Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

7 minuten leestijd

Daarna geschiedde het woord des Heer en tot hem, zeggende: Ga weg van hier, en wend u naar het oosten, en verberg u aan de heek Krith, die voor aan de Jordaan is.

En het zal geschieden, dat gij uit de beek drinken zult; en Ik heb de raven geboden, dat zij u daar onderhouden zullen.

Hij ging dan heen, en deed naar het woord des Heeren; want hij ging en woonde bij de beek Krith, die voor aan de Jordaan is.

En de raven brachten hem des morgens brood en vlees, desgelijks brood en vlees des avonds; en hij dronk uit de beek.

1 Koningen 17 : 2—6

II.

Er zullen weinige dienaren van God zijn, die niet dikwijls ontsteld zijn geworden over hetgeen zij toch in het geloof gedaan hebben. Zo is ook Elia geheel en al verlaten. De vromen in het land houden zich angstvallig van verre; de anderen vervolgen hem; de hongersnood klopt ook aan zijn woning. Ja, man, wat nu? Maar hij geeft zijn sidderend hart geheel over aan het hart van God en nu wordt het kalm. Hij zegt ook tot zichzelf: „Werp uw belioromernis op de Heere; Hij zal u verzorgen en uw ziel niet eeuwig in onrust laten". En dat mocht hij en dat mochten alle kinderen van God, die het wilden leren te ".chten en stil te zijn, ondervinr" an, dat niemand beschaamd wordt gemaakt, die op God vertrouwt. Hij redt uit alle nood, als Zijn uur ge- Icomen is.

Elia bleef niet alleen. „Het Woord des Heeren kwam tot hem". God Zelf naderde tot zijn eenzame dienstknecht, en dit niet als een zwijgende, maar als een sprekende God, als een vertroostende Vader. Wanneer de Vader aller geesten, die beter troost, dan iemand die door zijn moeder getroost wordt, tot ons komt, hoe kan er dan nog sprake zijn van eenzaamheid? Ofschoon een kind van God ook in de allermoeilijkste omstandigheden verkeert, zo is toch het begin van het eind van alle jammer gekomen op het ogenblik, wanneer men in het diepste der ziel vast overtuigd wordt van hetgeen David zó uitdrukt: „Maar de Heere denkt aan mij".

Denkt Hij aan u, denkt de grote God aan uw kleine zaken, dan zijt ge in de beste handen, dan moet de hulp nabij zijn, ofschoon er ook nog niets van te bespeuren is. Zijt ge een arme man, maar weet ge, dat een even rijke als barmhartige mens uw iioestand kent en ter harte neemt, dan zijt ge gerust en goedsmoeds. En nu, zo de almachtige God en Schepper uwer gedenkt! Hoe ge van dit Goddelijk gedenken innerlijk vast overtuigd wordt, dat is niet het voornaamste, indien gij er slechts vast van verzekerd wordt. En om u daarvan te verzekeren, staat Hem de gehele schepping ten dienste. Derhalve niet slechts Zijn Woord en de stem van Zijn Geest, neen, zonnestraal en bloem, het gezang van een kind, de weldaad van een mens, en wat al meer. Geen schepsel is zo klein en zo groot, dat de Heere daarvan niet een evangelist zou kunnen maken, die vertroostend en vol mededogen tot u zegt: „Ik denk aan u en zegen u".

Hoe God tot Zijn dienstknecht Elia naderde, hoe Hij hem de weg der redding aanwees, door een gezicht, in een droom, door een engel of op enige andere wijze, dit vernemen wij niet. Zo willen wij ons daarover het hoofd dan ook niet breken. Genoeg, op de een of andere bovennatuurlijke wijze ontving Elia het bevel: „Ga weg van hier en wend u naar het oosten, en verberg u aan de beek Krith, die naar de Jordaan stroomt. En ge zult uit de beek drinken, en ik heb de raven geboden, dat zij u daar verzorgen". Deze boodschap kan slechts op een bovennatuurlijke wijze tot Elia gekomen zijn.

Dat gulzige raven hem van voedsel zouden voorzien, dit kon Elia niet door vlees en bloed of enige menselijke wetenschap geopenbaard worden, maar alleen door zijn Vader in de hemel, Die de Schepper en Regeerder van alle schepselen is. „Ik heb de raven geboden u daar te verzorgen". Elia moest geen mens zijn geweest, indien bij deze boodschap zijn hart niet ge­ sidderd had. Zijn gevoel zei hem: dat is toch stuitend, en zijn verstand voegde daarbij: het is onmogelijk; onmogelijk, dat deze gulzigste van alle dieren u vrijwillig vlees en brood zouden geven. Waar zij het vandaan zullen krijgen, is niet te begrijpen, en dat zij het zullen afgeven, zelfs wanneer zij het in overvloed hebben, is geheel ondenkbaar. Ja, deze weg is geheel in strijd met de natuur. In de regel is dit het zegel en kenmerk, dat Gods hand in het spel is, zo het wonderbaar toegaat, dat wil zeggen, in strijd met alle menselijke kunst en kracht, list en lust. Maar het is ook waar, dat onze natuur van zulke wegen van God afkerig is.

Het is ook waar, dat de mensen duizendmaal, wanneer God op zulke, naar onze mening, duistere wegen wijst, bewust of onbewust de ogen sluiten. Natuurlijkerwijze blijven zij dan zonder licht en troost van boven en klagen, dat God al hun bidden en smeken niet verhoort en in weerwil van Zijn telofte hun de weg niet wijst, die zij bewandelen moeten. O, dat wij toch nederig en eenvoudig werden, om de wenken van God te verstaan en op te volgen, ook wanneer zij met de „verstandige" denkbeelden, die wij ons gevormd hebben, zo sterk mogelijk in strijd zijn. Zo zouden wij dan de heerlijkheid Gods zien, terwijl wij nu, ach, hoe dikwijls in de donkere kamer zitten.

Of het en dat het de profeet zeer gemakkelijk is gevallen, zich met Gods wil te verenigen, behoeven wij niet aan te nemen. Maar wat er ook in zijn hart moge omgegaan zijn, het einde der zaak is, dat hij zich geheel overgeeft. Hij laat alle eigenzinnigheid en het ganse protest zijner natuur varen. Van nature is er bij ons geen plaats voor Gods werk. De Heere moet altijd een grote tegenstand in het mensenhart overwinnen en dan gaat Hij inwinnen voor zaken waar wij tegen zijn. Dat leert alleen Gods volk. Daarom zal het nimmer in de dadelijke genade spreken van eigen gehoorzaamheid, wel het tegengestelde. Het wordt voor dat volk een wonder, dat God leert en doet geloven met het geloof, dat Hij werkt en schenkt. Zo gaan we anders denken, willen gevoelen. Van een mens is daar niets bij; hij werkt wel tegen. Genade nu, leert strijden tegen eigen onwil en buigen voor Gods wil. Zo wordt Gods wil zijn wil.

„Elia ging heen en deed naar het Woord des Heeren". Hij gelooft en vertrouwt op zijn God nu zijn God daar plaats voor maakte, en daarom doet hij naar het Woord des Heeren. Deze beide zaken, geloven en doen, zijn onafscheidelijk met elkander verenigd, gelijk zonlicht en zonnestraal.

Geloof te bezitten, dat is zulk een onwankelbare overtuiging van Gods liefde en vrijheid te bezitten dat men zich aan Zijn wil gewillig onderwerpt. Geschiedt dit met een blijmoedige geest, dat is het beste; geschiedt het met vrezen en beven en tranen in het oog, dan is het ook goed; indien het slechts zonder morren geschiedt. God weet wel welk maaksel wij zijn en dat er naast de nieuwe natuur een oude is, die haar rechten onbeschaamd doet gelden en ook bij de beste personen slechts zeer, zeer langzaam sterft.

Sch. Ds. J. C. V. Ravenswaay

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1961

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juni 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken