Bekijk het origineel

REPLIEKREDE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

REPLIEKREDE

8 minuten leestijd

uitsprak:

Mijnheer de voorzitter. Bij deze replieken wens ik allereerst enkele opmerkingen te maken met betrekking tot het toelatingsbeleid van spijtoptanten, waaraan de minister gisteravond een zeer groot gedeelte van zijn rede heeft besteed. De minister heeft er op gewezen, dat er onder het laatste kabtnet-Drees, dus door minister Samkalden, niet zoveel voor de toelating van spijtoptanten is gedaan als onder het huidige kabinet. Wij kunnen het hierin met de minister geheel eens zijn, gelijk ook reeds blijkt uit de rede, welke door mij in eerste termijn werd uitgesproken en waarin wij hebben aangetoond dat thans niet meer over de kwestie der spijtoptanten had behoeven gesproken te worden, wanneer het vorige kabinet ten aanzien van de spijtoptanten een royaler beleid had gevoerd dan het heeft gedaan en het ook overeenkomstig zijn

morele verantwoordelijkheid

verplicht was. Van zulk een beleid was echter helaas geen sprake. Dit blijkt uit het feit, dat meermalen tot de vorige regering bij de behandeling van de begroting van justitie door onderscheidene Kamerleden het verwijt is gericht, dat er met de behandeling der visumaanvragen van spijtoptanten maar al te zeer werd getraineerd. Minister Samkalden wilde echter van geen ruimere toelating weten. In de vergadering dezer Kamer van 13 november 1958, dus nog niet zo heel lang geleden, verklaarde hij, dat de toelating van spijtoptanten in Nederland ook in de naaste toekomst beperkt zou moeten blijven en voorts dat in verband met de beperkte mogelijkheden om spijtoptanten op te nemen niet te ontkomen viel aan een toelatingsbeleid op de grondslag van een individuele selektie. Sedertdien is onder het huidige kabinet ontegenzeglijk verbetering ingetreden. Het aantal spijtoptanten, dat in 1959 in Nederland werd toegelaten, bedroeg 2000, voor 1960 zal dit aantal op ca. 2400 worden gebracht. Wij zijn de minister voor deze verruiming erkentelijk, maar wij moeten er toch onmiddellijk aan toevoegen, dat wij er niet door voldaan zijn. Wanneer het nu zo was, dat er tussen Indonesië en Nederland goede verhoudingen bestonden, en dat er van de zijde der Indonesische autoriteiten, der Indonesische werkgevers en van het Indonesisch publiek tegenover de spijtoptanten over het algemeen een welwillende houding werd aangenomen, dan zouden wij het niet direkt zo noodzakelijk vinden om een verruiming van deze toelating en een snellere afwerking van visumaanvragen te bepleiten. De verhouding met Indonesië is echter

allerminst

goed te noemen en van een welwillende houding tegenover de spijtoptanten is — wellicht op enkele uitzonderingen na — geen sprake. Dat bewijzen de berichten, die van de zijde der spijtoptanten tot ons doordringen, meer dan overvloedig. De minister heeft gisteravond wel enkele gevallen naar voren gebracht, waaruit zou moeten bhjken, dat de nood der spijtoptanten lang niet zo groot is als wordt opgegeven, maar het komt ons voor, dat die enkele gevallen geen norm mogen zijn om de noodtoestand, waarin de spijtoptanten zich over het algemeen bevinden, te verkleinen of betrekkelijk te maken. Op duizenden gevallen zullen er allicht enkele tientallen zijn, waarop aanmerkingen gemaakt kunnen worden, als door de minister werd gedaan. De minister wees er ook op, dat er aanvragen binnen zijn gekomen, waarbij als reden voor vertrek naar Nederland werd opgegeven, dat men een chef kreeg uit de autochtone bevolking, of dat men inwoning van autochtonen kreeg. Zo zonder meer zou men de indruk kunnen krijgen, dat de betreffende spijtoptanten aan rassendiskriminatie doen, maar is dit wel een juiste konklusie? Wij menen van niet. Het komt ons voor, dat inwoning van z.g. autotochtonen of het krijgen van een chef uit de zogenaamde autochtonen niet op prijs werd gesteld en men daarom uit Indonesië weg wil, omdat men het gevaar ducht, dat men daardoor als spijtoptant botsingen van allerlei aard kan verwachten. Nu heeft de minister te kennen gegeven, dat hij bereid is een bijzondere kommissie van advies in te stellen, die alle gevallen zal bekijken, waarin het departement overweegt geen visum te verstrekken. De mogelijkheid daartoe werd reeds in de memorie van antwoord overwogen, doch thans heeft de minister de instelling dezer kommissie konkreet toegezegd, terwijl, als ik het goed heb begrepen, de minister aan deze kommissie ook de bevoegdheid wil toekennen van het geven van advies over de richtlijnen inzake de toelating. Indien dit zo is, mijnheer de voorzitter, achten wij dit een belangrijke verbetering, daar de

bestaande richtlijnen

allerminst reden tot tevredenheid geven. Wij zijn dan ook de minister voor de instelling dezer kommissie erkentelijk, maar - wij •mllen anderzijds toch ook niet verhelen, dat wij van deze kommissie niet al te grote resultaten verwachten. Als beroepsinstantie kan zij wellicht goede diensten bewijzen, maar wij achten het bovendien nodig, dat het toelatingsbeleid wordt verruimd, wat alleen mogelijk is, als de thans geldende richtlijnen zodanig worden gev/ijzigd, dat de kriteria worden verruimd. Aangezien dit wordt beoogd door de ingediende motie van de heer Van Doom, heb ik daaraan door ondertekening gaarne mijn steun gegeven. Ik bepleit bij de minister tegenover deze motie een welwillende houding te willen aannemen.

Mijnheer de voorzitter. Overgaande tot een ander onderwerp, waarop de minister is ingegaan, zou ik thans een en ander willen opmerken met betrekking tot de

doodstraf.

Uit het antwoord van de minister is wel duidelijk geworden, dat van hem geen voorstel tot wederinvoering van de doodstraf is te verwachten. Dit wordt door mijn fraktie ten zeerste betreiurd. Het staat voor ons toch vast, dat het de dure plicht der overheid is om, gedachtig aan het Schriftwoord: „Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door de mens vergoten worden, want God heeft de mens naar Zijn beeld gemaakt",

het begaan van moord, wanneer het bewijs daarvan vaststaat, met de dood te straffen. Dat is voor ons het zwaarst wegende motief om de wederinvoering van deze straf te bepleiten. Daarnaast zijn wij van oordeel, dat van de doodstraf ook een afschrikkende werking uitgaat. In eerste instantie heb ik hierop reeds gewezen. Thans wil ik dit nog nader bewijzen aan de hand van het boek van Robert Fabian, de vermaarde oud-superintendant van Scotland Yard, onder de titel: „Inspecteur Fabian van Scotland Yard", een boek, dat door de Nijmeegse politiekommissaris Mr. F. Prick, werd vertaald en bij de uitgeversmaatscliappij Sijthoff in 1955 werd uitgegeven. Dit boek is geen roman, ook geen stuk sensatie, maar een boek, waarin sober en zakelijk wordt weergegeven hoe de politie in een wereldstad op wetenschappelijk-exacte wijze haar moeilijke taak vervult. Uit dit boek blijkt dan, dat de Engelse ervaring heeft geleerd, dat de exekutie van doodstraffen onvermijdelijk is ter

beteugeling

van de misdaad. Toen een uiterst brutale bende, die zich bezig hield met roofmoorden, alleen maar werd berecht met min of meer langdurige vrijheidsstraffen, hield zij daarmede niet op. Het roof- en moordbedrijf ging lustig door. De in de gevangenis vertoevende leden werden spoedig vervangen en hernamen na hun invrijheidstelling him oude plaats in de bende. Toen echter enkelen van hen wegens recidive ten slotte werden opgehangen, loste de bende zich op en verdween zij uit de cirkulatie.

Dit voorbeeld, dat met andere voorbeelden zou kunnen worden vermeerderd, doen ons wel duidelijk zien, dat van de doodstraf zeker een afschrikkende werking uitgaat.

Wat ten slotte de opmerking van de minister betreft, dat het voor hem de grote vraag is of het overeenkomstig de Bijbel is, dat de overheid jeugdige personen van 18 jaar wegens het plegen van moord ter dood zou mogen brengen, zoals dit onlangs in Engeland is geschied, zou ik de minister v/illen aanraden eens na te lezen wat v/ordt vermeld in

Deuteronomium 21

aangaande jeugdige personen, die zich misdragen, waarbij het nog niet eens gaat over het plegen van moord. Het is dan ook wel opmerkelijk, dat onbevangen jeugdige personen, die nog niet van allerlei humanistische theorieën zijn verzadigd, de doodstraf op de beide jeugdige Engelse misdar digers hebben goedgekeurd. Uit de pers, n.l. „De Telegraaf" van 11 en 18 november j.l., bleek onlangs zelfs, dat ruim tweederde van de ongeveer 200 dezer „teenagers" het toepassen van de doodstraf in dit geval rechtvaardig vonden, terwijl 50 pet. daarbij tevens de wederinvoering van de doodstraf in Nederland bepleitte. En niet alleen jongeren, maar ook oudere personen, on­ der wie ook, die steeds t^en invoering van de doodstraf waren, hebben zich kort geleden in de pers vóór de invoering van deze straf verklaard om een einde te maken aan de golf van misdaad, waardoor ons land de laatste maanden werd geteisterd. Ook onze fraktie ontving brieven, waarin ons met alle klem werd verzocht, bij de regering de wederinvoering van de doodstraf te bepleiten. Wij hebben dit thans gedaan, maar, helaas,

zonder uit de Kamer

enige steun te ontvangen, terwijl ook de minister niet bereid bleek, een voorstel daartoe aan de Kamer te doen of toe te zeggen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1961

De Banier | 8 Pagina's

REPLIEKREDE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken