Bekijk het origineel

Begroting van Verkeer en Waterstaat

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Begroting van Verkeer en Waterstaat

8 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Vergoeding Veerse vissers - Wester-Scheide

Rede van de heer Kodde

II (vervolg)

In het vervolg van zijn rede, gehouden bij de afdeling Waterstaat van bovengenoemde begroting, vestigde de heer Kodde allereerst de aandacht van de minister op de moeilijkheid voor de Veerse vissers tengevolge van de afsluiting van het Veerse Gat. De heer Kodde sprak als volgt:

Mijnheer de Voorzitter! In dit verband wil ik, evenals de geachte afgevaardigden de heren van Dongen en van der Peijl, wijzen op de moeilijkheid, welke zal ontstaan als de vissers uit Veere naar de haven in Colijnsplaat zullen moeten verhuizen. Zij zijn dan verder van het viswater af en zullen, om hetzelfde resultaat te bereiken, zwaardere motoren in hun schepen moeten laten aanbrengen. Daarom wil ik de aandacht vragen voor een telegram, dat de Kamer heeft bereikt van de Zeeuwse Vereniging voor Vissersbelangen „Zevibel". Die vereniging schrijft:

„Verontrust over de gevolgen, die de afsluiting van het Veerse Gat dit voorjaar voor de garnalenvissers in Arnemuiden en Veere zal hebben, zulks in verband met het feit, dat ze dan vanuit Colijnsplaat zullen moeten varen, waarvoor aanschaffing van sterkere motoren en het treffen van andere voorzieningen noodzakelijk zal zijn, welke investeringen daarvoor hun te zwaar vallen verzoekt u beleefd er bij de minister van Verkeer en Waterstaat op aan te dringen, op grond van artikel 8 Deltawet financiële voorzieningen voor deze gedupeerde vissers te treffen".

Ik heb aan dat verzoek gaarne willen voldoen.

Ik wil hiervoor de aandacht vragen. Ook verleden jaar heb ik op de noodzaak van een regeling gewezen. Wij zijn nu een jaar verder en nog is er steeds onzekerheid. Er wordt op die wijze een gevoel van onbehagen, 20 niet van bitterheid, gekweekt. Er dreigt een

smet

aan dit werk te gaan kleven, een smet, omdat wel veel geld wordt besteed, maar te weinig of geen rekening wordt gehouden met hen, die schade lijden. Waar er reeds menigmaal regelingen in uitzicht zijn gesteld, vrees ik, dat hierop van toepassing zal worden hetgeen vele jaren geleden eens aan de overzijde van het Binnenhof, is gezegd:

„Veel geschreeuw en weinig doen, is gelijk een mager hoen, dat wel kakelt op de stok, maar geen eiers legt in 't hok".

Ik hoop, dat dit hier niet van toepassing zal worden. De mededeling onder nr. 177 heeft mij wel bevreemd.

Gaarne wil ik de minister verzoeken de schakel nog wat verder na te gaan. Het gaat hier namelijk over de vraag, wie de kosten zal moeten betalen ter zake van de vergoeding voor het vervallen van de veerdiensten in de

Zandkreek.

Gesteld is nu, dat de oorzaak van het vervallen van de veerdiensten is gelegen in het aanleggen van een weg over de dam door de provincie Zeeland. Maar kan dan ook niet met evenveel recht worden gesteld, dat de aanleg van die weg een logisch gevolg is van het leggen van de dam? De mogelijkheid tot het bereiken van de eilanden onderling is eigenlijk door de dam ontstaan. De betere mogelijkheid is verkregen door het aanleggen van een weg. Nu wil de minister wel geen uitspraak doen, doch dat geldt mijns inziens toch slechts de vraag, of schadevergoeding zal moeten worden gegeven of niet, want naar mijn mening doet de minister wel de uitspraak, dat het Rijk het niet doet, en met die uitspraak kan iij mij niet verenigen. De minister meent, dat hier alleen voor de pro. vincie een taak ligt, maar naar mijn mening ligt hier een taak voor het Rijk.

Inzake de afsluiting van de Lauwerszee wil ik, ook om des tij ds wil volstaan met het verzoek, zowei rekening te houden met de belangen van de streek, als met die van de vissers. Ook ik meen, dat de bepalingen van de Deltawet hierop van toepassing zullen moeten zijn. Met de minister hoop ik, dat het wetsontwerp wegenfinanciering spoedig de Kamer niet alleen zal bereiken, maar dat het ook een op. lossing zal geven voor de kostenfinanciering van de niet-planwegen. Betreffende de wegverbinding naar Vlissingen en het Zuid-Sloe is gevraagd de plaats nader te overwegen. Nu meldt de minister onder nr. 228, dat hij niet verwacht, dat de verbinding met Vlissingen van minder betekenis zal worden, wanneer de plannen in het

Zuid-Sloe

zijn uitgevoerd. Die mening kan ik niet geheel delen, en ik zie niet de noodzaak in van een weg langs het Zuid-Sloe en een verbinding over Nieuw- en St. Joosland naar Vlissingen. Naar mijn mening zijn beide te kombineren. Wel zal de weg naar het Zuid-Sloe dan wat breder moeten zijn, maar daar staat tegenover, dat de aanleg via Nieuwen St. Joosland dan kan worden nagelaten en de schadesnijdingen en de vele daaruit voortvloeiende ongemakken voor de landbouwers zullen worden vermeden, alsook het weer onttrekken van grond aan de agrarische bestemming. Bovendien acht ik het niet juist om te stellen, dat de verbinding van het Zuid- Sloe, hetgeen toch een rijkszaak is, door de provincie zal moeten worden gemaakt. Niet dat de provincie Zeeland geen belang zou hebben bij het Zuid-Sloe, maar omdat het Rijk die werken uitvoert en de gronden uitgeeft. Het gehele plan voor het verkeer, zowel te land als te water, van en naar het Zuid- Sloe, zal door het Rijk moeten worden gemaakt en uitgevoerd, opdat het dan ook één geheel worde. Betreffende de

veertarieven

over de Westerschelde meen ik, dat niet alleen gelet moet worden op 't verkeer, komende uit Zeeuwsch- Vlaanderen, maar dat ook rekening zal moeten worden gehouden met de belangen van het verkeer naar Zeeuwsch-Vlaanderen. Er moet onder andere veel vlas van elders naar Zeeuwsch-Vlaanderen worden vervoerd, en het is van belang, dat ook daarvoor een goedkope overbrenging mogelijk is.

In nauw verband daarmede staat de noodzaak van een vaste verbinding. De minister stelt, onder nr. 239, dat ook bij een veelvoud van het tegenwoordige verkeer, dat door middel van de veren zal kunnen plaats vinden. Is daarbij wel voldoende rekening gehouden met het gebruik, dat van de Westerschelde wordt gemaakt voor de andere vaart? Mijns inziens zou dit opgaan. Indien wij hier slechts een stil water hadden, waar alleen plaats voor die veren moest zijn. Indien die andere vaart er niet was, zou ik de mening van de mi- nister wel kunnen volgen, maar nu acht ik, dat er grenzen zijn, welke de mogelijkheid van uitbreiding sterk verminderen. Mijnheer de Voorzitter! Ik zou graag zien, dat eens werd nagegaan hoeveel vaartuigen in de drukste tijden de Westerschelde passeren, opdat men toch een inzicht zou Ijrijgen van de grote moeilijkheden, die het dwarsverkeer van de veren daarin veroorzaakt, terwijl die scheepvaart ook gevaren oplevert voor dat dwarsverkeer. De minister mag het ogenblik, waarop een

vaste verbinding

nodig is, nog ver verwijderd achten, maar als dat er is, dan dient de vaste verbinding er ook te zijn. De ervaring leert wel, dat die werken ook wel enige tijd vragen. De minister stelt, gelukkig, dat het oeververbindingsprotaleem niet geheel uit zijn gedachten is, maar daarmede is de oplossing er niet. Er kan wel mede worden ingestemd, dat één vaste verbinding niet alle veren overbodig zou maken, maar dat is toch wel zeker, dat een vaste verbinding tot ontlasting zal leiden van het eventueel dan nog overblijvende verkeer over de veren, en toch op den duur niet gemist kan worden, vooral wanneer op andere plaatsen ook vaste oeververbindingen komen, o.a. tussen Engeland en Frankrijk.

Mijnheer de Voorzitter! Ik hoor nu zeggen: die is er nog niet; maar deze vaste verbinding is er ook nog niet. Er zal, om het zo eens uit te drukken, nog wel heel wat water door de Schelde lopen, voordat die vaste verbinding er is.

Gaarne hoop ik, dat met een subsidie van 50 pet. der kosten de wateroverlast in Noord-Overijssel en Zuid-Drenthe kan worden tegengegaan, maar het lijkt mij, dat de taak van het Rijk verder strekt dan 50 pet. van die kosten.

Tot slot wil ik nog even stilstaan bij de laatste vraag en het laatste antwoord. Uit wat ik bij het onder 9 gestelde reeds heb gezegd, zal duidelijk zijn, dat wij niet zullen aandringen op een verruiming van de openstelling van de bruggen op de zondagen, maar juist het tegenovergestelde.

De autonomie van de lagere overheden zal moeten worden geëerbiedigd, maar nog veel meer zal rekening moeten worden gehouden met hetgeen God ons in Zijn wet gebiedt.

In zijn rede ter beantwoording der onderscheidene sprekers zei de minister op de vraag van de heer Kodde, inzake het aanbrengen van rijwielpaden bij de brug van Brienenoord, waarop door enkele leder der S.G.P. de aandacht der S.G.P.-fraktie was gevestigd, het volgende:

De geachte afgevaardigde de heer Kodde heeft gisteren een aangelegenheid aan de orde gesteld, waarvan hij zegt, dat hij niet in de gelegenheid was geweest, die in het voorlopig verslag te doen opnemen, maar waarvan hij mij toch tevoren per brief had kennis gegeven. Hij meent, wanneer ik het goed heb begrepen, dat de wielrijders en voetgangers gebruik zullen moeten kunnen maken van de hoofdrijbanen van de brug bij Brienenoord. Voor hun veiligheid vraagt de heer Kodde om de bouw van aanliggende rijwielpaden. Ik kan de geachte afgevaardigde mededelen, dat de hoofdrijbanen alleen bestemd zijn voor het gemotoriseerde verkeer. Voor bromfietsers zullen aan beide zijden van de brug rijwielpaden ter breedte van 3, 35 meter worden aangelegd. Deze paden zijn vanwege de steile helling, de grote lengte en de te overwinnen hoogte van cirka 29 meter ongeschikt voor het gebruik voor wielrijders. Wielrijders zullen dan ook niet op deze paden worden toegelaten; zij zullen ook in de toekomst van dezelfde oeververbindingen als heden gebruik moeten maken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1961

De Banier | 8 Pagina's

Begroting van Verkeer en Waterstaat

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 mei 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken