Bekijk het origineel

REPUEKREDi (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

REPUEKREDi (2)

4 minuten leestijd

wel acht ik het nodig, dat de gemeenten meer middelen verkrijgen. Omdat de minister van financiën het met mij eens is, dat verruiming van de middelen voor de gemeenten tot verhoging van de totale lasten zal leiden, als de uitgaven van het rijk niet worden verlaagd, spijt het mij dat hij zo absoluut stelt, dat de rijksuitgaven niet verlaagd kunnen v; ^orden, wat inhoudt, dat de gemeenten met het toegemeten bedrag moeten toekomen.

Zeer juist is reeds bij de invoering van de wet-De Geer door sommigen, zoals ik in eerste instantie zei, het bezwaar gezien, dat de zelfstandigheid teloor ging. De gemeenten zijn afhankelijk geworden. Die afhankelijkheid wordt naar mijn mening, helaas, door dit voorstel niet opgeheven. De minister van binnenlandse zaken sprak dan ook mijns inziens terecht van een verdeling der middelen volgens dit voorstel. Zover is het dus reeds met de bevoegdheid van de gemeentebesturen gekomen. Ze zijn afhankelijk van wat er komt, ook al kan dat volgens dit voorstel meer objektief verdeeld zijn dan de tegenwoordige, meer subjektieve uitkering. Ze blijven echter afhankelijk. Maar dan mag er ook geen verwijt meer tot de gemeentebesturen worden gericht, als ze om meer komen vragen. Het is juist mijn bezwaar, dat deze mogelijkheid hierin ligt opgesloten. Al gaat iedere vergelijking mank, toch moet ik in dit geval denken aan een kind, dat niet zelfstandig wordt gemaakt en dat daardoor steeds op de ouders blijft steunen. Hier stelt de regering de bevoegdheid om te verdelen, nadat door allerlei regelen de

zelfstandigheid

aan de gemeenten is ontnomen, opnieuw vast. Men noopt de gemeenten zo weer, op de middelen van het rijk te steunen.

De mededeling van de minister van financiën over het eigen belastinggebied is voor mij wel zeer verontrustend. Er kan nog niet over worden gesproken, zegt Zijne Excellentie, want er is nog niets. Dit is mijns inziens inderdaad het geval. Een toezegging, dat de ministers hun uiterste best zullen doen om tot een verantwoord stelsel voor het eigen belastinggebied te komen, zou voor mij ook wel een andere strekking hebben, als er niet tevoren op was gewezen, dat het toch maar een aanvulling zal zijn. Met andere woorden: veel verwachtingen mag men er niet van hebben.

Vooral het tijdstip is naar mijn mening zo vaag gesteld, dat wij daaraan in het geheel geen houvast meer hebben. Dit doet mij vrezen, dat wij hiermede een zelfde lijdensweg zullen gaan betreden als met de vergoedingsregeling, gesteld in artikel 8 van de Deltawet. Het is geen mooi voorbeeld, maar ik kan geen ander geven.

De minister van binnenlandse zaken heeft het juist getekend, dat de belangstelling bij de burgerij er niet op vooruit gaat, als Den Haag financiert. Dat ben ik volkomen met hem eens. Hij acht de gemeentelijke financiële zelfstandigheid gewenst, maar mijns inziens blijkt dit, helaas, niet uit dit voorstel. De minister vindt het eigen belastinggebied zeer belangrijk. Hij heeft gezegd, binnen korte tijd grond onder de voeten te zullen hebben. maar te dien opzichte geloof ik, dat dit meer een wens dan een mogelijkheid is. Wanneer dit wetsontwerp zo wordt aanvaard, vrees ik, dat er ten aanzien van het

eigen belastinggebied

nog veel tijd zal verlopen, zo het ooit tot stand zal komen. Nu is er wel enige verruiming van de middelen van de gemeenten ontstaan door de voorgestelde wijzigingen, maar ik vrees — het is terecht reeds door de vorige sprekers gezegd — dat zulks Inhoudt, dat of de mogelijkheid tot reservering sterk wordt verminderd of dat de voorgestelde verhoging uiteindelijk toch weer zal leiden tot een lagere uitkering voor andere gemeenten door de zogenaamde verfijningen. Ik meen in eerste instantie duidelijk gezegd te hebben, dat men een gulden maar één keer kan uitgeven en geen twee keer. Ik heb er tenminste nooit kans toe gezien. Het is niet mijn bedoeling, op de detaüs in te gaan, want ik acht het niet mogelijk te beoordelen of de regeling de gemeenten voldoende geeft, als ik niet weet wat de eigen belasting kan opbrengen en ik nog minder weet, dat de mogelijkheid tot uitbreiding van het gemeentelijke belastinggebied er zal zijn.

Gaarne zag ik, dat alsnog werd overwogen, of een voorstel tot verruiming van het eigen belastinggebied der gemeenten spoedig kan worden gedaan en of de verdere behandeling van het onderhavige voorstel niet tot dat tijdstip kan worden uitgesteld. Nogmaals wil ik tot uiting brengen, dat ik het onjuist vind, dat de regering de

eigen uitgaven

niet verlaagt en het de gemeenten als het ware onmogelijk maakt meer middelen voor toch ook wel in vele gevallen noodzakelijke uitgaven te hebben.

Over de amendementen wil ik mij nog beraden; er zijn er zoveel ingediend, dat het mij niet mogelijk is, daarover thans reeds mijn mening te zeggen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1961

De Banier | 8 Pagina's

REPUEKREDi (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juni 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken