Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

7 minuten leestijd

En 3iet, ^Ik ben met ulieden al de dagen, tot de voleinding der wereld.

Mattheüs 28 : 20

(Hemelvaartsdag) Het zijn wel weinige, maar toch zeer troostrijke woorden, waarmede de evangelist Mattheüs zijn Evangelie besluit. Het zijn de laatste woorden, gevloeid van de lippen des Heeren, als Hij gereed staat van de top van de Olijfberg op te varen ten hemel. Veertig dagen had Hij nog op aarde vertoefd. Dat was die lieflijke tijd, waarin de opgestane Borg gedurig met vele gewisse kentekenen Zich had geopenbaard. Thans zien we de elf jongeren verzameld op de Olijfberg, waar Jezus hen bescheiden had. Hij is in het midden van hen. Welk een ontroerend ogenblik, de vertegenwoordigers van Christus' kerk hier verzameld te zien aan Zijn voeten. Welic een heilige rust vervult de ziel van de Middelaar. Neen, nu geen bloed zweten. Nu geen ter aarde vallen als een worm en geen man. Nu geen bang geroep, maar heilige rust en verzadiging van vreugde. De hemel moet Hem nu ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen. Scheiden gaat Hij van Zijn jongeren, om bezit te nemen van Zijn glorietroon in de hemel en vandaar Zijn gezegende heerschappij uit te oefenen over Zijn door Zijn bloed gekocht erfdeel.

Maar zal Hij lichamelijk scheiden van Zijn jongeren, toch zal Hij met hen zijn. Daarvan getuigen Zijn laatste troostredenen. Welk een getuigenis, welke 'n vaste verzekering geeft Hij van Zijn bestendige tegenwoordigheid en blijvende gemeenschap bij en met hen. Neen, zij zouden niet aan zichzelf overgelaten worden. „Ik ben met ulieden", zegt Hij. Het is niet: „Ik zal met u zijn", maar: Ik ben met u- lieden".

Welke tegenwoordigheid is dit? Van hoedanige aard is zij? Neen, niet naar het lichaam zou Hij bij hen blijven. Dan ging Hij van hen. Dan wordt Hij opgenomen in de hemel en gezet aan 's Vaders rechterhand. In Zijn lichamelijke tegenwoordigheid hadden zij gedeeld. Drie jaren hadden zij met Hem gewandeld. En na Zijn opstanding had Hij in die veertig dagen Zich dikwijls aan hen geopenbaard. Die tegenwoordigheid zou nu ophouden. Zij zouden Hem met hun sterfelijke ogen niet meer zien. En toch zou Hij met hen zijn. Zij zouden Zijn geestelijk nabij zijn fles te meer ervaren. Met Zijn God­ heid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van de Zijnen. Welk een weldaad.

„Heere, waart Gij hier geweest, mijn broeder ware niet gestorven". Zo klaagde eens dat zusterpaar te Bethanië. Tevergeefs, meenden zij, hadden zij Hem laten roepen. Hij was niet tijdig genoeg gekomen. Lazarus was gestorven. Zo kan het Gods volk voorkomen, dat de Heere niet meer met hen is. De klacht is Sion niet vreemd: „de Heere heeft mijner vergeten, de Heere heeft mijner verlaten". Of: „de Trooster, die mijn ziel placht te troosten, is ver van mij". Dan schijnt de Heere in Zijn belofte te falen. En toch, dat kan niet. Hij kan Zich wel bedekt houden voor de ziel Zijns volks, maar Zijn geestelijke nabijheid aan hen onthouden, neen, dat kan niet. Geen enkel ogenblik. Zeker, onze ziel kan zo bezwaard zijn; ons oog met dofheid geslagen, door droefenis overmand. Maar dat doet niets te kort aan Zijn bijblijvende tegenwoordigheid bij de Zijnen. Zeker, Hij is nu in de hemel, zit aan 's Vaders rechterhand, vervult daar Zijn Hogepriesterlijke bediening. Hij vertegenwoordigt Zich daar gedurig bij de Vader in de kracht van Zijn offerande, maar dit verhindert niet Zijn bestendige tegenwoordigheid bij Zijn volk, al wordt Hij door vleselijke ogen niet meer aanschouwd. Door het geloof zal Zijn nabijheid worden gekend en Zijn tegenwoordigheid worden gesmaakt. Dat kan geen vijand verhinderen.

De onzienlijke, geestelijke gemeenschap van de verheerlijkte Borg met de Zijnen kan door geen enkele menselijke wet worden verhinderd. Hier wordt de stem des drijvers niet gehoord. Hier heeft satan geen macht. Christus' gemeenschap met Zijn volk is een blijvende gemeenschap. Nooit kan die worden onderbroken. Zij is maar niet voor een ogenblik. Ze is ook niet beperkt tot de jongeren, tot wie de opvarende Borg sprak. Neen, „Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld", is Zijn woord. Zeker, dierbaar troostwoord voor deze jongeren, die aanschouwers geweest zijn van Jezus' opvaring ten hemel. Maar dat is het deel van alle ware gelovigen. Neen, 't is niet opgehouden met deze jongeren. Nog wandelt Hij tussen de zeven gouden kandelaren. Nog is Hij bij Zijn volk. Waar ook maar twee of drie vergaderd zijn in Zijn Naam, is Hij in het midden. Welk een vertroosting. Hij is bij de Zijnen tot de voleinding der wereld. Hoe zorgzaam de tijden ook mogen zijn. Hoe ook donkerheid de aarde bedekt en 'duisternis de volken.

O zeker, dag aan dag wijkt Zijn volk van Hem af, maken zij Zijn tegenwoordigheid zich onwaardig. Maar toch, dit maakt Zijn laatste troostwoord, op aarde gesproken, toen Hij opvoer ten hemel, niet krachteloos. Hij breekt Zijn nabijheid geen ogenblik af. Hij is en blijft bij de Zijnen en bedekt al hun ongerechtigheid en reinigt hun harten door Zijn genade. Wel wandelt Hij soms in de donkerheid, maar nooit ver van hen. In Zijn bitterste lijden in Gethsemané gaat Hij niet verder dan een steenworp van Zijn discipelen af. Daarom, die gunstrijke tegenwoordigheid van de verheerlijkte Borg is de stok en staf der vertroosting Zijns volks. Daardoor mogen Gods kinderen weer telkens hun moede hoofd uit hun ellende oprichten en ontvangen zij een vrijmoedige toegang tot de troon Zijner genade. Hoe wordt dat openbaar in al de wegen, die God met Zijn volk houdt. Let maar op deze jongeren. De scheidende Borg wist, wat Zijn jongeren wachtte. Aan hoeveel smaad en verachting zij zouden bloot staan, aan hoeveel spot en hoon, straks reeds op de Pinksterdag. Hij wist aan hoeveel gevaren en verdrukking zij onderhevig zouden zijn, waarin zij ervaren zouden, dat zij als schapen waren uitgezonden tussen de wolven. Dat zij onderworpen zouden zijn aan ver­ zoekingen des satans. Maar dan zouden zij ervaren, dat, alhoewel Hij lichamelijk van hen was heengegaan. Hij nochtans met hen was, ook wanneer zij voor raadsheren en overheden zouden gesteld zijn.

En zeg mij, is er ooit een weg van krankte, van armoede, van moeite en strijd te zwaar geweest om met de Heere te betreden? Hebben de martelaren er niet van gezongen onder de wreedste folteringen, als het vuur hun lichamen verteerde? Daarom troostrijke belofte.

Welk een onwaardeerbaar testament liet Christus achter voor al de Zijnen. Neen, met Zijn vijanden is Christus niet. Hij is niet met degenen, die een ijdel vertrouwen koesteren en de wortel des levens missen. Saul vliedt tot de tovenares te Endor. Demas tot de wereld. En het baat Judas niet, of hij in wanhoop uitroept: „Ik heb verraden onschuldig bloed". O zondaar, zie toe. Buig u nog voor Hem neder.

Maar Sion komt op uit de woestijn, lieflijk leunende op haar Liefste, Die Zijn kracht In haar zwakheid volbrengt. Sion zal niet bewogen worden. God is in het midden van haar. Deze belofte geldt allen, die door het geloof Hem ingeplant zijn, die hun klederen hebben wit gemaakt in het bloed des Lams. Hij is met u, al schijnen alle dingen u tegen te zijn.

Daarom behoeft gij niet te vrezen, gij allen die op de Heere hoopt. Het woord Zijner belofte blijft vast en ongebroken. Het is de zalige troost en sterkte van Jezus' hemelvaart: „En ziet. Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld, Amen".

wijlen Ds. Barth

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1961

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 mei 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken