Bekijk het origineel

De Prijzenwet

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Prijzenwet

16 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van de heer D. Kodde

Ruim twee jaar geleden, dus nog onder het kabinet-Drees, werd door de toenmalige minister van ekonomische zaken, Prof. Zijlstra; een wet ingediend, welke de regering de bevoegdheid gaf zo nodig regelen te stellen inzake de prijzen van roerende goederen en diensten. De opvolger van mi­ nister Zijlstra, Drs. De Pous, heeft dit ontwerp gehandhaafd, al zag hij zich vanwege de aanvankelijke felle kritiek wel genoodzaakt om er een aantal wijzigingen in aan te brengen. Toch verschaft het aldus gewijzigde wetsontwerp, dat als wet in de plaats komt van de prijsopdrij- vings-en hamsterwet van 1939, aan de minister nog grote bevoegdheden, namelijk het uitvaardigen van maximmn prijsvoorschriften; het geven van voorschriften betreffende het voeren van een administratie, waaruit prijsvorming blijkt en het geven van voorschriften inzake de prijsaanduiding.

De minister verklaarde, dat hij deze wet nodig had ter bescherming van de ekonomische orde, welke bedreigd wordt door een proces van voortdurende inflatoire ontwikkeling. Nu is het wel zo, dat een prijsvoorschrift volgens deze wet afgekondigd, een jaar na de inwerkingtreding vervalt en dat jaarlijks aan de Staten-Generaal verslag zal worden uitgebracht over de toepassing der wet, en voorts is er ook beroep mogelijk voor een individuele ondernemer bij het kollege van beroep voor het bedrijfsleven, wanneer hem een ontheffing van een prijzenbeschikking wordt geweigerd, maar beroep tegen algemeen verbindende voorschriften is niet mogelijk.

De heer Van Leeuwen (V.V.D.) heeft nog een amendement ingediend om beroep bij de kroon tegen een prijzenbeschikking mogelijk te maken, doch bij de replieken trok hij zijn amendement in, omdat de minister enkele bezwaren daartegen had aangevoerd en toegezegd had, dat hij de kwestie van het beroep bij de kroon in de ministerraad aan de orde zou stellen. Het wetsontwerp werd dan ook behalve van de zijde der S.G.P. en een lid der V.V.D.-fraktie door de Kamer aanvaard.

Thans laten wij de rede volgen, welke de heer Kodde namens de S.G.P.-fraktie bij dit wetsontwerp hield.

De heer Kodde sprak als volgt:

Mijnheer de voorzitter!

Dat het geen gemakkelijk te regelen zaak is, die ons nu bezig houdt, is reeds uit de gewisselde stukken gebleken. De vraag, of het juist is, dat de overheid prijsregelend optreedt, acht ik niet zo gemakkelijk te beantwoorden. In geval van noodtoestanden zal de overheid regelend moeten optreden, ook al om de gevolgen van het kwaad, dat de zonde veroorzaakt tegen te gaan.

Een aantal Kamers van Koophandel en Fabrieken meldt ons, door middel van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Rotterdam:

„dat het denkbaar is, dat zich onder bepaalde omstandigheden uit een oogpimt van het algemeen belang onaanvaardbare prijsontwikkelingen voordoen, welke niet door middel van de globale instrumenten van financieel-, monetair-en fiskaalpolitieke aard kunnen worden tegengegaan of voorkomen. In deze gevallen kan" — aldus dat stuk — „naar de mening van onze Kamers, de noodzaak erkend worden, dat de regering beschikt over de bevoegdheid rechtstreeks in de prijsvorming in te grijpen. Bij deze erkenning moeten onze Kamers echter zekere aarzelingen overwinnen”.

Ook wij moeten wel enige aarzeling overwinnen alvorens de re­ gering de gevraagde bevoegdheid te verlenen. Wij ontkennen niet, dat er omstandigheden kunnen zijn, dat prijsregelend moet kunnen worden opgetreden. Daarbij denken wij inzonderheid aan omstandigheden van bijzondere aard, welke worden veroorzaakt door

rampen,

zoals dreiging van oorlog, van oorlog, maar ook door die, welke schaarste aan produkten ter bevrediging van de eerste levensbehoeften kunnen doen ontstaan, waardoor een regeling noodzakelijk kan zijn. Ook bij overstromingen kan een dergelijke situatie voorkomen. Nu vraagt de regering bevoegdheid tot het nemen van maatregelen, als het algemeen sociaal-ekonomisch belang dat haar oordeel vereist.

De omschrijving is meer bepaald geworden dan aanvankelijk was voorgesteld door „algemeen belang". De vraag kan rijzen of de nu gekozen omschrijving enerzijds niet te veel ruimte biedt, maar anderzijds te eng is.

Wat het laatste betreft, wil ik mij nog nader uitspreken over de intrekking van de prijsopdrijvingsen hamsterwet. Wat de eerste vraag betreft, ben ik niet gerust over de vraag of die omschrijving niet kan leiden tot een zodanig ingrijpen, dat er geen ruimte meer voor de ondernemer blijft en dat de prijsregeling, welke er van vraag en aanbod uitgaat, daardoor ook niet zo kan worden geschaad, dat de prijzen hoger blijven dan bij volledige vrijheid het geval zou zijn.

Zeer zeker is dat de bedoeling van de regering niet. Maar mijn vrees is, dat er mogelijkheden worden ontsloten, waardoor een diep ingrijpen kan plaats hebben, VvTaarvan niet alle gevolgen te overzien zijn. Nogmaals, ik meen niet, dat het in het oogmerk van de regering ligt om als het ware het gehele ekonomische leven aan banden te leggen, maar wij maken een wet; een wet met bevoegdheden voor de regering, niet voor deze regering, maar voor welke regering er ook ooit ons land zal besturen.

Het grote gevaar schuilt in het niet omlijnd omschrijven, wat — dat wordt erkend — moeilijk is, maar wat tot gevolg heeft, dat er een

zeer grote bevoegdheid

aan personen wordt verleend. Het persoonlijk inzicht van de bewindslieden, wie de bevoegdheid wordt gegeven, is van zo groot gewicht, dat er wel aarzeling is, die bevoegdheid te verlenen.

De minister acht de gevraagde bevoegdheden instrumenten van konjunktuurpolitiek. Dat erken ik zo te zijn, maar ik ben niet gerust op de hantering van die instnunenten in niet bekende handen. Diep ingrijpen is mogelijk en dat kan tot zeer vèr strekkende gevolgen leiden.

Nu kan worden aangevoerd, dat de maatregelen slechts voor één jaar zullen gelden.

Als ik echter het antwoord lees op vraag 13 in het verslag van het mondeling overleg, stuk nr. 12, dan acht ik die beperking, toch maar van zeer kleine strekking. Immers, de minister stelt, dat formeel wel de beschikking niet kan worden verlengd, maar dat wel een vervanging door een nieuwe beschikking met dezelfde inhoud mogelijk is. Ook wel maximaal voor een jaar, mijnheer de voorzitter, maar het zal mogelijk zijn, dat dan ook weer een nieuwe beschikking wordt gegeven, en waar blijft dan het tijdelijke?

Er is een gezegde, dat niets bestendiger is dan het tijdelijke, en ik vrees, dat dit gezegde ook in het onderhavige geval wel eens juist kan blijken te zijn.

Het enige voordeel, dat in het voorschrift schuilt, acht ik de noodzaak om opnieuw te moeten overwegen. Dit is inderdaad een voordeel, maar ook dan zal het afhangen van het persoonlijk inzicht van degene, die overweegt. Om die reden wordt de aarzeling wel groter. Daarbij heb ik wel in aanmerking genomen, dat de minister de bevoegdheden slechts als een ultimum remedium wil hanteren, maar mijn aarzeling is gelegen in het wettelijk stellen van die bevoegdheden in de handen van welke regering ook.

Nu zullen de Eerste en Tweede Kamer wel „het doen" kunnen beoordelen door in de Staatscourant na te gaan welke beschikkingen worden genomen en ook uit het verslag en de behandeling van de begroting van de bewindsman, maar ik vrees, dat wij dan wat achter het net zullen vissen en dat bovendien de Kamers moeilijkheden zullen ondervinden bij de beoordeling, omdat niet alle gegevens hun bekend zijn.

Ook de zogenaamde

adviesprocedure

acht ik geen voldoende waarborg. In de zienswijze van de regering past een formalisering van het overleg niet. Daartegen heeft zij bezwaren. Die bezwaren kan ik mij ook wel indenken, want het is een diep ingrijpen, dat op bezwaren zal stuiten, en dat formaliseren zou, volgens de zienswijze van de regering, haar te veel kunnen binden.

Maar blijkt daaruit dan niet zeer duidelijk, dat wij zeer vèr strekkende en ook persoonlijke bevoegdheden geven?

Dan is er een aarzeling, omdat de minister de mogelijkheid van beroep slechts stelt bij een afwijzing van een verzoek om ontheffing. Nu stelt de minister wel in de memorie van antwoord, dat het niet openstellen van beroep tegen een algemeen verbindend voorschrift niet betekent, dat de betrokkenen zich bij een met de wet strijdig voorschrift zouden hebben neer te leggen, doch slechts dat zij de rechtsgeldigheid daarvan bij de rechter eerst kunnen bestrijden ter gelegenheid van een in verband met de toepassing van dat voorschrift aanhangig geworden procedure.

Ook in het antwoord op vraag 18 is, blijkens het verslag van het mondeling overleg, stuk nr. 12, door de minister gesteld, dat een uitzondering zou worden gemaakt op de gewone regel.

Ook ik meen, dat wel voorzichtigheid nodig is ten opzichte van het stellen van de mogelijkheid van beroep, doch ik acht, dat het ook bezwaren medebrengt om te stellen: goed, als u niet akkoord gaat met de getroffen maatregel. dan overtreedt u die maar en dan zal de rechter wel uitmaken, wie ongelijk heeft. Dat acht ik ook een bedenkelijk geval, want dat werkt niet de eerbied in de hand, die algemeen, voor algemeen hhx. dende voorschriften nodig is. Bovendien kan ik mij wel indenken, dat zich gevallen kunnen voordoen, waarbij toch wel zeer ernstige gevolgen voor de betrokkenen uit het voorschrift kunnen voortvloeien, terwijl toch niet kan worden gesteld, dat het in strijd met de wettelijke bepalingen zal zijn.

En, voor zover ik meen te kunnen beoordelen, zal de rechter toch slechts het voorschrift aan de wet kunnen en mogen toetsen en niet aan de meer of mindere doelmatigheid.

Om die reden zal ik ook gaarne het ons op stuk nr. 16 reeds medegedeelde amendement van de geachte afgevaardigde de heer Van Leeuwen steunen. Daardoor kan een

aarzeling

ten opzichte van dit wetsvoorstel worden weggenomen, want dan acht ik, dat althans iets van de bezwaren tegen te grote persoonlijke bevoegdheden wordt te niet gedaan.

Door de toepassing van de bevoegdheden, welke er ook nu zijn, is wel gebleken, dat het niet de bedoeling is, alles te regelen, maar ik vrees wel, dat, als deze wet wordt aanvaard en in het Staatsblad staat, spoedig kan worden gekonkludeerd, dat die bevoegdheden ruimer zijn dan voorheen en dat dus ook een ruimer gebruik mogelijk is.

Het lijkt mij, dat het geven van algemeen bindende voorschriften, behalve in noodtoestanden, door één of door meer personen, zonder de mogelijkheid van beroep, vermeden dient te worden, ook al is er dan uiteindelijk de rechter, die zal uitmaken of het voorschrift volgens de wet is of niet.

Dat de doelmatigheid niet kan , y/orden getoetst, is een bezwaar, "maar gesteld, dat de rechter dat zou kunnen en mogen doen, acht ik het nog een bezwaar, dat zulks aan de rechterlijke kolleges wordt overgelaten, ook al kan ten slotte de Hoge Raad de einduitspraak hebben.

De beoordeling van de doelmatigheid kan m.i. beter aan de kroon zijn dan aan een rechtsprekend kollege.

Mijnheer de voorzitter. Ik wil een enkele opmerking maken over de naar mijn mening bestaande mogelijkheid, dat de omschrijving van de bevoegdheid te eng is, te weinig ruimte tot handelen geeft. Dat lijkt, bij de bestrijding van die bevoegdheid vooraf, misschien wat vreemd, doch ik héb daarbij het oog op geheel andere omstandigheden dan min of meer gewone.

Wanneer wij de toestand zien, waarin ons land, waarin de gehele wereld verkeert, dan kunnen wij ons wel afvragen: wat is gewoon?

Maar al te duidelijk blijkt, dat het waar is: „Die God verlaat, heeft smart op smart te vrezen". Dat is van de zijde van de S.G.P. al menigmaal naar voren gebracht. Helaas, wij moeten vaststellen, dat de oplossing van alles wordt verwacht van het mense- lijk kennen en kunnen en dat er geen oog voor is, dat aan het houden van

Gods geboden

grote loon is verbonden, niet alleen persoonlijk, maar ook voor een land en volk. Toch meen ik, dat er omstandigheden kunnen ontstaan, nog zo anders dan waarin wij nu leven, waarin de overheid over zeer vèr strekkende bevoegdheden moet kunnen beschikken.

In geval van oorlog en bedreiging van oorlog, bij het vóórkomen van rampen kan een neiging ontstaan om goederen in te houden en de prijzen van de goederen, die worden vrijgegeven, hoog op te drijven. De geachte afgevaardigde, de heer Hazenbosch, heeft hierop ook al gewezen in verband met het hamsteren.

Bij mij rijst dan ook de vraag of de bepalingen die nu in de prijsopdrijvings-en hamsterwet staan, wel kunnen worden gemist. Ik erken, dat die wet niet is gemaakt om te doen wat nu in de bedoeling ligt, maar ik meen toch, dat het wenselijk kan zijn over die voorschriften te beschikken als zich een calamiteit voordoet. En daarvoor is die wet indertijd toch ook gemaakt?

Het is mogelijk, dat de regering meent, dat het nu voorgestelde wel in die bezwaren voorziet, te meer omdat in artikel 7 de bepaling voorkomt, dat nadere regeling kan geschieden bij geen algemene maatregel van bestuur. Afgezien nog van de bezwaren, die er tegen een dergelijke bepaling in het algemeen zijn — zoals reeds is gebleken en waarover, naar ik meen te weten, nog nader zal worden gesproken — meen ik, dat de algemene maatregel van bestuur toch niet meer dan een nadere regeling kan geven en niet kan regelen wat niet in de wet is vermeld.

Nu kan het zijn, dat de regering de omschrijving „algemeen sociaal-ekonomisch belang" zó opvat, dat ook die gevallen er onder vallen, maar ik meen bij de regering toch wel een neiging te hebben bespeurd tot een meer omschreven bevoegdheid, die is afgestuit op de vrees, dat daardoor geen voldoende waarborg aanwezig is, dat er dan geen zaken buiten kimnen vallen, waarvoor de bevoegdheid wordt verlangd. Ik meen, dat de mogelijkheid tot handelen bij calamiteiten niet in het voorstel is opgenomen en dat het nodig is, als genoemde wet wordt ingetrokken, opnieuw bepalingen te maken ter regeling van de bevoegdheid in die gevallen, waarvoor de prijsopdrijvings-en hamsterwet is bedoeld. Het is beter die wet niet in te trekken alvorens er iets anders voor in de plaats is gesteld.

Bij de replieken hield de heer Kodde de volgende

REPLIEKREDE

Ik wil slechts koi-telijk nog een drietal punten bespreken. In de eerste plaats de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen te stellen. Met de minister kan ik instem-•nen, dat de omschrijving in het voorstel slechts toelaat nadere regelen te stellen en dat, aldus gesteld, het niet buiten de gewone regelen gaat om de mogelijkheid daartoe te openen. Daarom wil ik mij, gezien deze beperking, in dit geval bij dit voorstel niet tegen de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur nadere regelen te stellen verklaren, want het komt mij voor, dat de bevoegdheden daardoor nauwelijks groter kunnen zijn dan zij op het ogenblik zijn. Ik meen niet, dat het veel scheelt of wij dit nu laten doen bij algemene maatregel van bestuur of bij algemene beschikking, maar — en dit leidt mij tot het tweede punt — daardoor is nog wel duidelijker gebleken, dat de mogelijkheid tot het instellen van beroep tegen de algemene beschikkingen nodig is.

Ik ga thans niet over een aangekondigd, nog niet ingediend en toch op het ogenblik niet meer aanwezig amendement spreken, maar u zult mij toch wel toestaan, dat ik nog een ogenblik spreek over de noodzaak van het hebben van een beroepsinstantie. Ik wil dan opmerken, dat ik bij mijn mening blijf, dat een

beroepsmogelijkheid

nodig is. Nog daargelaten mijn bezwaar, in eerste instantie genoemd, om langs de weg van een procedure, dus langs de weg van overtreding, een beslissing van de rechter te verkrijgen, kan deze, hetgeen ook door de minister is gezegd, alleen over de vraag van rechtmatigheid gaan. De beoordeling van de doelmatigheid blijft dus alleen ter beschikking aan de Staten-Generaal. De minister acht, dat, wanneer beroep op de kroon wordt ingesteld, de Raad van State niet in staat zal zijn, de doelmatigheid te beoordelen — dit meen ik althans te hebben beluisterd — wegens gebrek aan gegevens, welke de minister put uit soms geheime stukken. Gaarne erken ik die moeilijkheid, maar onoverkomelijk acht ik haar niet. Voor mij geldt wel het bezwaar, dat, als de Raad van State het niet zal kunnen doen, dan ook de Staten-Generaal het niet zullen kunnen doen. De Kamers zullen ook niet alles kennen en geen inzicht kunnen krijgen m geheime stukken. Het lijkt mij toe, dat de partij, die voor de Raad van State zal komen, gemakkelijker opening van stukken zal kunnen geven dan aan de Kamers der Staten-Generaal, als het ware vóór het forum van het volk in de Kamer. De belanghebbende zal aldaar overlegging van stukken naar mijn mening minder bezwaarlijk achten, dan aan de Kamers der Staten-Generaal. De minister acht de mogelijkheid van beroep tegen een algemeen bindend voorschrift een novum. Dat erken ik. Door de geachte afgevaardigde de heer Van Leeuwen is reeds aangetoond, dat er verschillende juristen zijn, die dat erkennen. Het is niet de gewoonte, bij dergelijke algemeen bindende voorschriften een beroep bij de kroon mogelijk te maken. Ik meen echter, dat wij hier ook iets bijzonders hebben. Ik meen, dat deze wetgeving iets bijzonders is, en daarom meen ik ook, dat wij dan wel iets anders kunnen hebben dan gewoonlijk.

De minister meent, dat er onze­ kerheid door kan worden gewekt, wanneer een beroepsmogelijkheid wordt opengesteld. Ik kan dit in zeker opzicht beamen. Uiteraard zou men kunnen zeggen: Welk recht is er nu geldig ten tijde van het beroep? Ik meen echter, dat het toch wel mogelijk is een beroepsmogelijkheid te openen, zodanig, dat, zolang niet anders is beslist, de beschikking geldig blijft. De

onzekerheid

zou dan m.i. zijn weggenomen. Gaarne erken ik, dat zulks ook niet feilloos is, maar ik heb liever dat dan niets.

Ik heb reeds in eerste instantie gezegd, dat er bij ons een aarzeling was ten opzichte van dit wetsontwerp en dat die aarzeling zou kunnen worden overwonnen, wanneer er een beroepsmogelijkheid was. Nu twijfel ik niet aan hetgeen de minister heeft toegezegd, maar ik twijfel wel aan de tijd, waarin dit zal worden ver­ wezenlijkt. Ik heb er wel enig bezwaar tegen, een bepaling te aanvaarden, waaraan eigenlijk nog gebreken kleven. Daarom rijst bij mij de vraag, of het juist zou zijn, dit wetsontwerp te aanvaarden, wanneer de mogelijkheid tot beroep niet voldoende in het wetsvoorstel is vastgelegd.

Als derde punt wil ik nog iets zeggen over het ontbreken van bepalingen tegen het hamsteren, of liever tegen het ontbreken van de bepalingen, die nu in de prijsopdrijvings-en hamsterwet voorkomen. De maatregelen, die op grond van die wet kuimen worden genomen, steunen m.i. op andere belangen dan op het alge meen sociaal-ekonomisch belang, hoewel dit laatste ook een zeer ruim begrip is. Nu zal in een noodtoestand wel vlug kunnen worden gewerkt, maar waarom kan die wet nu niet worden gehandhaafd of een soortgelijke maatregel in een nieuw wetsontwerp worden vastgelegd?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1960

De Banier | 8 Pagina's

De Prijzenwet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 december 1960

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken