Bekijk het origineel

Meditatie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Meditatie

7 minuten leestijd

En die duif ifcwain tot (hem tegen < ie awmidtijd, en ziet, een afigetoroken olijf Mad was In haar bek. Zo meirikte Noacti, diat de waiteren van boven de aarde gelicht waren. Gen.8 : 11

II.

Hetol> en we de voóge week gezflen, dat de Heere Zioh groot maaikt in het kleine, en diat Hij 'dioor, wart een mens zou noemen, kliedn'igheden. Zijn kerk bezoekt, we leitten er nu ook op, dat de Heere diit aJles doet op Zijn tijd en diat is afliüj'd de beste tijid.

We iiebben er ümmers ook op te letlten, dat de duif pas tertuig keerde toen het aivond was. Bn niet aleen het olijfblad, maar ook de It^id, dat Noaoh dit blaJd teeeg te zien, was van de Heere. God toad die boom doen groeien. God had tot tolald doen uiiltspruiiten. God had die w€ ig vaai diie dxiif door de luciht diaarheen gebaand. Bn de Heere tod 'ook die 'duif doen wegblijven tot het avonid was. Het was aües van Hem.

6*el eens voor, < diat de idiuif 's mlidöiags al was gekomen meit toet oüjfbfaid in de bek. Dan was het voor Noaoh gemakkelijker geweest. Hij tod niet zo lang behoeven te wactoten. Maar er wordt meer geleend in het wiachten dan in een dliretobe vervulffing. Want het wfadhten verbindt zo aan de hemel. Gods tijd Is altijd de best© tijd. De Heere tant nooit te vroeg. Als Noadh het te zeggen had ®etoaid, dan was het wel op de middag geweest in pOaats van in de avond. Maar die wonderen Gods woorden daar des te igroter, waar er een uitziende zondaar geweest is, die Sn zijn uitzien is beproefd.

Ood stuurde die duif pas 'in de avonid. Toen toet voor Noadh onmogelijk ginig worden. Maar toen was tot een betere ammsd dam dat Iheft een miidldag had kunnen zijn. Waoat toen was dait Mad nog groter wonder. Toen het voor Noadh tijd werd 'orai het venster te sluiten. Neen, de Heere kom.t nooit te vroeg. Maar 'Hij komt ook nooit te laat. Die God 'Het het todh ook geen nadht wor- 'den. Hij geeft een ware zuchter tiiet over aan de nadht.

De Heere ailet ze wel, ieder in hun «igen venster. Hij weet het wel, dat 2ij buiten een blijk van Zijn gunsit iwiet kunnen. Hij hoort toun zudh- 'ten. Hij teüit 'toun tramien. Ook al is het zo benauwd, dat zij zeggen: „Zou de Heere het Wel weten en 2ou er wel wetensdhap zijn bij de Alerhoogste". Ook al lis alles zo *öht, alsof er geen God meer is.

Vian hun zijde zouden ze, vanwege de toopeloostoeid en omnogelijKheSid m6t Noaoh op toet punt staan om het venster te sluiten. Ze moeten uitroepen: „Het 'kan niet xaeer. Het is verloren". En dan is toet Gods tijd. Dan zegt de Heere: „Het is genoeg". Dan komt het ook dikwijls van een kant, waarvan zij het niet verwactot toadden. Voor Noadh was het naet een engel, maar een duif. Ja, van Gods zijde 'i& toet toch waar: „Eer ze roepen zal Ei antwoorden". Het is todh waar: , jDe Heere aanschouwt de mioeilte en toet verdriet". Toen Noactojde avonid zag daten, was die duif al onderweg. Was God onderweg. Wait een moedgeving' voor de 'Wactotenden, voor de uitzienidlen, voor de warstelenden. Zijt ge daar ook bij? Verstaat ge iets van dat inwactotende leven? Want wat zulüen we met een vertroosting Gods moeten doen, indien er geen plaats voor is? De Heere laat, met eerbied gesprotoen, met de blijken van genade niet morsen. Maar hoe moet ge dan de nadht in, de ^eeuwagie nactot?

Maar ook na ontvangen genade. Wie zijt ge idian nog zonder de Mijf- Maadjes van Gods gunöt? Wie zijt ge, als de genadeMijken ophouden? En moet ©e toet dan nliet ervaren, dat ge 'dat inwactotende leven nooit te boven komt? Handelt God niet zo, juist meit Zijn volk? Als Noacto toet bij vernieuwing nodig toad, kunit u toet dan zander? Zo wordt het edhter geleerd, dat zij met een God te doen toebben, die lop Zijn tijd de nood vervult. Niet aüle nood. Er zijn ook gebeden, die niet verhoord worden. Want ook een kind van God kan in zijn vensiter naar idin'gen uitzlien, ^die toem tot stitoade zouden zijn. Maar wel alle dingen die tot zaUgtoeid ^dienen moeten, 2ial de Heere vervullen.

Houdt dan nog meer 'moed. Ook al Is de avond gedaald. SMt dan uw venster nog maar nliet. Het is nog diezelfde God. Hij toeeft nog Zijn bomen en bladeren en duiiven. En sta maar niet naar tooge dingen. Voegt u tot 'het nederige. Tot de Kanamese vrouw zeide de Heere: „Groot is uw geloof". Waarom 'was dat geloof zo groot? Omdat zij van zo weinig (een afgevallen kru'imei van de tafel) zo veel verwactobte. Hoe heeft zij toet ervaren, dat d© Heere Zich groot maaikt in het kleine. Dodh ook de kruimeltjes vallen op Gods lüjd van de tafel. De Heere doet ze ecliter vailen, voordat het nactot 'wortdit.

We lezen in vers 1: „De Heere gedactot aan Noacto". Namelijk, toen de ark nog op de golven dreef en toen er dus voor de oirkibewaners nog geen zictot was op de nieuwe aarde. Octo, zo is toet aitijd. „De Heere gedenkt". En dat uit loutere genade. Want was Noaoh beter dan al 'die duizenden, die 'in de vloed waren verdronken? Dat zal straks wel Mijken. Straks zou Noach aicto bezondigen. Het kan daarom alleen, omdat God gedenkt. Ja, van eeuwligtoeid to'eeft gedadht aan een volk, dat Hem, zelfs na genade, zou vergeten.

De grond lag niet in Noacto. Maar alleen in Hem, Die toeeft uitgeroepen: „Waarom toebt Gij Mij verlaten? " God gedacht niet mieer laan Hem, opdat Hij zondaren zou. kunnen 'gedenken. DertoaJlve was' dat olijfblad een vrudht van Zijn verdienste en niet van Noadhs uitzien. j> at hebben de worstelaars ook te laren, opdat zij ler buiten vallen, ook met toun werkzaamtoeden. Daarvoor moet toet dan ook eerst avond worden. Kwam de duif op de middag, ze zouden menen, dat fcet te danken viel aan hun werk in 'het 'venster. Daarom is de avond beter, aangezien dan Gods werk wordt verheerlijkt.

Voor Noach viel 'dat 'Olijfblad op de grens van tvfee werelden. Het was een eerste groet van de nieuwe 'wereM. Een nlieuiwe aarde, gefoouiwd op toet graf van de' oude aarde. Trek aan deze lijn nu maar door. In het licht van de toeMshistorie Is •dan dit Mad een voorbode van het nieuwe Jeruzalem. Dat zijn tenslotte al de blijken van Gods gunst. Het zijn druiven van Eskol. Voorsmaken van toet zalig toemeileiven. Bevestigingen van de 'komende aarde, waarop geen tranen meer zullen vloeien.

En daar zijn geen oiijfMiaadjes meer nodig. Daar is geen troost meer nodig. Want daar staat de boom zelf. Niet een olijfboom^. Maar de boom «tes lieivens. Aan die boom groeien eeuwig de 'Maderen tot een schaduw tegen de hitte van de strijd, die op aarde gestreden is. Die boom geeft vruchten ten eeu'wlgie leven. En leven, dat is gemeenstihap. Gem.eensctoap met God, de Leivensbron.

Daar zuMen zij eeuwig 'bij God zijn. Bn 'dat was toet, waarnaar ze op aarde schreeuwden 'gelijk een hert naar de waterstromen. Dat ds voor hen de hemel. En waar ze eens bij God zullen zijn, daar zijn de olijfblaadjes van Zijn gunst niet meer nodig. Zo kan er een eeuwige troost liggen in toet kleine. Door dat kleine werkt God met Zijn volk op de eeuwigtoeid aan. Doch dit 'ali'es begon'waar dit hoofdstuk begint: „De Heere igedactot". Amen.

Driebergen

'Ds. F. BaJkker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1962

De Banier | 8 Pagina's

Meditatie

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 oktober 1962

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken