Bekijk het origineel

REPLIEKREDE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

REPLIEKREDE

5 minuten leestijd

uitsprak: Mijnheer de voorzitter. Mijn bezwaren tegen de voorgestelde regeling zijn door de zeer uitvoerige uiteenzetting van de minister, waarvoor ik hem, evenals de andere sprekers gedaan hebben, graag dank zeg, niet weggenomen. De minister heeft gezegd, dat er door de vermelding in de jaarverslagen en in de memorie van toelichting op de begroting wel gelegenheid zal zijn om telkens het beleid inzake de ruimtelijke ordening te bespreken. Die toezegging stel ik zeer op prijs, maar dat neemt niet weg, dat ik nog bezwaren heb en blijf houden tegen de mogelijkheid om door aanwijzingen de lagere besturen iets te laten doen — haast met de stok achter de deur: wanneer gij het niet doet, zal een ander het wel doen — wat zij niet juist achten. Dan kan Ik niet inzien, dat de lagere besturen hier worden geleid; dan worden zij naar mijn mening hiertoe gedrongen. Daartegen heb Ik bezwaar. Mijn bezwaren zijn nog in

versterkte mate

aanwezig, omdat, zoals ik gisteren reeds zeide, die aanwijzingen naar mijn mening met te weinig waarborgen t.a.v. openbaarheid en verantwoordelijkheid worden omringd.

Dat de ruimtelijke ordening niet statisch is, maar dat daarin steeds beweging is, stem ik graag toe, maar daarom acht ik het systeem van aanwijzingen toch nog niet nodig. Bij de plannen, die door de hogere besturen worden vastgesteld, zouden alleen de hoofdlijnen moeten worden getrokken; men zal niet in details moeten treden; deze dient men over te laten aan de lagere besturen. Zij moeten in volkomen vrijheid die details kunnen regelen. Wat van bovenaf geregeld moet worden, dient niet door aanwijzingen te worden vastgesteld; laat men dan een plan maken, waaraan men zich heeft te houden. Niet overtuigd ben ik, dat er noodzaak is, dat Gedeputeerde Staten een streekplan kunnen wijzigen. De omschrijving: in spoedeisende gevallen, acht ik te weinig bepalend. Ik meen, dat men daarmede verschillende richtingen uit kan, omdat het een

persoonlijke

interpretatie wordt. Wat de een een spoedeisend geval acht, zal de ander misschien nog langzaam aan kunnen doen.

Het ontgaan van de mogelijkheid, dat er voor de gemeentebesturen bezwaren uit een streekplan voortvloeien, zie ik ook daarin, dat het alleen hoofdlijnen zal moeten bevatten en dat men ook daar niet al te veel in details zal moeten treden.

Verder wil ik nog wel een mogelijkheid laten, dat Gedeputeerde Staten vrijstellingen zouden geven, eventueel ontheffingen. Dat is naar mijn mening iets anders dan wijzigingen aanbrengen en als het ware een plan opnieuw vaststellen. Dan is men toch altijd gebonden aan het plan. Alleen kan men er dan eventueel van afwijken en dan zal hier naar mijn mening nog een mogelijkheid moeten worden gegeven tot het inbrengen van bezwaren en het eventueel instellen van beroep.

Ik neem gaarne aan, dat zakelijke overwegingen tot dit voorstel hebben geleid, en ik vind het reeds een grote verbetering, dat Provinciale Staten het

streekplan

kunnen vaststellen, doch ik blijf bij mijn mening, dat dan ook alles aan de Provinciale Staten zal moeten worden gelaten en dat men de mogelijkheid tot wijziging door Gedeputeerde Staten zal moeten wegnemen.

Ik verwacht, dat mijn bezwaren tegen de mogelijkheid, dat de lagere besturen iets moeten doen wat zij niet juist achten, alsook die tegen de artikelen 39 en 40 bij de artikelsgewljze behandeling nog wel kimnen worden besproken, want daarover is weinig gezegd.

Ik ben toch ook dankbaar, dat ik de minister niet in alles moet tegenspreken. Wanneer de minister spreekt over de grondspekulaties, dan kan ik hem daarin volledig volgen. Ik meen niet, dat men dit op de wijze, zoals het door de anderen is voorgesteld, kan tegengaan; ik ben het volkomen met de minister eens, dat, wanneer er eenmaal plannen ztjn, een bestuur niet moet wijken voor eventuele belangen van anderen, vooral wanneer er spekulatle achter zit, doch eenvoudigweg moet zeggen: Hier hebt u het, dit kan en dat kan niet.

Ik geloof, dat wij er tegenwoordig wel eens te veel onder lijden, dat men ledereen te veel zijn zin wil geven en daarom eigenlijk

niemand

zijn zin geeft. Er zal uiteraard bij de artikelsgewijze behandeling zeker nog wel een mogelijkheid zijn om over artikel 22 te spreken, maar toch zou ik met uw goedvinden nog iets willen zeggen over het bekend maken van het plan, het ter inzage leggen, de publikatie of wel persoonlijke kennisgeving.

Ten einde voldoende zekerheid te hebben, dat de belanghebbenden met het ter inzage leggen bekend zijn, acht ik een persoonlijke kennisgeving zeer wenselijk. De bezwaren, dat de personen niet uit de administratie bekend zijn, acht ik niet onoverkomelijk. Ik zou haast zeggen: dit pleit weer voor een kleine gemeente, want daar weet men het wel. Er zou, zo nodig, naar mijn mening kunnen worden volstaan met een bepaling, dat aan de eigenaren, die in de kadastrale legger bekend zijn, kennis moet worden gegeven. Het kan inderdaad misschien moeilijk zijn, die adressen allemaal te vinden, maar onmogelijk lijkt my dat niet en het lijkt mij, dat het toch een zekere waarborg geeft. Weliswaar zal er dan een mogelijkheid zijn, dat niet allen bereikt worden, maar er zal toch altijd een veel grotere mogelijkheid zijn, dat de bekendheid zich verder uitstrekt dan alleen door een publikatie in de Staatscourant en in de nieuwsbladen het geval is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1961

De Banier | 8 Pagina's

REPLIEKREDE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1961

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken