Bekijk het origineel

REPLIEKREDE

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

REPLIEKREDE

8 minuten leestijd

laten volgen.

Ir. van Dis sprak als volgt:

Mijnheer de voorzitter.

Aangezien Ds. Mieras wegens ambtelijke bezigheden verhinderd is de vergadering van heden bij te wonen, zal door mij in zijn plaats van de gelegenheid tot repliek gebruik worden gemaakt. Ik wens mij dan eerst te bepalen tot wat de geachte afgevaardigde, de heer Aantjes gisteravond tegen ons heeft ingebracht in verband met artikel 36 der Nederlandse Geloofsbelijdenis. Het spijt ons ten zeerste, dat wij daarbij moeten beginnen met de heer Aantjes er van te betichten, dat hij door de woorden van mijn fraktiegenoot

geheel onjuist

weer te geven, zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van het negende gebod, dat luidt: „Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste".

Wat dit inhoudt, kan men nader omschreven vinden in Zondag 43 van de Heidelbergse Katechismus, waarvan Ik slechts een enkele passage letterlijk aanhaal, namelijk deze:

„Dat Ik tegen niemand valse getuigenis geve, niemand zijn woorden verdraaie".

Het laatste nu is door de heer Aantjes gedaan. Hij heeft de woorden van Ds. Mieras op ergerlijke wijze verdraaid en hem daardoor in de mond gelegd, wat door hem beslist niet is gezegd.

De heer Aantjes toch wekte de indruk als zou door mijn fraktiegenoot zijn beweerd, dat de Antirevolutionaire Partij uit artikel 36 een gedeelte heeft geschrapt, waarbij hij er voorts op wees, dat dit niet door de Antirevolutionaire Partij, maar door de Gereformeerde Kerken is gedaan. Het laatste is ons zeer wel bekend en daarom is door Ds. Mieras niet beweerd, dat de Antirevolutionaire Paxtij dit heeft gedaan. Hij heeft in zijn rede gezegd, dat wij niet kunnen meegaan met de Antirevolutionaire Partij, welke beginselen voorstaat, die vierkant in strijd zijn met het onverkorte artikel 36 der Nederlandse Geloofsbelijdenis. Dit is dus heel wat anders dan de heer Aantjes ons in de schoenen heeft geschoven. En van deze woorden nemen wij geen woord, ja geen letter zelfs terug. De

Antirevolutionaire Partij

staat inderdaad beginselen voor, die lijnrecht tegen het onverminkte artikel 36 ingaan. De heer Meulink (A.R.P.): Welke beginselen? De heer Van Dis (S.G.P.): Wacht u maar. Dat komt nog wel. Op grond hiervan is door ons steeds verklaard, dat zij, die behoren tot kerken, die artikel 36 der Nederlandse Geloofsbelijdenis onverkort handhaven, met deze belijdenis in strijd handelen, wanneer zij zich scharen onder het vaandel der Antirevolutionaire Partij. Dit geldt dus ook voor de leden der Nederlandse Hervormde Kerk, die nog immer het onverkorte artikel 36 in de belijdenis handhaaft; dat geldt derhalve ook voor de geachte afgevaardigde de heer Aantjes. Ook hij handelt in strijd met zijn belijdenis door zich te voegen bij een partij, welker beginselprogram niet gegrond is op het onverkorte artikel 36, doch zelfs tegen dit arkel der belijdenis ingaat. Men behoeft slechts kennis te nemen van bepaalde onderdelen van

artikel 5

van het nieuwe anti-revolutionaire beginselprogram om dit te kunnen konstateren. Wij zullen hierop bij deze gelegenheid niet nader ingaan, omdat dit ons te ver van het onderwerp zou afvoeren. Ik meen hiermede genoegzaam te hebben rechtgezet. . .

De heer Meulink (A.R.P.): Nu hebt u nog geen beginsel genoemd. De heer Van Dis (S.G.P.): ... datgene, waarvan de geachte afgevaardigde de heer Aantjes een geheel verdraaide voorstelling gaf. Wanneer de geachte afgevaardigde de heer Meulink nu zegt: u hebt nog geen beginsel genoemd, dan is dat zo; ik gaf wel een aanwijzing, n, l. artikel 5 van het a.r. beginselprogram, maar ik acht het beter hierop thans niet in te gaan, daar dit beter bij een volgende gelegenheid, b.v. bij de algemene beschouwingen over de rijksbegroting kan worden gedaan.

De heer Meulink (A.R.P): Het is wat laat, maar ik zal u er aan herinneren.

De heer Van Dis (S.G.P.): Ik geloof dat u, mijnheer de voorzitter, mij zou afhameren, wanneer ik nu een uitvoerig betoog zou gaan houden over de anti-revolutionaire partij in verband met artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis.

De geachte afgevaardigde de heer Aantjes liet het hier echter niet bij. Hij merkte voorts op, dat wij aan artikel 36 woorden hebben toegevoegd, waartoe hij het bewijs meende te vinden in het voorlopig verslag. Hierin wordt o.m. vermeld, dat enige leden het beginsel voorstonden, dat het de roeping der overheid is de verkondiging van het Evangelie met alle mogelijke middelen te bevorderen. Tegen die woorden n.l. „met alle mogelijke middelen" richtte de heer Aantjes zijn aanval. Dit zouden dan de woorden zijn, die wij aan artikel 36 hebben toegevoegd. Wij vinden zulk een bestrijding toch wel zeer

kleinzielig,

mijnheer de voorzitter. Als de geachte afgevaardigde de heer Aantjes op deze wijze blijft voortgaan, zal men, om zich te hoeden voor de door hem toegepaste bestrijdingsmethode, niet anders over artikel 36 kunnen spreken dan telkens weer de gehele inhoud letterlijk te citeren. Voor enige vrijheid, waardoor het desbetreffende artikel niet het minst wordt geschaad, blijft er dan geen plaats. In zulk een keurslijf wensen wij ons echter niet te steken. Er is geen sprake van, dat wij woorden aan artikel 36 zouden willen toevoeg-en. Wij zouden daar zelfs ten sterkste tegen zijn, evenals wij tegen het schrappen van 21 woorden uit dit artikel door de Gereformeerde Kerken zeer ernstige bezwaren hebben. Anderzijds zijn wij echter van oordeel, dat onzerzijds niets is misdaan door te stellen, dat het de roeping der overheid is de verkondiging van het Evangelie met alle mogelijke middelen te bevorderen. Het spreekt vanzelf, dat hierbij uitsluitend

geoorloofde middelen

bedoeld zijn. Dat is voor ieder zo klaar als kristal en zo duidelijk, dat er eigenlijk niet verder over behoeft te worden gesproken. Ieder kent ons standpunt, om maar een voorbeeld te noemen, ten aanzien van loterijen. Van o: is is derhalve niet te verwachten, dat wij het houden van een loterij ten behoeve van kerkbouw, zoals dat menigmaal van rooms-katholieke zijde wordt gedaan, als een geoorloofd middel zouden beschouwen. Het geven van financiële steun door de overheid achten wij echter op zichzelf alleszins geoorloofd, mits natuurlijk onder de voorwaarde, dat in die kerk Gods Woord zuiver wordt verkondigd, zoals dat onzerzijds in eerste instantie overduidelijk is gezegd.

Wij menen, dat dit zeker niet in strijd is met, ja zelfs in de lijn ligt van artikel 36 der Nederlandse Geloofsbelijdenis. Hierin wordt toch het ambt der overheid onder meer gerekend niet alleen acht te nemen en te waken over de politie, maar ook de

hand te houden

aan de heilige kerkedienst. Dit wil niet zeggen, dat de overheid een taak heeft in de kerk, maar wel omtrent de kerk. Zij heeft derhalve voor de kerk te zorgen, haar te steunen. Onze gereformeerde vaderen hebben dus de band met de kerk niet doorgesneden.

Zij maakten wel onderscheid tussen staat en kerk, beide waren zelfstandig ieder gebonden aan Gods Woord, maar niet los van elkander. Zij stonden derhalve geen scheiding van kerk en staat voor. Laat de heer Aantjes maar kennis nemen van wat de oude gereformeerde godgeleerden hierover hebben geschreven. Dan zal hij zien, dat zij het tot de roeping der overheid als dienaresse Gods beschouwden, haar macht en gaven aan te wenden tot aanwas en tot steun van de kerk. Eén hunner, n.l. de geleerde en beroemde theoloog

Voetius

merkte dienaangaande in zijn verklaring van de katechismus op, dat de overheden middelen moeten verschaffen tot onderhouding van zodanige personen, die de - waarheid moeten leren. Hij liet dit dus niet aan de kerk zelf over, maar kende ook aan de overheid ten deze een taak toe. Hierop ziende, mijnheer de voorzitter, achten wij het geenszins in strijd met artikel 36 te zijn, wanneer van overheidswege onder de door ons genoemde voorwaaxde, in bijzondere omstandigheden, zoals in een tijd dat alles even duur is, financiële steun wordt geboden ten behoeve van kerkbouw. En het is wel zeer frappant, mijnheer de voorzitter, dat de heer Aantjes met zichzelf geducht in

tegenspraak

is gekomen. In de nota toch, welke door hem werd toegevoegd aan het rapport Inzake subsidiëring van kerkbouw, uitgaande van het kollege van advies der Antirevolutionaire Partij, verklaarde de heer Aantjes op blz. 15 eerst:

„Gelijk een ieder is ook de overheid geroepen — te haren aanzien wordt dit b.v. ook beleden in artikel 36 der Nederlandse Geloofsbelijdenis — het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen",

om dan hierop woordelijk te laten volgen:

„Het Is zeer wel denkbaar, dat de overheid oordeelt, dat het in deze haar roeping past kerkbouw te subsidiëren".

En even verderop verklaarde de heer Aantjes:

„Subsidiëring, dienstbaar aan de vervulling der zojuist genoemde overheidsroeping, zou dan beperkt dienen te worden tot die kerk (en), waar het Evangelie zuiver gepredikt wordt".

Men ziet, mijnheer de voorzitter, dat dit nu juist

precies

is, wat onzerzijds in eerste instantie werd opgemerkt. De enige konklusie uit het betoog van de heer Aantjes is dan ook, dat het in alle opzichten geen steek houdt. Wat het antwoord van de minister betreft, mijnheer de voorzitter, behoeft het geen nader betoog, dat hij er niet in geslaagd is, ons van tegenstanders van het wetsontwerp tot voorstanders te maken. Wij handhaven derhalve ons standpunt, dat het wetsontwerp op de gronden, welke onzerzijds in eerste instantie reeds werden vermeld, voor ons onaanvaardbaar is en dat wij er onze stem niet aan zullen kunnen geven.

Wat betreft de motie, welke zoeven door de heer Van Dijk is ingediend, ik heb die motie nog niet voor mij gehad. Ik wil deze motie dus eerst eens rustig bezien, voor en aleer wij ons oordeel er over kunnen uitspreken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1962

De Banier | 8 Pagina's

REPLIEKREDE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 mei 1962

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken