Bekijk het origineel

4 PARTIJVERGADERINGEN

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

4 PARTIJVERGADERINGEN

8 minuten leestijd

De partijraadsvergadering der K.V.P.

De vierde partij vergadering, waarop wij de aandacht wensen te vestigen, is de tweedaagse partijraadsvergadering der K.V.P., welke te Utrecht plaats vond. De voornaamste woordvoerders waren Mr. van Doorn, voorzitter der K.V.P., en de heer Andriessen, die sedert het aftreden van Prof. Romme als waarnemend fraktievoorzitter fungeert. Van de onderscheidene onderwerpen, welke ter sprake gebracht werden, stond één er van wel in het brandpunt der besprekingen. Het was het wetsontwerp inzake een algemene kinderbijslagregeling, dat tot strekking heeft ook aan alle zelfstandigen met kinderen, vanaf het derde kind, kinderbijslag toe te kennen. Wij zagen reeds, dat dit onderwerp ook in de vergaderingen der V.V.D. en van de P.v.d.A. aan de orde is geweest. Voor de V.V.D. was het Prof. Oud, uit wiens rede bleek, dat hij zeer ernstige bezwaren tegen het wetsontwerp in zijn huidige vorm heeft. Bezwaren, die door één der andere regeringspartijen, namelijk de C.H.U., worden gedeeld, terwijl ook op de stemmen der Kamerleden van de P.v.d.A. niet kan gerekend worden. Wanneer derhalve het wetsontwerp ongewijzigd blijft, dan heeft het geen kans te worden aangenomen. Dit zou tot gevolg hebben, dat er een kabinetskrisis ontstaat, daar de K.V.P.ministers zich achter dit wetsontwerp hebben gesteld. Om dit te voorkomen, had Prof. Oud voorgesteld de noodwetkinderbijslag, welke voor kleine zelfstandigen reeds sedert enige jaren bestaat, uit te breiden, en voorts dat de regering de kwestie van de kinderbijslag als een vrije kwestie zou beschouwen, zodat bij verwerping van het wetsontwerp een kabinetskrisis zou vermeden worden.

Uit de redevoeringen van de heren van Doorn en Andriessen bleek echter wel zeer duidelijk, dat zij van de suggesties van Prof. Oud niets terug hadden. Wel waren zij er toe bereid een gewijzigde regeling te aanvaarden, maar dan zou die wijziging toch zo moeten zijn, dat het wetsontwerp ten aanzien van de zelfstandigen geen „opgepoetste armenzorg" zou worden. Dat het onderhavige wetsontwerp tot een kabinetskrisis zou kunnen leiden, werd door beide sprekers zeer wel mogelijk geacht. Mr. van Doorn wees hierop reeds in de aanvang van zijn rede, door de vraag te stellen: „Staan wij aan de vooravond van een nieuwe en deze keer van een echte, akelig echte kabinetskrisis? " En de heer Andriessen verklaarde in zijn rede, dat er aan de politieke hemel „donkere wolken" opdoemen. Inderdaad zou een kabinetskrisis tengevolge van het verwerpen van het ontwerp kinderbijslagwet veel verder strekkende gevolgen kunnen hebben dan de kabinetskrisis, welke zich in december 1960 voordeed naar aanleiding van het aannemen der motie van Eibergen betreffende de meerbouw van 2500 woningen. Laatstgenoemde krisis is opgelost doordat dezelfde ministers op hun ontslagaanvrage terug kwamen. Zij had even goed kunnen opgelost worden doordat er een zakenkabinet was opgetreden. Thans echter kunnen de R.K. ook een andere kant uit. Mr. Burger van de P.v.d.A. toch heeft — zoals wij dit de vorige week hebben vermeld — niet onduidelijk te verstaan gegeven, dat zijn fraktie ten volle bereid is weer deel te gaan uitmaken van de regering. De R.K. kunnen dus bij het eventueel niet tot stand komen van een voor hen aanvaardbare kinderbijslagwet de door de P.v.d.A. toegestoken hand aanvaarden en met de P.v.d.A. in zee gaan. Dit heeft voor hen ook nog dit aantrekkelijke, dat in dit geval ook het wetsontwerp Mammoetwet vrijwel zeker zal worden aanvaard, daar de P.v.d.A. tegen dit ontwerp niet zulke overwegende bezwaren heeft als de protestantschristelijke partijen. In dit geval zouden de R.K. zelfs met de bezwaren van protestants-christelljke zijde helemaal geen rekening behoeven te houden. Dat de R.K. een hernieuwde samenwerking met de P.v.d.A. bij voorbaat niet afwijzen, kwam wel overduidelijk tot uiting in de rede van de heer Andriessen. Hij zelde dienaangaande, dat, als zou blijken, dat er geen bevredigende kinderbijslagregeling tot stand kan komen, voor de K.V.P. de vraag moet rijzen of daarmee niet tege- lijk een begin is gemaakt met „belangrijke en ingrijpende veranderingen in de verhoudingen tussen de Nederlandse partijen". Bij deze uitspraak van de heer Andriessen komt ons onwillekeurig een episode uit de parlementaire geschiedenis voor de aandacht, waarbij de S.G.P. betrokken is. Het was toch in 1925, dat een soortgelijk dreigement van rooms-katholieke zijde werd vernomen toen namelijk door Ds. Kersten en Ds. Zandt een amendement was ingediend tot afschaffing van het gezantschap bij de paus, welk amendement met 52 tegen 42 stemmen aangenomen werd. De R.K. gevoelden zich hierdoor zeer gegriefd, ofschoon het de S.G.P.-Kamerleden toch helemaal niet te doen was om enige rooms-katholiek in zijn persoon te grieven. Louter het oude reformatorische beginsel had hen tot het indienen van het amendement bewogen. Namens de R.K. fraktie sprak toen haar voorzitter. Dr. Nolens, in een korte rede onder meer de volgende woorden: „En het is overigens duidelijk, dat dit gezantschap voor ons, katholieken, een bijzondere betekenis heeft, en opheffing daarvan, vooral met het oog op de hoofdmotieven, die sommige leden bewegen dit voorstel te doen of te steunen, uiterst grievend zijn. In die omstandigheden zullen wij bij aanneming van dit amendement ernstig moeten overwegen of wij onze stem aan de begroting van Buitenlandse Zaken zullen kunnen geven. Wij zullen ook de vraag hebben te beantwoorden, of wij steun zullen kunnen verlenen aan welk kabinet dan ook, voortgekomen uit groepen, aan welker medewerking de opheffing van deze gezantschapspost zou zijn te wijten".

De laatste zin nu uit de rede van Dr. Nolens doet ons denken aan de hierboven genoemde uitspraak van de heer Andriessen inzake de kinderbijslagregeling. Ook daarin wordt gezinspeeld op een wijziging in de politieke konstellatie, welke sedert 1959 in ons land bestaat. Een wijziging, die hierop neerkomt, dat men niet langer met de V.V.D. en de C.H.U. wenst samen te gaan in één kabinet, doch zijn heil gaat zoeken bij de P.v.d.A. Rome kan nu eenmaal naar alle kanten uit. Het vormt in ons land een formidabele macht. Reeds kort na de invoering van het algemeen kiesrecht kon één der r.k. Kamerleden, de heer Bomans, verklaren, dat Rome in Nederland troef was. Het kan, wanneer het dit voor zichzelf profijtelijk acht, met de A.R., de C.H. en ook met de V.V.D.-ers in één kabinet zitting nemen; het kan dezen ook aan de dijk zetten en samengaan met de socialisten, wanneer de eerstgenoemden aan haar verlangens niet tegemoet komen. In 1939 hebben we daarvan een proeve gehad, toen het vijfde kabinet van Dr. Colljn door Rome de bons werd gegeven en, zoals Ds. Zandt het eens uitdrukte, de A.R. en C.H. als „aftandse paarden" werden weggejaagd. Of het zo ver zal komen, dat in ons land rooms en rood weer zullen samengaan, valt met zekerheid nog niet te zeggen, maar de mogelijkheid daartoe bestaat. De heren van Doorn en Andriessen waren zich hiervan zeer goed bewust. En met hen ook de partijraad der K.V.P., die ter vergadering verklaarde, dat de K.V.P. de algemene kinderbij­ slag als één van haar voornaamste programpunten beschouwt, op welker verwezenlijking zij reeds te lang heeft moeten wachten. En voorts, dat de partijraad er op vertrouwt, dat de R.K. Tweede-Kamerfraktie derhalve de totstandkoming ener bevredigende regeling als een zaak van het grootste gewicht zal beschouwen en van dit standpunt de konsekwenties zal aanvaarden. Bovendien werd daarbij nog eens niet onduidelijk te verstaan gegeven, dat de beslissing over de kinderbijslagregeling, welke volgens de Partijraad één der hoofdpunten van het program van het kabinet de Quay vormt, niet als een „vrije kwestie" kan worden beschouwd, zoals Prof. Oud zou wUlen. De heer Andriessen onderstreepte dit nog eens door te verklaren, dat een bevredigende kinderbijslagregeling voor de K.V.P. onverminderd een „halszaak" blijft. Een andere houding zouden volgens hem de K.V.P.-kiezers niet verstaan en zou neerkomen op het verlies van het vertrouwen van de mensen, die zij hebben beloofd voor een reële kinderbijslag te zullen strijden.

Men ziet, dat Rome alles op haren en snaren zet om een voor haar bevredigende kinderbijslagregeling te verkrijgen. En dat terwijl zeer vele middenstanders zich tegen het wetsontwerp hebben verklaard. Dat dit inderdaad zo is, vonden wij vermeld in het officieel orgaan van de Kon. Ned. Middenstandsbond. In het nummer van maart 1961 treffen wij dienaangaande het volgende bericht aan: „Het heeft ons verheugd te vernemen, dat het Christelijk Nationaal Vakverbond na overleg in het Konvent der christelij k-sociale organisaties — waarin ook de protestants-christelijke industriëlen, agrariërs en middenstanders zijn opgenomen — zich tegen het aanhangige wetsontwerp op de algemene kinderbijslagregeling heeft uitgesproken". En daar ook het Koninklijk Nederlands Landbouwkomité en de Koninklijke Nederlandse Middenstandsbond een dergelijke algemene kinderbijslagregeling, zoals in het wetsontwerp wordt voorgesteld, geheel overbodig achten, valt hieruit te konstateren, dat het bedrijfsleven over het algemeen er niets van wil weten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1961

De Banier | 8 Pagina's

4 PARTIJVERGADERINGEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 mei 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken