Bekijk het origineel

Wetsontwerp algemene kinderbijslag

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Wetsontwerp algemene kinderbijslag

13 minuten leestijd

TWEEDE KAMER

Rede van Ir. van Dis

De lezer zal zich nog wel hertaneren, dat de behandeiltog van het bovengenoemde wetsontwerp aanleiding heeft gegeven tot een konfil'lkt laet 'de vorige miinistier Van socüal'e zateen, de toeer Van Rooy, wat er toe leidde, 'dat deze minister on'tsJiag aanvroeg en verkreeg. Hij werd opgevoiid door minister Veldkamp, die tevoren reeds als staatssekretacis van efcomomisdhe zaken deel van de regering had uitgemaakt.

Minfeter Veldlkamp 'diende nieuwe voorstellen in zake regeling van de 'algemene 'Mnidertoijsliag in, waardoor het hem gelukte het wetsontwerp 'aangenomen te krijigen. De S.G.P.-fraktie kon ©cihter ook met deze 'nieuwe voorsteHlen niet meegaan. Zij was van oordeel, idait ook na (het aanbrengen van de voorgestelde wij'Zigingen, het ontwerp nog 'tal van onbillijkiheiden bevatte, waaraan zij haar medewerking ni'öt kon verlenen. Wij behoeven op ^jje wijzi'gtoigen in d'eeze inleMiiing verder niet in te gaan, om'diat ze jji de rede, wellae namens die g_Q.P.-fra'k!t3iie door Ir. vain Dis ^efTd geiliaudien, wdnden ©emioemd, godat die leaeor er een voldioendie fei- ^nik van krijgt waarin düe ontoiillijkhedien bestaan. Wij laten dius DUans de rede volgen. Ir. van Dis sptrak als volgt:

Mijnhieer de voorzitter. Bij de betoamdeilinig van diib wets- , antiwerp in juli 1.1. as omzeirzijds uitvoeriig Ingegaan lop de vraag of ec bij dit ontwerp al diarn miet spra- ]je is van verzekering. Bc toelhioef op deze kwestie derthalve tihans niiet diep meer in te gaan. Volsitaan kan thans wardien met er aan te hieriinneren, dat wij tot de konklusle kwamen, 'dat nocih de negeüiinig van de wet van 1939, notóh. die van üiet wetsontwerp, dat in juilii laatstleden werd betaandeld en zoals het •bhans in gewijzigde varm voor ons ligt, als een verzekertog kan worden aangemerkt.

Wij verwezen daartoij, voor wat die wet van 1939 betreft, naar uiittspoiaken van Dr. Vos en 'de lieer Van Houten, voorts naar idie van het Centraal Sociaal Weirkgeveirsveirbond, van de heetr Oud in „Elseviers Weekblad", van mejuffxiouw Nolte in hiet maandblad „Vrouwenbelangen". Wat het omdeirihiavige wetsontweirp betreft, weird dioor mij aaoagetoond, dat ook Me< raan van verschillende zijden, waar men overigens tegen verzekering geen principiële bezwaren heeft, het karakter van verzekering met alle

beslistheid

werd ontzegd. Te dezen heïinner ik aan die ualtspraak van de redaktle van het orgaan der dhirastelijke bouwvakpatroons, waajriin werd verMaairid, diat aan dit wetsomtwerp geheel omtbreekt wat de jaren door onder verzekering werd verstaan, doordat het hier louiter gaat om een tervardeling van het niatiionaile imkomen, beter gezegd: om een niveUering van inkomens. Ja, zelfs uit rooms-kathodlekie 'kringen, waar men zo bijzondier sterk voor een algemene kiniderbijslagrege- Ifag 'geporteerd is, kwam 'kritiek tegen het rangschikken van de voorge'Stelde kinderbijslaghepalaingen onder verzekering. Daaribij werd 'door mij gewezen op een uitspraak in het „Katholiek Socaiaal Tijdschrift" (1958, no. 7), waarin uitdiru'kkelijk werd verklaard, dat hier van verzekerin'g geen spraike is, maar dat het hierbij gaat om een herveridieling van de totale loonsom. Voorts op een uitspraaik, voorkomende in „De KathoMeke Werkgever" van 1958 (tote. 261), waarin werd verklaard, dat ktoderbijslag geen sociale verzekering is. Het werd dan ook door de redaktie van dat orgaan betreurd, dat het begrip kindertoijslagverzekering zo is Ingeburgerd, en voorts, dat het beter ware te spreken van „kindierbij slagregelin-g".

Al deze uitspraken van de kant van hen, 'dlie tegen verzekiering geen godsidlenstige bezwaren hebben en die toch zeker niet zo igesdhreven hebben oon 'ons een handje te helpen, spreken genoegzaam voor zich zelf. Voeg dan daarbij < nog, dat verscheidene Kamerleden, die tegen verzekering geen prfincipiële bezwaren hebben, hij de behandeling van düt wetsontwerp nadrukkelijk hebben verklaard, 'dat de i& esria voorgestelde kinderbijslagregeling

geen verzekering

is, zoals onder m-eer werd ged'aan door de heer Oorver, die dat vanmiddag nog eens opnieuw d«ed, en ook door de heer Smallenbroek, dan achten wij het meimoreren hiervan voldoende lom nog eens uitdrutokelij'k vast te stellen, dat de bezwaren, die wij destijds tegen het wetsontwerp hehben aangevoerd, niet 'daarop gegrond zijn, dat idiit wetsontwerp op verzekering zou berusten.

Ook gingen onze bezwaren niet tegen het toekennen van kinderbijslag aan kleine zelfstandigen. Integendeel, wij hebben in 1951 onae volle medewerking verleend 'Oan de nioodregeling ten behoeve van kleine zelfstandigen. Reeds in 1939 was een onzer grieven tegen het toenmalige wetsontwerp, dat daar­

in de

kleine zelfstandigen

niet waren betrokken. Onze grief tegen het huidige wetsontwerp was ook niet, dat daarin een voorziening werd getroffen voor de kleine zelfstandigen door voor hen de inkomensigrens te verhogen, wat in deze tijd waarin 'de kosten zijn gestegen, alleszins WUijk moet worden geaoht. Ons bezwaar gold het feiilt, dat zelfstandigen, onverschillig de grootte van hun inkomen, in de fcimderbijslagregeiling werden betrokken. Wij vonden het een hoogst ongezonde toestan'd, wanneer ouders, düe financieel ruimschoots in staat zijn voor het onderhoud hTinner kinderen te zorgen, krachtens deze wet een handreiking kregen toegesitopt, welke mede moet worden opgebracht door hen, die over kleine inkomens beschikken. Niet minder werd het door 'ons als een ernstig bezwaar aangemierkt, dat velen mede moeten betalen voor het oindierhoud en de opvoeding van de kinderen van anderen, terwijl zij zelf geen kinderen hetoben, zoals de talrijke

ongehuwden.

echtparen zonder kinderen, ouders met één 'of twee kinderen en oudetrs, die kinderen boven een bepaalde leeftijd hebben en dus niet meer voor kinderbijslag in aanmerking komen. Zij aHen toch zullen tot het 65ste jaar kinderbijslag voor 'kin'deren van 'anderen moeten opbrengen. Bovendien bevatte dit wetsontwerp allerleü onboMlj'kheden, welk'e zich vooral lieten gelden nu ler gesproken werd van een algemene •fcimderbljslagregeling. Wanneer tooh een regeling algemeen is, behoort 'er geen onderscheid te worden gemaakt tussen hen, idie in loondienst zijn, en zelfstandigen. Als zij, 'die in loondienst zijn, ook kin'derhijslag omtvan'gen voor de eerste twee kinderen , terwljl de kleine en 'overige zelfstandigen pas kinderbijslag vanaf het derde kind ontvangen, dan wordt dit terecht als een grote onbülljkheiid 'aan'gemerkt. Niet minder wordt het bij een wet, idie als algemeen wondt aangediend, orabiillijk geacht, 'dat zelfstandigen minder 'kinderbijslag krij'gen uitgekeerd 'dan zij, die in 'loondienst zijn. De regering 'heeft het 'afgewezen om hen, die In loondienst zij'n, en de zelfstandigen ten opzichte van 'de kinderbljsilag op één lij'n te stellen. Dit zou toöh volgens haar alleen m'ogelijk zijn als de staat entele honderden miljoenen bijpasite. Minls'ter Van Rooy kon daiarvoor de verantwoordelijkhei'd oüfit op zich nemen, en niet laMeen hij; het gehele kabinet kon dit niet. Ook de minister, die thans het beheer over het departement van sociale zaken voert, 'heeft dit niet voor zijn rekening kunnen nemen. Dit wijst er e«igenlij'k reeds op, dat heel het streven 'om hen, die in loon'dienet zijn, en de zelfstandigen in

één wet

te betrekken beslist verkeerd is. Het schept allerlei onbillijkheden, doordat de een wel kinderbijslag krijgt, de ander niet of min'der dan anderen. Daarom zijn wij er voor om de kinderbijslagregeling ten behoeve van 'de loootrekkenden te laten zoals deze is. De loontrekkenden toch worden van heel idit wetsontwerp, ook na de daarin door de huidige minister voorgestelde wijzigingen, niets beter. Dit werd in het orgaan van het Ohöstelijk Nationaal Vakver'ban'd „De Oids" van 14 oktober 1.1. nog eens nadrukkelijk beklemtoond. De redaktie van dit orgaan schreef dienaangaande:

„Kinderbijsl'ag voor kleine zelfstandigen kan ons sociaal interesseren, als vakbeweging, wel- 'ker werkingssfeer 53ich met de loontrekfcenden bezig houdt, staan wij daartouiten. Ons interesseert dit wetsontwerp echter stellig voor zover het zich met de loontrekkenden 'bezi'g houdt. Welnu, voor hen komt er geen wijziging. De kinderbijslag blijft zoals deze is van 'het eerste kind 'af".

Wat 'de loontrekkenden betreft, zal dus verwerping van idit wetsontwerp voor 'hen geen enkel nadelig èrevolg 'hebben. De minister heeft nu ten aanzien van 'de zelfstandigen enkele wijzigingen voorgesteld. Hij stelt voor, aan de kleine zelfstan'digen met een inkomen tot ƒ 3500, — ook kinderhijslag te geven voor de

eerste twee kinderen

en aan hen, wier 'inkomen tussen 'de ƒ 3500, — en ƒ 3700, — ligt, vainaf 'het tweede kind. Voor 'deze tegemoetkoming wordt 'dan een beroep gedaan op de staatskas, miaar 'de ontadlUlj'Khei'd blijft bestaan, dat ale zelfstanidi- 'gen, wier inkomen boven ƒ 3700, — ligt, voor de eerste twee kinderen geen kinderbijslag krijgen. Ook blijft voor 'hen, wier inkomen tussen ƒ 3500, — en ƒ 3700, — ügt, de 'onbiMijkheid bestaan, dat zij voor het eerste kin'd 'geen kinderbijslag zullen ontvangen. Bovendien is het onrechtvaardig, dat de zelfstandigen, ongeacht het aantal kinderen, slechts de

helft

zuUen krijgen van 'de bijslag der loontreikkenden. Behalve deze bezwaren van een onbillijke behandeling achten wij de voorgestelde bedragen van ƒ 3500, — en ƒ 3700, — wel aan de zeer lage kant. Deze regeling toch houdt in, dat, zodra een kleine zelfstandige een frakWe meer verdient dan het allem'oo^akeUjfcste miinimum, 'dat nodig is om in de eerste kosten van levensonderh-oud te voorzien, hij 'in 'belangrijke mate wordt achtergesteld bij 'de loontrekkenden, 'die al spoedig ƒ 4000, — en meer verdienen.

Voorts wordt het door velen als een onbUlij'kheid beschouwd, dat zelfstan'digen met een l-nkomen boven ƒ 12.000, —, met enige uitzonderingen, afhankelijk van het aantal kinderen, volgens de door de minister 'aangebrachte wijzigingen geen kinderbijslag zullen ontvangen, terwijl zij er wel voor moeten opbrengen. Zij komen dus hierin in dezelfde omstandigheden te verkeren als zovele anderen, die wel zullen moeten betalen, doch

nooit enig profijt

van deze wet zullen trekken. Alleen de ongehuwde vrouwen boven de 45 jaar worden nu vrijgesteld van de nieuwe lasten, die deze wet ons volk zal opleggen; aUe overige ongehuwden, dus alle mannelijke ongehuwden en de vrouwelijke ongehuwden beneden de 45 jaar, olsm.ede de echtparen, die 'geen kinderen hebben, en de echtp'oren, wier kinderen boven een zekere leeftij'd zijn, zullen de lasten mede m'oeten dragen.

Ook 'de kle'ine zelfstandigen, die na het aanbrengen van de voorgeste'lde wijzigingen van deze wet geen profijt zuUen hebben, zullen er voor m'oeten opbrengen, e'venals dus zij, wier inkomen boven ƒ 12.000, — ligt en wier kindertal hen bulten deze wet doet vallen. Tevens is ons bezwaar, dat predikanten, die met hun gezinnen door de gemeente, welke zij dienen, van behoorlijk onderhoud worden voorzien, niet worden 'vrijgesteld. Kortom, mijnheer de voorzitter, bij ons bestaan 'tegen het weteontwerp zeer ernstige bezwaren. Wij geven nog al'tij'd de voorkeur aan het vervangen van de bestaande nioodregeling ten behoeve van de kleine zelfstan'digen door een

wettelijke regeling,

waarbij Uez bedrag van het inkomen, tot hetwelk kinderbijslag wordt verleend, met het oog op de huidige tijdsomstandigheden, wordt verhoogd, zoals idat ook door de Koninklijke Nederlandse Middensitands'bon'd en het KonlrMijk Nederlands Lan'dbouwkomité in hun laidres van 31 januari 1958 werd voorgesteld.

Van de zij'de van 'de K.V.P. werd zulk een regelin'g door de geachte afgevaardigde de heer Van Doom op een onlan'gs gehouden vergadering van zijn partij afgewezen als zijnde een „opgepoetste armenzorg", miaar van wat 'thans wordt voorgesteld, kan dit evengoed worden gezegd, daar ook nu, 'dus volgens de aangebrachte wijzigingen, een beroep op de overheidsfinanciën wordt gedaan. Alles bijeen genomen, mijnheer de voorzitter, staan wij niet sjonpathiiek tegenover dit wetsontwerp, ook niet na de 'door de minister voorgestelde wijzigingen. Wij erkennen gaarne, dat de minister voor een zeer moeilijk probleem stond. Ook zijn wij de minister zeer 'erkentelijk voor de toezegging, dat door hem wordt gehandhaafd de toezegging van zijn ambtsvoorganger ten aanzien van hen, die wegens gewetensbezwaren 'tegen verzekering een vrijstelling hebben voor de specifiek sociale verzekeringswetten, m'aar idle in de kinderbijslag 'geen verzekering zien.

Mijnh'ere 'de voorzitter! Wij zuUen het antwoord van de minister afwachten vooraleer wij onze defi- niMeve houding bepalen, ook al omdat er zoeven amendementen zijn ingediend, die wij eerst rustig willen bezien ana te kuimen zeggen of zij een belangrij fee vert> eüeirto.ig inhouden.

Voordat de eindstemming over het wetsontwerp plaats had, leigden enkele leden eerst nog een verklaring af. Allereerst Mr. Aantjes (A.R.), die blijkbaar alleen voor zicihzelf zijn stem motiveerde, want hij was de enige van de A.R.-fraiktie, dde tegen het wetsontwerp stem.de. De heer Aantjes merfkte op, dat dit ontwerp naar zijn oordeel het karakter van verzekeringsonitwerp miste en zijaos inziens eerder leiden zal tot een verzwakking dan tot een versterking van het verantwoordelijkheidsbesef. In het bijzooder was hij voorts van oordeel, dat het wetsontwerp ten onrechte voorbijgaat aan het essentiële verschil m dmfcomensvormiing van zelfstandflgen en loontrekkenden en een beïnvloeding van de struktuur van onze maatschappij 'in een zijns toaiens onjuiste richting betekent. Hij achtte dan ook geen rechtsgrond aanwezig, die het wetsontwerp rech'tvaandigt. De In het oori^ronkelijk ontwerp aangebrachte wijzigingen hadden zijn bezwaren ten principale niet weggenomen, doch integendeel 'andere, onder meer van adminisbratief-technische aard, daaraan toegevoegd. Hij kon, alle bezwaren tezamen genomen, zijn stem aan het ontwerp derhalve niet geven.

De heer Oorveir (V.VJD.), die zeer ernstige bezwaren tegen het ontwerp had ingebracht, verklaarde namens zijn frafetie, dat hij en zijn poltii'eke vrienden ondanks düe bezwaren, hun stem niet aan heft ontwerp zouden onthouden. De heer Berger (P.vxi.A.) had er tij'dens de behandeling van het wetsontwerp reeds geen twijfel over laten bestaan, 'dat zijn fraktie zeer ernstige bedenkingen tegen het wetsontwerp had, welke door de aangebrachte wijzigingen niet waren weggenomen. Hij verklaarde dan ook, dat het antwerp In vrijwel geen enkel opziöht voldeed aan de voorwaarden, waaraan naar het gevoelen van de leden zijner fraktie een goede algemene fcindertoijslagvoorziening diende te voldoen, en dat zij er deswege tegen zouden stemmen.

Namens d)e S.G.P.-frak, tiie legde Ir. van Dis de navodgende verklaasing af:

Mijnheer de Voorzitter! Hoewei het oniderhaviige wetsontwerp niet op verzekering berust, zodat er uit dien hoofde voor ons geen bezwaar behoeft te zijn om dit wetsontwerp te 'aanvaarden en wij voorts voorstanders zijn van de amendementen, welke voor de kleine zelfS'tandigen enige veribeteaiing in het wetsontwerp kunnen aanbrengen, bestaan tegen het wetsontwerp bij ons toch emstdige bezwaren.

Ten eerste, omdat het aanleüdfing geeft tot een reeks van onbillijkheden, daar velen, on'der wie oo'k 'kleaine zelfstan'digen, wel de lasten zullen m.oeten dragen, maar er geen profijt van zullen trekken. Ten tweede, omdat de dliscrimtoatie tussen loontrekkenden en zelfstandigen slechts voor een deel is weggenomen, doch voor een belangrijk deel blijft besitaan, doordat kletae zelfstandigen met een inkomen boven de ƒ 4000, — voor de eerste twee kinideren geen 'künderbijslag krijgen, loontre'kkenden daarentegen wei; alsmede doordat loontrekkenden kinderbijslag vanaf het derde kind ontvangen, ongeacht de grootte van het Inkomen, terwijl zelfstandigen boven een bepaald inkomen van kinderblj^ag geheel uitgesloten zijn.

Ten derde, omdat wij, gezien de vele onbillijkheden, welke aan het onderhavige wetson'twerp zijn verbon'den, van oordeel zijn dat de regeriing zich had behoren te beperken 'tot een wettelijke regeüing; ten behoeve van de kleine zelfstandigen, en wel een zodaniige, dat 'dezen 'er beter aan toe zouden zijn dian in het onderhavige •wetsontwerp, redenen, mijnheer de voorzitter, waarom wij onze stem aan 'dit wetsontwerp niet kunnen geven.

Het wetsontwerp werd daarop aangenomen met 84 tegen 47 stemmen. Tegen stemden de P.vjd.A., 'de P.S.P., Mr. Aantjes (A.R.) en de S.G.P. Vó6r waren de K.V.P., de V.V.D., de A.R. op één na, de C.H. en de C.P.N.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1962

De Banier | 8 Pagina's

Wetsontwerp algemene kinderbijslag

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 augustus 1962

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken