleken, dat het gemeentebestuur van Zoetermeer wel bereid is, gebruik te maken van de kennis van de

technische dienst van Den Haag

voor zover dat nodig is. Dus ook dit kan niet als argument voor Wilsveen geiden.

Wat de bestuurlijke vorm be­ T treft, zal ik gaarne nader worden ingelicht omtrent het voornemen van de regering. Op blz. 7 van de memorie van antwoord wordt gesteld, dat de hier bedoelde oostelijke uitbreiding van Den Haag nog het voordeel zal hebben een eigen bestuurlijk leven te hebben. Het is mij wel duidelijk, dat het de bedoeling is Wilsveeiï een eigen bestuur te geven — iij kan die zin althans niet anders opvatten — maar het is mij niet duidelijk hoe dat zal kunnen worden bereikt.

Er zal, althans zo meen ik het te moeten zien, dus eerst een Wilsveen worden gebouwd. Dit zal nodig zijn om Wilsveen te kunnen bevolken. Zal er dan een eigen bestuur worden ingesteld? Hoe zal het dan gaan rnet die instelling? Hoe het ook zij, dat bestuur zal toch reeds voor een voldongen feit komen te staan wat betreft opzet en de reeds tot stand gekomen uitvoering. Aanlokkelijk en juist lijkt mij dit niet, maar het zal een gevolg zijn van de wijze van handelen. De invloed van de bewoners kan over datgene, wat er reeds is, niet meer tot gelding komen. Bij het kopen van een huis kan men ook geen invloed meer oefenen op de samenstelling, maar dan is de koper vrij het te aanvaarden, ja dan neen. Maar wil men niet onder een ander bestuur blijven, dan zal men in Wilsveen verplicht zijn het te aanvaarden zoals het is, met alle lusten en lasten.

Ook rijst wel de vraag als men Wilsveen gaat bouwen, hoe zij, die tot de regeling van de bouw geroepen worden, de nieuwe stad bewoonbaar zullen maken ten opzichte van het

kerkelijke leven.

In plaatsen, waar een geleidelijke groei is, kunnen die behoeften ook geleidelijk worden vervuld. Hier zie ik wel bezwaren. Tenzij, en dat zal naar mijn mening toch de praktijk worden, ook hier de groei geleidelijk wordt geregeld, maar dan door een andere instantie. Maar is het zo, dat die geleidelijk moet gaan, dan is er ook geen reden om geheel los van Zoetermeer te beginnen. Dan lijkt mij een uitbreiding van Zoetermeer de meer en de juist aangewezen weg. Maar hoe het bestuur ook zal worden gevormd en of de belanghebbenden de toestand rnfeer of minder aangenaam zullen vinden, het zal toch wel 'n feit zijn, dat er tussen Zoetermeer en Wilsveen weinig ruimte meer over is. Als ik dan zie, hoe ons menigmaal gevraagd wordt, onze goedkeuring te hechten aan wetsontwerpen, beogende de samenvoeging van gemeenten, welke dicht bijeen liggen en waarvoor als motief tot samenvoeging het dicht aaneengebouwd zijn geldt, dan meen ik, dat wij door Wilsveen te aanvaarden bezig zijn een toestand te maken, die tot samenvoeging, tot

opheffing van de zelfstandigheid

van Zoetermeer zal leiden. Ook om die reden is het plan voor mij niet aanvaardbaar. Laat Zoetermeer Zoetermeer, laat Zoetermeer uitbreiden. Laat het bestuur van Zoetermeer handelen, te meer daar het gedachte Wilsveen toch op grondgebied van Zoetermeer of althans voor een zeer groot gedeelte op grondge-­ bied van Zoetermeer gedacht is. Zo handelend, zo de gelegenheid schenkend aan Zoetermeer tot dat, wat het doen wil, zullen vele problemen, welke zich nu voordoen, niet naar voren treden. Het bestuur van Zoetermeer zal allengskens njet de nieuwe toestand medegroeien. De nieuwe inwoners zullen langzamerhand maar zeker hun invloed in dat bestuur gaan uitoefenen. De kerkelijke instellingen zullen met de groei uitbreiden en zich aanpassen, zodat die aanpassing minder kunstmatig zal zijn, waardoor er meer gelegenheid zal zijn, zich te richten naar wat in de praktijk nodig blijkt.

Nu is mij wel bekend, dat er een vrees is, dat het bestuur van Zoetermeer niet kapabel zal zijn, dit alles te regelen. Dat zal dan toch wel in het vlak moeten worden gezocht van het technische, want wat het bestuurlijke betreft, meen ik, dat het toch wel van 'n zeer eigenaardige mening zou doen blijken, als gemeend vrerd, dat personen uit grotere gemeenschappen beter in staat zouden zijn te besturen dan die van kleinere. Voor mij gaat het er om, of de overheid zich wil zien als

Gods dienaresse,

of zij Gods Woord tot richtsnoer wil nemen bij haar handelingen. Daar zie ik bestuurskracht in. Daarvan heb ik meer verwachting dan van het voortkomen uit een grotere gemeenschap.

Zoals ik reeds zeide, is er in Zoetermeer een geneigdheid, voor de technische uitvoering de hulp in te roepen van Den Haag. Op dat gebied kan er dus geen bezwaar meer leven; het zal dan geen verandering geven of Zoetermeer wordt uitgebreid — en op welke wijze dit eventueel zal gebeuren — dan wel of het Wilsveen moet heten. Maar ik acht wel een voordeel aanwezig, als Zoetermeer kan uitbreiden, wat de tijd betreft. Wilsveen zal toch niet kimnen worden gebouwd zonder medewerking van Zoetermeer. Het gemeentebestuur van Zoetermeer is toch nog steeds bevoegd op eigen gebied en niemand anders? Er zal toch een regeling, hoe dan ook, moeten zijn, wil er wat kunnen gebeuren? Op grond van een beginseluitspraak van de Kamer kan toch niet worden begonnen, gesteld dat die er komt. Er zal toch niet slechts een beginseluitspraak nodig zijn, maar een wettelijke regeling. Met klem wil ik er voor waarschuwen, niet met de uitvoering te beginnen alvorens er een

wettelijke grondslag

is.

Er bestaan dus bij mij wel bezwaren tegen het plan. Eerst meende ik te moeten stellen: tegen het voorstel, maar ook dat is eigenlijk een bezwaar, omdat er geen omlijnd voorstel is. Nu ben ik niet de enige, die bezwaren heeft, want uit wat in de bijlage bij het voorlopig verslag is vermeld, blijkt, dat ook Gedeputeerde Staten van Zuidholland een nieuwe stad niet nodig achten.

Aan de mening van een bestuurskollege hecht ik toch nog altijd groter waarde dan aan de sanktie van de een.of andere dienst. Daarin verschil ik vermoedelijk Wel van mening met de vele le­ den, vermeld op blz. 3 van het voorlopig verslag, rechterkolom, de tweede volzin van onderen, ten opzichte van de sanktie van de Provinciale Planologische Dienst.

Er is nog een mogelijkheid in het centrum van ons land. Delft en Leiden kunnen en willen uitbreiden. Zoetermeer heeft mogelijkheden; waarom dan nu de oplossing gezocht op de wijze, als in het plan ontwikkeld?

Mijnheer de Voorzitter! Hiermede meen ik duidelijk te hebben gemaakt, dat bij mij bezwaren bestaan tegen de gedachte om een nieuwe stad te bouwen en vooral ook tegen de wijze, waarop de Kamer voor een beslissing is gesteld.

Samenvattend, mijnheer de Voorzitter, betreffen mijn bezwaren:

1e. de bouw van een nieuwe stad; 2e. het niet gebruik maken van de mogelijkheid, welke opheffing van Ypenburg biedt; 3e. het niet of niet nadrukkelijk verlenen van medewerking aan Zoetermeer om op eigen terrein uit te breiden en de natuurlijke groei te laten doorgaan; 4e. het feit, dat ook in Delft, Gouda en Leiden de natuurlijke groei eer belemmerd dan bevorderd zal worden.

Nadat alle sprekers in eerste termijn het woord hadden gevoerd, kreeg de minister gelegenheid de sprekers te beantwoorden. Wat te verwachten was, werd door hem al het mogelijke gedaan om zijn standpunt te verdedigen, maar de meeste Kamerleden vermocht hij toch niet zo voor het plan te winnen, dat er een beslissing werd genomen. Alleen van de zijde van de Partij van de Arbeid, voor wie de heer Westerhout het woord voerde, kreeg hij stexm. De nota zelf werd echter niet eens voor kennisgeving aangenomen. Bij de replieken handhaafde de heer

Kodde

zijn standpunt in de navolgende

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1960

De Banier | 8 Pagina's

Plan Wilsveen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 november 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken