Bekijk het origineel

Van de Partijpenningmeester

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de Partijpenningmeester

12 minuten leestijd

Gebed en Vergadering In het „Gereformeerd Weekblad" schrijft Ds. B. J. Aalbers een artikel over het gebed in onze vergaderingen. Een gedeelte hiervan laat ik hier volgen:

„Allereerst wijs ik er op, dat tal van onstichtelijke situaties voortkomen uit een gebrekkige of slordige vergadertechniek. Stellig vragen gebed en schriftlezing om enige sfeer. Voor een goede sfeer is allereerst nodig: goede orde. Laat men zorgen goed verstaanbaar te zijn. Laat er een bij voorkeur gedrukt programma zijn, waar opstaat, wat er aan de orde is, en hoe opening en sluiting zullen verlopen. Is dit er niet, laat dan de voorzitter meedelen, hoe de gang van de bijeenkomst zal zijn. Zéker wanneer er mensen zijn uit niet-christelijke kring is het aan te bevelen om met enkele woorden uiteen te zetten waarom men deze samenkomst opent met gebed en schriftlezing.

Het kan ook aanbeveling verdienen om 'n bijeenkomst niet direkt te beginnen met gebed en schriftlezing, maar eerst een kort openingswoord te spreken. Daarin zal wellicht ook iets gezegd worden over de doelstelling van de betreffende christelijke organisatie of vereniging. Daarop aansluitend kan men dan een passend schriftgedeelte lezen en daarna bidden. Gebed en schriftlezing vallen dan niet zo plompverloren de samen­ tweede punt in het midden der belangstelling, namelijk de officiële vestiging der Republiek Zuid- Afrika te Pretoria, alwaar in 1902 de laatste Boeren generaals zich aan de Britten overgaven. Dat over dit historische feit onder het merendeel der blanke bewoners der republiek grote blijdschap bestaat, laat zich indenken. Deze gebeurtenis toch betekent voor hen een zegepraal op Engeland, dat circa zestig jaar geleden hen en hun voorouders zo onrechtvaardig bejegende. De ouderen onder onze lezers, die deze tijd hebben meegemaakt, zullen zich nog wel zeer goed herinneren hoe Nederland toen met de verdrukte Boeren meeleefde en met afschuw vervuld was tegen het trotse, perfide Albion, dat om goud en diamant te bemachtigen, er niet voor terugdeinsde onpeilbaar leed en ellende over het Zuidafrikaanse volk te brengen. Ongetwijfeld zullen dan ook vele Nederlanders zich met de voren bedoelde Zuidafrikanen over het feit van het herwinnen der onafhankelijkheid ten zeerste verheugen. tweede punt in het midden der belangstelling, namelijk de officiële vestiging der Republiek Zuid- Afrika te Pretoria, alwaar in 1902 de laatste Boeren generaals zich aan de Britten overgaven. Dat over dit historische feit onder het merendeel der blanke bewoners der republiek grote blijdschap bestaat, laat zich indenken. Deze gebeurtenis toch betekent voor hen een zegepraal op Engeland, dat circa zestig jaar geleden hen en hun voorouders zo onrechtvaardig bejegende. De ouderen onder onze lezers, die deze tijd hebben meegemaakt, zullen zich nog wel zeer goed herinneren hoe Nederland toen met de verdrukte Boeren meeleefde en met afschuw vervuld was tegen het trotse, perfide Albion, dat om goud en diamant te bemachtigen, er niet voor terugdeinsde onpeilbaar leed en ellende over het Zuidafrikaanse volk te brengen. Ongetwijfeld zullen dan ook vele Nederlanders zich met de voren bedoelde Zuidafrikanen over het feit van het herwinnen der onafhankelijkheid ten zeerste verheugen.

Hetzelfde geldt voor de sluiting. Vaak laat men eerst zingen om daarna nog iemand te verzoeken te danken, terwijl het beter is eerst te zeggen, dat men nu God wil danken en dan tot slot wil laten zingen. Het „valt" veel beter om na een gezongen lied op te staan en de zaal te verlaten, dan na de stilte en de koncentratie van het gebed. Ook kan het van belang zijn, het lied staande te doen zingen: het zingt niet alleen beter, maar maakt de aanwezigen ook aktiever. Dit zijn allemaal maar kleine dingen, maar juist het onverzorgde van opening en sluiting maakt zo'n onstichtelijke indruk. Een andere vraag is of men elke vergadering wel moet beginnen met gebed, schriftlezing en lied, en ook sluiten met ongeveer dezelfde elementen. Ik zou hier willen waarschuwen voor een zekere doublure. Dikwijls wordt bij het begin ook nog gezongen. De inhoud van het lied is niet zelden een gebed. Evenzo aan het eind van een samenkomst.

Zou het in veel gevallen niet zinvol zijn om wèl de drie elementen van gebed, schriftlezing en lied te gebruiken, maar deze te spreiden over begin en einde van de bijeenkomst. Waarom niet begonnen met bijbellezing en gebed, en geëindigd met zaak van hun ontstemming over het uitroepen van de republiek moet dan ook veeleer worden gezocht in de vrees, dat de Engelse invloeden steeds meer zullen worden aangetast. Naast deze Engelsgezinde blanken is er echter ook een deel, dat beslist tegen de apartheidspolitiek is. Zü vormen echter van de blanken, die tezamen 3 miljoen zielen tellen, het kleinste deel. De nieuwe republiek zal echter nog heel wat moeilijkheden ondervinden vanwege de rassenscheiding. Het heeft deswege niet alleen landen als de Verenigde Arabische Republiek, Ghana Liberia en andere Afrikaanse staten tegen zich, doch ook Aziatische landen en landen van Europa, ja ook Amerika, waar in enkele zuidelijke staten de rassenscheiding nog steeds in zwang is. alleen een psalm, gezang of ander geestelijk lied. Het gebed aan het begin kan dan de voorbede en de dankzegging beide inhouden. Het lied aan het eind kan de funkties van dankgebed en lofprijzing heel goed vervullen. De avondliederen, die gezongen worden, zijn op zichzelf al gebeden. Denk aan „'k Wil TJ o God mijn dank betalen" en „Blijf bij mij Heer". Men kan het ook omkeren en als begin alleen Psalm 123 : 1 laten zingen, een gebed om hulp van God. Wanneer men dat nu inleidt met de woorden: „Wij willen nu ons gebed zingen" of iets dergelijks, zal ieder ook nog meer bepaald worden bij het feit, dat dit lied een gebed is en niemand zal het gesproken gebed dat daarna nog eens zou kunnen komen missen".

Na voorts te hebben nagegegaan of het wel noodzakelijk is, dat bepaalde verenigingen, o.a. zang- en muziekverenigingen met gebed worden geopend en gesloten, besluit Ds. Aalbers zijn artikel als volgt:

„Ik geloof, dat wij door deze herhalingen, waardoor wij eigenlijk blijk geven niet goed te weten wat wij doen, de geestelijke slijtage bevorderen. Het is dan ook geen wonder dat daar, waar men de zin van het gebed bij begin en eind eigenlijk niet meer verstaan kan, openen en sluiten ermee de betekenis heeft gekregen van „nu gaan we beginnen" en „nu kunt u naar huis". Wij vonden het wel interessant, om een gedeelte van dit artikel, dat wij in „De Rotterdammer" aantroffen, aan onze lezers door te geven. Het is altijd nuttig te weten, wat er in andere kringen leeft. Met de strekking van dit artikel kunnen wij het in het- algemeen niet eens zijn. Wel dat alle dingen stichtelijk zullen geschieden en dat er orde zijn moet in een vergadering en eerbied voor schriftlezing en gebed. Dat het gebed, hetzij aan het begin of aan het einde der vergadering wel zou kunnen vervallen en vervangen zou kunnen worden door een psalm of een ander geestelijk lied, acht ik een zeer gevaarlijk standpunt. Ds. Aalbers meent hierdoor een bepaalde geestelijke slijtage te voorkomen, doch ik zou veeleer menen, dat deze houding bevorderlijk is voor geestelijke slijtage.

Alle vernieuwing is geen verbetering en aan deze vernieuwing hebben wij allerminst behoefte. Artikel 1 van het gemeenteprogram der S.G.P. luidt: „De gemeentelijke overheid regeert bij de gratie Gods. Diensvolgens vange zij haar vergaderingen aan en eindige zij die met gebed". Hetzelfde wat wij verlangen in vergaderingen van de gemeentelijke overheid, moet het richtsnoer zijn in al onze vergaderingen, waar wij hetzij op kerkelijk of op politiek gebied bijeen komen, om het even of het nu een bestuurs-, leden- of algemene vergadering is. Wij kunnen derhalve met de gedachtengang van Ds. Aalbers niet meegaan. Zet de oude palen niet terug die uwe vaderen gemaakt hebben.

Wat de werving van abonnees voor ons blad betreft, kunnen wij weer terugzien op een week van goede aktiviteit. Er konden weer 20 nieuwe abonnees worden ingeschreven, en wel uit Amsterdam, Benthuizen, Bleiswij k, 's-Gravenhage, 't Harde, zeer afkeurende

zin over het huidige emigratiebeleid uitgelaten, door te verklaren, dat hij „de aanmoedigingen van de Nederlandse regering om tot emigratie te bewegen uit den boze vindt".

Dat er thans over gebrek aan werkkrachten wordt geklaagd, en dit als een der oorzaken van de huidige spanningen wordt aangemerkt zoals in de onderhavige nota wordt gedaan, moet derhalve voor een deel op rekening van het regeringsbeleid worden gesteld, een beleid, dat door de meerderheid dezer Kamer in het verleden gesteund werd en ook in het heden nog steeds wordt gesteund. In de nota der regering wordt voorts nog een tweede oorzaak van de huidige spanningen genoemd. Bij het tekort aan arbeidskrachten, aldus merkt de regering in haar nota op,

„Komt de zich in snel tempo uitbreidende arbeidstijdverkorting". Ook te dezer zaken is o.i. de regering in gebreke gebleven te rechter tijd de nodige maatregelen te nemen, zodat de arbeidstijdverkorting haar finaal uit de hand is gelopen. Ik zal op deze kwestie thans niet nader ingaan, daar wij nog maar kortgeleden hierover reeds het een en ander hebben opgemerkt.

Wij zullen ons derhalve thans gaan bepalen tot wat de regering verder In haar nota mededeelt. Dit komt hierop neer, dat zij thans nog niet 't tijdstip gaan vaststellen waarop de voorgenomen belastingverlaging zal ingaan. Wel is zij van plan in dit najaar een wetsontwerp in te dienen, waarin een

vaste en definitieve

datum van het in werking treden van de verlaging der loon- en inkomstenbelasting is vervat. Het is echter zeer de vraag of het de regering dan wel mogelijk zal zijn een datum vast te stellen. Zij noemt in haar nota wel enige punten, waaruit zou moeten blijken, dat er reden is te onderstellen, dat de konjunktuur binnen niet te lange tijd gunstiger zal worden, maar zekerheid hieromtrent heeft de regering helemaal niet. Zij merkt dienaangaande in de nota zelf op, dat er nog weinig op wijst, dat de konjunktuur nu wel haar hoogtepunt heeft bereikt. Zij laat daar op volgen, dat enige ontspanning op langere termijn niet uitgesloten lijkt, maar dit is alles maar zeer vaag. Wij zien hieruit weer, mijnheer de voorzitter, dat de mens in alles diep afhankelijk is van het

Godsbestuur

en niet in staat om de konjunktuur te beheersen. De indruk wordt wel menigmaal gewekt, dat de mens dit kan, maar telkens weer blijkt hij zich daarin te hebben vergist. De regering merkt in het slot van haar nota voorts op, dat het zoeven genoemde wetsontwerp zo tijdig door haar zal worden ingediend, dat het voor het einde van dit jaar het Staatsblad zal kunnen bereiken. Zij zal dan tevens overwegen of het verantwoord is In dit wetsontwerp eveneens een datum op te nemen voor het in werking treden van de verlaging. Ook ten aanzien van de hier genoemde belastingverlaging varen wij dus geheel in de mist.

Wij moeten dus maar weer afwachten wat er van de zo hoog nodige belastingverlaging terecht zal komen. Deze grote onzekerheid zou er niet zijn geweest wanneer de regering, en daarbij denken wij ook aan het vorige kabinet, in het verleden reeds tot ingrijpende belastingverlaging ware overgegaan, wat mogelijk zou zijn geweest door de hoge staatsuitgaven krachtig in te perken, zoals door ons gedurig is bepleit. De hoge

belastingen

toch leggen een zware last op de bevolking, zij vormen een belemmering voor het sparen en het investeren, zij gaan gepaard met veelvuldige overheidsbemoeiingen, waarover zo herhaaldelijk wordt geklaagd.

Ja, het is de sterke uitbreiding van de staatsbemoeiing, welke de uitgaven zulk een hoge vlucht hebben doen nemen en waardoor de belastingen zo hoog zijn opgevoerd. Die hoge belastingen hebben er ook toe geleid, dat de animo om door extraarbeid of overwerk bijverdiensten te verkrijgen, in geen geringe mate is afgenomen of zelfs geheel verdwenen is, omdat van de bijverdiensten in vele gevallen weer een groot deel aan belastingen moet worden uitgegeven, wat wel in het bijzonder geldt voor de middengroepen.

Mijnheer de voorzitter. Er is nog een andere omstandigheid, welke bij ons de vrees verwekt, dat er van de voorgenomen belastingverlaging niets zal komen. De minister van defensie toch heeft medegedeeld, dat de Verenigde Staten hun financiële steun ten behoeve van onze defensie zullen gaan verminderen. Wij zullen onze defensie-inspanning dus moeten gaan vergroten ten behoeve van onze bijdrage aan de N.A.V.O., wat hierop neerkomt, dat, wat wij aan steun van Amerika zullen gaan missen, zelf zullen moeten gaan opbrengen. De minister van defensie heeft reeds aangekondigd, dat deze gelden zullen verkregen moeten worden of door bezuiniging op de uitgaven of door belastingverhoging. Het is dus zeer wel mogelijk, dat hiervoor heel de aangekondigde belastingverlaging op

losse schroeven

komt te staan, en er noch van de verlaging der loon- en inkomstenbelasting, noch van die van de vennootschapsbelasting iets terecht komt.

Gaarne zouden wij van de minister vernemen hoe het hiermede gesteld is, of dus de hogere uitgaven ten behoeve der defensie tot gevolg zullen hebben, dat de in uitzicht gestelde belastingverlaging zal vervallen. In dat geval echter zullen de 500 miljoen gulden, die voor belastingverlaging bestemd waren, ook besteed worden en dreigt dus eveneens het gevaar van toenemende spanningen. Een duidelijke verklaring van de minister te dezer zake achten wij dan ook van zeer groot belang.

In zijn rede ter beantwoording der sprekers merkte de minister van financiën op, dat hij de teleurstelling over het niet doorgaan der belastingverlaging op 1 juli a.s. wel kon begrijpen. Hij achtte de door hem gevolgde methode echter de juiste, daar op deze wijze de

maximale kans bestaat, dat er nog eens iets van een belastingverlaging terecht komt, zo, dat deze niet weer wordt „opgegeten" door konjunkturele prijsstijgingen. Mocht de hoogkonjunktuur blijven aanhouden en zelfs toenemen, dan zullen diepingrijpende maatregelen moeten worden genomen om de belastingverlaging mogelijk te maken.

Wat de verhoging der defensielasten betreft, deze zal moeten gefinancierd worden door vermindering der uitgaven of door belas­

tingverhoging, maar het kwam de minister uiterst onwaarschijnlijk voor, dat daarvoor de tarieven der loon- en inkomstenbelasting zullen worden verhoogd. De minister drukte zich hierbij wel zeer voorzichtig uit. Hij achtte het onwaarschijnlijk, dat de loon- en inkomstenbelastingtarieven niet zullen worden verhoogd. Een vaste toezegging werd derhalve niet door hem gegeven.

De nota werd des avonds te ruim 11 uur voor kennisgeving aangenomen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1961

De Banier | 8 Pagina's

Van de Partijpenningmeester

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken