Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

6 minuten leestijd

III.

Ik ben zwart, doch lieflijk, gij dochteren van Jeruzalem! gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo. Hooglied 1 : 5

Wij hebben alle schoonheid en heerlijkheid verloren in onze diepe val in het Paradijs, ja, wij zijn gans melaats van zonden in de ogen van een heilig God. Daar weet de wereld niet van, zij wil daar niet aan, en wil er niet van weten; maar Gods volk wordt er aan ontdekt. En hoe meer genade, hoe meer ontdekking, dat blijkt ook hier weer uit het getuigenis van de bruid. Zwart te zijn voor God in eigen oog, dat is niet een oppervlakkige belijdenis, dat is beleving, dat is een diep vernederende en beschamende erkentenis.

Zelfs de dochters van Jeruzalem komen tot deze belijdenis niet. Daartoe ontbreekt hun de doorgaande ontdekking. Maar die zwartheid wijst ook op rouw en droefheid over de zonden. Gods volk is het tot voortdurende smart, dat zij niet zo kunnen leven als zij wel zouden willen leven. Zij zijn geen antinomianen of wetsbestrijders, die in de wet niet zien de eis Gods, maar een belofte Gods en een opwekking. Zelfs zijn er, die de wet helemaal verwerpen, de wet stellende als te zijn de wet van het werkverbond en niet behorende bij het genadeverbond.

Zij lasteren: „Laat ons de zonde doen, opdat de genade te meerder worde". Maar zo is het met Gods volk niet, maar die dragen rouw vanwege hun inklevende verdorvenheden, om hun gebrek in heiligmaking. Het staat hun altijd voor ogen, dat de Heere zegt: „Wees heilig, want Ik ben heilig". En dat zij daarin niet vorderen, maar veeleer achteruit gaan, bedroeft hun ziel. Zij worden groter zondaar, hoewel zij toch minder zonde doen. Door diepere ontdekking ontstaat er bij Gods volk een verdriet over de ongelijkvormigheid aan Christus, en uit dat verdriet worden veel droeve klachten geboren voor de Heere.

Maar er is meer! Gelijk de tenten Kedars waren blootgesteld aan weer en wind en daardoor hun onooglij kheid toenam, zo zijn Gods kinderen blootgesteld aan de verdrukkingen in deze boze tegenwoordige wereld. De vijandschap der wereldse mensen, de vele moeilijkheden om door dit Mesech van ellende heen te komen, de vele tijdelijke of geestelijke tegenspoeden, hoe doet het soms de ziel nederbuigen en zuchten als in een kerker. waardoor de mond gesloten blijft en Slons inwendige heerlijkheid niet wordt gezien.

En ten slotte werden de tenten Kedars zwart, vuil en onooglijk door het voortdurend heen en weer trekken der Kedarenen. Zij toch waren een reizende volkstam en woonden in de woestijn. Zo is het met de bruid, het is hier het land der ruste niet. Het volk Gods is op aarde gast en vreemdeling, en zij moeten vaak uitroepen: „Wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars woon". Daar is ook in het leven van Gods volk zoveel onrust, dat hun leven veel heeft van een woestijnreis, met al haar bezwaren. Dit alles ligt in dit getuigenis: „Ik ben zwart, gelijk de tenten Kedars".

De bruid is er aan bekend gemaakt, dat zij nog in vele ellende verkeert, dat zij niet is zoals zij moest zijn, en dat zij haar bestemming nog niet heeft bereikt. Maar zij heeft bij dat alles ook een dierbaar geloof, een vast vertrouwen dat zij lieflijk is in de ogen van haar beminde bruidegom. Want zij gebruikt nog een beeld, een kernachtig beeld, en zegt: „Lieflijk als de gordijnen Salomo's". Wat ligt daar nu in? Die gordijnen waren vooreerst zeer kostbaar. Maar is ook niet de bruid gekocht met de dure prijs van het dierbaar bloed van Jezus Christus?

Is zij niet zo kostbaar, dat geen prijs van Christus te hoog geschat is om haar tot Zijn eigendom te maken? Heeft Hij niet gekropen in Gethsémané onder de toom Gods, opdat Zijn bruid lieflijk zou worden in de ogen van Hem, Die rein van ogen is, om het kwaad te kunnen aanschouwen? Die gordijnen Salomo's werden met uiterste zorg gereinigd en voor bederf bewaard. Zo is de bruid altijd onder de zorg en bewaring van haar Bruidegom, Die haar reinigt van de besmetting der zonden door Zijn Geest, en Die ze bewaart voor bederf, voor verval en afval van de haar geschonken genade.

dit zinnebeeld om haar geloof te openbaren, dat zij heerlijk en lieflijk, is in de ogen van Christus, gelijk de gordijnen heerlijk waren in de ogen van Salomo. Welk een sterk geloof. Zulk een zwarte bruid zou heerlijk en lieflijk zijn in de ogen van zulk een Bruidegom? En toch is het geen vermetelheid, maar waarheid. Luister maar: „Zie gij zijt schoon. Mijn vriendin, zie gij zijt schoon", Hoogl. 1 : 15. Ja, geheel schoon noemt de Bruidegom haar, Hoogl. 4 : 7. Hoe kan dat dan toch?

Christus ziet in Zijn bruid Zichzelf, Zijn eigen werk. Zijn ganse middelaarsbediening, zodat het van Zijn volk geldt: „Ik zie geen zonden aan in Mijn Jakob, en geen overtreding in Mijn Israël". Zijn volkomen gerechtigheid bedekt al haar vuile zonden, en bekleedt haar met de mantel der gerechtigheid. Hij noemt ze: „Een enige is Mijn duive, Mijn volmaakte".

Die gordijnen Salomo's waren heerlijk in de ogen dergenen, die in des konings paleis kwamen. Denk slechts aan de koningin van Scheba, in wie geen geest over bleef als zij Salomo's wijsheid gehoord en zijn heerlijkheid aanschouwd had. Maar zo is de kerk Gods heerlijk in het oog, niet der blinde wereld, maar wel in de ogen der heilige engelen en in de ogen dergenen, die God ogen geeft om te zien. Daar wordt van dat volk getuigd: „Welgelukzalig is het volk, welks God de Heere is, dat Hij Zich ten erve verkoren heeft". Maar er was aan die gordijnen Salomo's veel arbeid ten koste gelegd. Een dergelijke heerlijkheid wordt verkregen, doordat kunstenaars hun van God geschonken gaven en wijsheid besteden om de grondstof­ fen, die op zichzelf reeds kostbaar waren, te maken tot iets gans bijzonders. Welk een beeld van de bruidsgemeente. Is Christus niet de opperste wijsheid, de Bouwheer en Kunstenaar, Die Zijn kerk bearbeidt door Zijn lieve Geest tot een vermaking in de ogen des drieenigen Gods? Wordt de bruidskerk niet lieflijk gemaakt in de werkplaats des Heiligen Geestes?

Wat al arbeid moet aan dat volk van God ten koste worden gelegd, voordat gezegd kan worden: „Ik ben lieflijk als de gordijnen Salomo's". Eer Gods kinderen die geloof svrij moedigheid hebben om te roemen in hun heerlijkheid in Christus is er wat aan te doen geweest. Maar Christus is met Zijn werk doorgegaan, heeft ze alles buiten Hem doen verliezen, haar doen buigen onder het heilig recht, dat beminnend boven zichzelf. En in dat ogenblik, dat zij God zijn recht gaf, is Christus haar geopenbaard en toegepast als haar Borg, Die haar schuld wegnam en haar met God verzoende.

Toen is zij lieflijk geworden in Gods ogen en in de ogen van haar lieve Bloedbruidegom met bewustheid voor haar eigen ziel. Toen is zij zichzelf kwijt geworden, en is zij in Christus overgegaan in de kracht en bewustheid des geloofs. En dat is het, waarop zij hier doelt en waarin zij de dochters van Jeruzalem onderwijst.

Rotterdam

Ds. v. Dam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1961

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken