Bekijk het origineel

Ontwerp-Mammoetwet

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Ontwerp-Mammoetwet

4 minuten leestijd

Op 29 oktober 1958 diende de tegenwoordige minister van Onderwijs, Kimsten en Wetenschappen, Mr. Cals, bij de Tweede Kamer een wetsontwerp in, dat betrekking heeft op het voortgezet lager onderwijs — dit is het onderwijs tussen het gewoon lager en het universitaire onderwijs. Het bevat derhalve regelingen inzake het voortgezet lager onderwijs, het uitgebreid lager onderwijs, het middelbaar en voorbereidend hoger onderwijs, waaronder de HBS en het lyceum en gymnasium vallen, het nijverheidsonderwijs, het kweekschoolonderwijs, de opleiding voor kleuterleidsters en nog enkele nieuwe, tot nu toe niet in de wet geregelde vormen van onderwijs, zoals het landbouwonderwijs. Het is dus een wetsontwerp van zeer omvangrijke strekking, vandaar dat men er gewoonlijk de naam Mammoetwet aan geeft. Niet zodra was dit wetsontwerp ingediend, of er werd een stroom van kritiek op uitgebracht, vooral van de zijde van het protestantschristelijk onderwijs. Er werd in oktober 1959 uit die kringen een adres aan de Tweede Kamer gericht, terwijl er in mei 1960 een massaal appèl plaats vond in het Concertgebouw te Amsterdam, met het doel een krachtig protest te doen uitgaan tegen grondslag en inhoud. Eén der bezwaren tegen de grondslag was, dat men er een aanslag in zag tegen de vrijheid van het bijzonder, christelijk onderwijs, doordat dit maar al te zeer met het openbaar onderwijs op één lijn werd gesteld. Een tweede bezwaar was, dat de omvang van de delegatie van bevoegdheden aan de Kroon zeer groot was, wat hierop neerkomt, dat de minister de bevoegdheid zou krijgen allerlei zaken bij Koninklijk Besluit te regelen, in plaats van krachtens de wet. Een derde bezwaar betrof de minimum-leerlingenbezetting, vereist voor het voortbestaan dan wel het behoud van het subsidierecht van scholen, welke voor de minder bevolkte delen des lands te hoog was gesteld. Ook werd het middelbaar, algemeen voortgezet onderwijs in het wetsontwerp niet op bevredigende wijze geregeld geacht. Voorts bestonden tegen het ontbreken van overgangsbepalingen ernstige bezwaren. Meer bezwaren zullen wij maar niet noemen, ze zijn alle te vinden in het Voorlopig Verslag, dat omstreeks juli 1960 door de Tweede Kamer over het wetsontwerp werd uitgebracht. Het is een stuk van 38 pagina's, zodat het niet mogelijk is er in den brede op in te gaan. Het was er ons thans dan ook slechts om te doen in het kort even de aandacht te vestigen op de Memorie van Antwoord, welke onlangs door de minister op het Voorlopig Verslag werd uitge­ bracht. Uit deze memorie blijkt, dat de minister niet doof gebleven is voor de vele bezwaren, al wil dit nog niet zeggen, dat ze alle zijn weggenomen.

Ook deze Memorie van Antwoord is een lijvig stuk. Het heeft zelfs tweemaal zoveel bladzijden als 'het Voorlopig Verslag, dus 76, en daar elke bladzijde met 2 kolommen bedrukt is, bevat deze memorie dus cirka 150 kolommen druks. Men kan dus hieruit wel nagaan wat een werk er aan verbonden is om al die kolommen door te lezen. Het is dan ook zeer goed te begrijpen, dat niet alle onderwijsorganisaties reeds een definitief oordeel over het wetsontwerp, zoals het thans luidt, konden geven, gelijk blijken kan uit het orgaan „De Christelijke Kweekschool" van maart 1961. Het wetsontwerp heeft namelijk heel wat wijzigingen ondergaan, waardoor aan vele bezwaren is tegemoetgekomen. Van de 117 artikelen van het wetsontwerp zijn er zelfs niet minder dan 67 gewijzigd. Zo is bijvoorbeeld een wijziging aangebracht in de bepaling, welke het gevaar bevatte, dat in minder dicht bevolkte streken middelbare scholen al spoedig met opheffing werden bedreigd. Deze bepaling is nu in dier voege gewijzigd, dat voor gemeenten met minder dan vijftigduizend inwoners de minimtmi aantallen leerlingen in de hoogste klassen der middelbare scholen zijn teruggebracht tot 2/3 van die, welke elders vereist worden.

Ondanks de aangebrachte wijzigingen zijn de bezwaren evenwel nog niet weggenomen. De principiële opzet van het ontwerp is namelijk niet veranderd, terwijl ook de oprichtingsnormen voor nieuw te stichten scholen onveranderd gebleven zijn. Ten aanzien van het U.L.O. zijn evenzeer gegronde klachten niet weggenomen, evenmin die betreffende de vrijheid van inrichting.

Bij de openbare behandeling zal moeten blijken of het wetsontwerp door amendementen zodanig gewijzigd kan worden, dat de ernstige bezwaren vervallen. De minister heeft wel verklaard, dat hij tot overleg over verdere wijzigingen bereid is, maar of dit er toe zal leiden dat het protestantschristelijk onderwijs tevreden gesteld wordt, moet worden afgewacht. Er heeft eerst nog mondeling overleg met de minister plaats, en als alles gaat zoals aanvankelijk het plan was, dan zal het wetsontwerp nog vóór het zomerreces in openbare behandeling komen, doch zekerheid dat dit zal gebeuren, bestaat ël: niet. Het zou ons zelfs niet verwonderen als de openbare behandeling wordt uitgesteld tot er eerst een wetsontwerp inzake de overgang tussen de huidige en de nieuwe voimen van het voortgezet onderwijs bij de Tweede Kamer is ingediend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1961

De Banier | 8 Pagina's

Ontwerp-Mammoetwet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken