Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

6 minuten leestijd

IV.

Ik ben zwart, doch UefWk, gij dochteren van Jeruzalem! gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo. Hooglied 1 : 5

In dit geloof ligt de kracht om over alle bezwaren heen te zien en Christus met vrijmoedigheid te mijnen, geiyk zij ook doet (2 : 16): „Mijn liefste is mijn en ik ben de Zijne, Die wijdt onder de leliën". En haar hart zingt wel eens met blijde stem:

Gelijk een duif door 't zilverwit, en 't goud, dat op haar veed'ren zit, bij 't licht der zonnestralen ver boven and're voog'len pronkt, zult gij, door 't Godd'lijk oog belonkt, weer met uw schoonheid pralen.

Hoe gelukkig zijn zij toch, die zich het eigendom mogen weten van een met hen verzoend God en Vader in Christus. Hoe jaloers is de bekommerde van hart op dat volk; vooral zij, die met een doorgaande ontdekking steeds meer beseffen de noodzakelijkheid om daar te worden gebracht. Eer geeft de Heilige Geest de ziel ook geen wezenlijke en bestendige rust, of men moet een borg hebben voor de schuld en men moet met God verzoend zijn door de dood Zijns Zoons.

Het is wel heel erg jammer, dat de ware evangelische bekommering om het eigendom van Christus te mogen worden in de bewustheid voor zichzelf, zo buitengewoon weinig gevonden wordt. In onze dagen is men immers zó vlug bekeerd in eigen ogen, men weet het zó goed wat allemaal van God is en men heeft zó veel teksten en beloften en er zijn zó veel dwaze bouwers, dat men heel gerust naar de eeuwigheid reist zonder borg en zonder verzoening met God. Men heeft immers wel eens wat ondervonden? Men heeft toch gezegd dat het een waar werk was? En wat God begint, voleindigt Hij toch ook?

Zo weet de arme, blinde mens zich met kansberekening op de been te houden. Maar om eens recht onbekeerd en ongelukkig te worden met al wat gebeurd is, het wordt steeds meer een zeldzaamheid. Klare mensen zijn er genoeg, maar zulken, bü wie het niet klaar is, bij wie het al meer en meer de vraag wordt: „Hoe kom ik nog ooit tot God bekeerd? " die zijn er niet zo veel meer. De ware ontdekking wordt steeds meer en meer gemist. En dat groot zien op vrijgemaakte kinderen Gods en dat heilig jaloers zijn is ten enenmale verdwenen, en dat merkten In vorige tijden de geoefenden op in de bekommerden als één van de zuivere kenmerken van een goed begin van nieuw geestelijk leven. In onze dagen moeten de bevestigden maar niet meer aandringen om tot een verzoende betrekking met God te geraken, want dan zijn zij zo hard en dan staan zij zo hoog, weet u wel? Het zou te wensen zijn dat én op de kansel én in persoonlijke gesprekken het meer ronduit werd gezegd, dat satan in verbond met het eigen bedrieglijk hart er duizenden op een droggrond zet, die bij het sterven als drijfzand onde: de voeten zal wegzinken. En al zou onder al die kansberekening en zelfhandhaving een weinigje ware genade liggen, hoe schadelijk is. het om uit gestalten en gemoedstoestanden onze staat op te maken voor de eeuwigheid. Het moet maar eens donker worden op het ziekbed, steeds donkerder en ellendiger, en het moet eens beproefd worden door ziels- en lichaamslijden, waar blijft men dan met die gemoedelijke vroomheid?

Daarom is 't zo nuttig als ons geen rust gegund wordt zo lang wij nog geen grondslag hebben voor de eeuwigheid; die grondslag namelijk, die in Sion gelegd Is in Christus. Al moet de bruid erkenneft, dat zij zwart is als de tenten Kedars, zy is toch maar het eigendom van Christus en dat mag ze goed weten. Dat heeft zij niet in een boekje gelezen; dat heeft zy van de Heere geleerd. Zou dat niet een zaak zyn om jaloers op te zyn en er naar te staan?

Er zyn er gelukkig .nog wel, die deze jaloersheid vaak in zich bevinden, die hun naam hebben horen noemen en hebben gelezen als het ging over de ware eigenschappen van het nieuwe leven en het zaligmakende geloof. Daar zyn alle ware bekommerden van overtuigd, dat zy Christus moeten hebben, zal het wel zyn voor de grote eeuv/igheid. Daar zorgt de Heilige Geest voor, dat buiten Christus geen rust gevonden wordt. Eigenliefde en zelfbehoud mogen machtige en sterke tegenhouders zyn op de weg naar de vrymaking, door de

kracht des Heiligen Geestes zyn zy by Gods kinderen overwonnen en aanvankeiyk ten onder gebracht. Geen verzoening dan door voldoening, niet alleen voorwerpeiyk, ook onderwerpeiyk, en daarom hebben wy een borg nodig voor de schuld.

Neen, wy hebben geen behoefte om weg te stoten, de ware levend gemaakte, maar nodig is het dat diepere inleiding wordt verkregen In de noodzakeiykheid en onmisbaarheid van de bewuste geloofsverenlging met Christus. Geen voordeliger zaak dan veel te vragen om ontdekkend licht, om van alle eigen gronden te worden afgebracht en in Christus te rusten tot zaligheid. Dat dan Gods kinderen hun voorrecht recht mochten waarderen, ondanks uw zwartheid, die u veelal doet zuchten en die maar steeds meer wordt.

Die zwartheid Is juist te meer een drangreden om verwonderd te zyn over de grote liefde van Christus, en ook om Hem steeds meer te benodigen in al zyn ambten en bedieningen. Het Is Immers Gods weg om zyn volk door oefeningen des geloofs meer en meer alleen te laten dryven op vrije genade, dat Is, op Christus alleen te laten steunen en leunen. Zo gaan wy uit Hem leven, zowel in verzoening als in reiniging van zonden. En daarby verheft zich het geloof toch wel eens zo, dat wy ons hoofd uit de gebreken mogen opsteken en zeggen: „Ik ben wel zwart in my zelf, ja gans ellendig en melaats, maar ik ben ook liefiyk in de ogen van myn lieve Borg en Middelaar, Die my wederom telkens reinigt met zyn dierbaar bloed. Dit is onze troost, beide in leven en in sterven, dat Christus ons tot zyn eigendom gemaakt heeft, in tegenstelling met zovelen onzer medemensen, die nog voortwandelen op de brede weg, die naar het verderf leidt. Mensen, die nog nimmer hun zwartheid voor God gezien hebben vanwege hun blindheid, menend dat zy nog zo slecht niet zyn, evenals de farlzeër In de tempel. Men meent ryk en verrykt te zyn, en men weet niet dat men is ellendig, jammeriyk, arm en naakt en blind.

Als Gods kind daar eens by bepaald worden mag, dat God onderscheid gemaakt heeft waar geen onderscheid was van nature, dan biyft er niet anders over dan verwondering en aanbidding vanwege zoveel onverdiende goedheid Gods.

Rotterdam

Ds. CHR. VAN DAM

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1961

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken