Bekijk het origineel

De beginselen

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De beginselen

15 minuten leestijd

der Staatkundig Gereformeerde Partij

Artikel 1 van het beginselprogram der S.G.P.

De vorige maal noemden 'wij Dr. Hoedemaker en Dr. Ridderbos ander d'ögenen, 'die aicto met toet door Dr. Kuyper voorgestane 'beglinsei als 'ZOU het staatsgezag 'ten onzent slectots 'm de 'konsciënbie, 'der lovertoeidlspersonen 'aan de ordinanbiën Gods igebomden zijn, niet konden verenl'gen. Naar aanieidiing hiervan kwam een verzoek om over beide personen iets meer te willen vermeldlen, daar dit voor toet m'a- ken van een onaerwerp voor feies- of studiieverenigiiig be pas zou kunnen komen. In lie-t ondersbaande zoillen wij Meiraan voldoen.

Dr. Ph. J. Hoeidemaker (1839— 1910) was een zeer bekwaam tüaeoloog, wat wel Mijfet uit zijn promotie tot diootoir in de godgeleepdlieid, welke magma cum laude, dus met de hoogste lof in 1867 te Utrecht plaats vond. Hij was eerst predikant to. de Nederlands Hervormde Kerk te Veenendaal, om daarna naar Rottterdam en Amsterdam te giaan. In laatstgenoemde gemeente verkreeg hij op verzoek eervol ©tnerifcaat wegens zijn benoeming in 1880 tot hoogleraar aan de Vrije Universiteiit, die in idiA jaar door hem met een inaugurale rede werd geopend. Hij heeft het hoogleraarschap echter niet lang bekleed. Toen namelijk Dr. Kuyper in 1886 de stoot gaf tot de drtean'tie, ontstond er tussen hem en Dr. Kuyi> & r een diepgaande kloof. Hij legde in oktober 1887 zijn professoraat neer en nam. een hewoep aan naar de liervormde 'gemeente te Nijland m Friesland.

en nam. een hewoep aan naar de liervormde 'gemeente te Nijland m Friesland. Na een tweejarig verblijf aldaar werd hij echter weer te Amsterdam toeroepen, waar hij in 1890 zijn intrede deed. Hoewel Dr. Hoedemaker vooral in het begin onder ethische Invloed stond, was hij later een voors)tander der gerefoirmeerde theologie. Het gezag, de volkomenheid en genoegzaamheid van de Heilige Schrift als het Woord Gods werden doorhem onvoorwaar'delijk onderschreven. Ook aan de beUjdenisgesohriften kende hij zeer grote waarde toe, zodat artikel 36, zoals het door de synode van Dordrecht was aanvaard, onverkort door hem beleden werd. Ten deze verschilde hij dus al evenzeer van

Dr. Hoedemaker kon het al eivenmin meit Dr. Kuyper vinden in diens standpunt betreffende de verhoudiing tussen de overheiid en Gods Woord. Terwijl Dr. Kuyper, zoals tevoren werd opgemerkt, de overheid in de konsoiëntie der overheiidspersonen aaia 'de goddelijke ardünanbiën gebonden achtte, sitoaid Dr. Hoedemaker voor, dat de overheid onvoorwaardelijk aan Gods Woord onderworpen is. Dr. Hoedemaker deinsde er dan ook miet voor terug te schrijven, dat Dr. Kuyper de Bijbel voor de overheiid sloot, wat volgens hem. hieruit voortvloeide, dat Dr. Kuyper dwaalde in zake de verstaanbaarheid der Heilige Schrift. Dr. Kuyper 'ginig er namelijk van uit, dat een overheidsparsoon, die niet geboren is uit water en ©eest, het konimfcrijk Gods nieit kaai zien en dertolve ook van Gods Woord niiets veHstaat. De fout nu van Dr. Kuyper, aMus schreef Dr. Hoedemaker, ligt 4n zijn willekeurige bepaling van de grenzen tussen de natuurlijke en geopenbaarde Godisikenmis, de algemene en de bijzondere gemade, waarop Dr. Hoedemaker liet volgen:

„Onze godgeleerden plachten een „natuurlijke kennis vam hjet Woord Gods" aan te nemen. De natuurlijke wordt geoefend van orabekeeriden, de geesitelljfce van waarUjk begenadigde wedergeborenen. De natuurlijke geschiedt door het licht der natuur en ae uit Tëtmï^ verliohting öS^' Woords door redenerimg enz. enz.".

Dr. Hoedemaker ontkende dus riiiiet, dat vele zaken in de Schrift te hoog zijn voor het verstand der mensen en 'dat niet alle mensen by machte zijn de Schrift in zijn geestelijke zin te zien. Ten deze was hij het geheel eens met de door hem aangehaalde godgeleerde W. è, Brakel, 'die in zijn „redelijke godsdienst" schreef, dat iemand door Gods Geest moet verlicht zijn om de Schrift in zijn geestelij: ke ziin te verstaasn. Hoedeanaker liet hierop echter volgen: „Wij geloven evenwel, dat het Woord van God een lamp voor 'onae voet en een liciit op 'ons pad fe, dat wij in dat lichit ook de dingen van het natuurlijke leven 25ien en eisen op 'die grond een school met de Bijbel en verkonidigen, dat de Heilige Schrift het beginsel van alle ware wetenschap is. In die Schrift vindt de overheid, Gods dienaresse, de openbaring van Gods heilige wil. Op 'die 'grond leerde Groen van Prinsterer, 'dat de staat niet op een atheïstisch of panitheïstiisoh stelsel, maar 'alleen op het gezag en de wil van Jezus Christus, het hoofd der kerk en de Overste van de koningen der aande kon worden gebouwd. Op die 'grond deden de staten in 1618 , ^aan 'al'le konin'gen en vorsten weten, dat 'het fum'dam'ent der republiek was., 'de 'ware godsidienst".

Op 'die gron'd toerhalen wij thans wat Groen toeeft herininierd, dat „'de 'godsidienst niiet alleen een wenselijke geain'dheld was van de buirgesps, maar de 'grondjsi'ag van de 'Wetgeving en de rechtsbedeling".

Uit 'de zoeven aangehaalde woorden van Dr. Hoedemaker valt duidelijk O'p te maken het grote verschil tussen ihem en Dr. Kuyper aangaan'de het antwoord op 'de vraag, of de overheid al dan niet reohtstireeks aan Gods Woord gebonden is. Dr. Kuyper maakte zich van 'deze zo belanigrijke 'aangelegenheid wel heel gemakkelijk af door op te merken, dat de overheid niet bij machte is Gods Woord te verstaan, m'aar dit fe niet m'eer dan een vonde of uitvlucht om de band 'tussen 'overheid en 'de Bijtoel, het Woord vaan. God door te snijden.

Hoewel wij m'et ihet hi'er getoodene slechte een beknopt inzicht hebben 'gegeven in zake het 'door Dr. Hoe- 'deim'ak'er voorgestane beginsel, mieoen wij toöh wel zoveel van hem naar voren te hebben 'gebracht, dat men er de konklusie uit 'kan trekken, 'dat wij in de ondenhaviige kwestie veeleer met hem (kunnen medegaan dan met Dr. Kuyper. Het behoeft nauwelij'ks te worden vermeld, 'dat Dr. Hoedemaker zioh met de A.R.P. nimmer heeft kunnen verenigen. Ook 'edhter niet miet de Vrije Antirevolutionaire Partij van De Savomin Lohmann, die 'in 1896 was ontstaan 'aas gevdlg van een fconflikt tussen laatstgenoemide en Dr. Kuyper. Bvenmdm kon Dr. Hoedemaker het vinden met Dr. Bronsveld en diens Christelijk HistoröBohe Ki^erigbond, die ook in 1896 was ontstaan, m'aar 'in 1901 reeds uiteen viel en daarmede aan het 'einde vam zijn bestaan kwam. Het was 'de Prlesoh Chrisiteüjk Historische Partij, 'dlie 'in 1898 werd opgericht, waaraan Dr. Hoedem'a^siMnlëïrmmWSUë~v^msnia!en was. Deze pairtij had met de Bond van Dr. Bronsveld wel enkele dingen gemeen, zoals het hervorm.'dkerkelijk karakter, 'de afkeer van samenwerking met de A.R. en de R.K., maar anderzijids was er ook een zeer be'langrijk versdhü. De Bond vaai Dr. Bronsveld helde namelij'k vrij sterk over naar 'de liberale kant, terwijl de Froiesoh Christelijk Historisohe Partij geen linkse neigingen had. Toöh (bleek ook deze partij geen levensvatbaarheid te bezitten. Reeds in 1907, 'dus negen jaar na haar opriohting kwam het tot een fusie met de Ohriste'lijk Historische Partij, 'die in 1903 was ontstaan uit een fusie van de Vrije Antirevoilutionaire Partij en Dr. de Visser, die met 'de ChrSs'telij k-Historische Kiezerisbond van Dr. Bronsveld - gebroken 'had. De verenigde partijen namelijk de Christelijk Historisohe Partij en de Friesch Clhristelij'k-Histarüsohe Partij 'namen bij 'de fxisie van 1907 de naam aan van Ohristelijk-Hisitarische Unie, zoals wij die tihans nog 'kennen.

In wat vooraf ging werd 'Ook 'gewezen op Dr. J. RiddeTbos, 'die het niet eens was met Dr. Kuypers beginsel, vertoilkt 'in het 'oorspronkelijke en 'in 1934 nader 'gewijzigde artikel 3 van het beginseiiprogram der Antirevolutionaire Partij. Dit blijkt uit een artikel van Dr. Ridderbos in het orgaan „AntÉrevoluti'onaire Staatkunde" van 1934, waarin worden weerge'geven een 12-tal stellingen, welke 'door de schrijver op een konferentie te Lunteren waren 'toegeliclht. De 'tweede van deze stellin'gen luidde: „Deze wet Gods wordt 'gekend uit 'de natuur met 'inbegrip van de -mens en 'de geschiedenis, en uit de Heiiige Schrift; waartoij is te be- 'denken, 'dat de openbaring 'door de natuur slechts bij het licht der schriftopenbaring recht kan wor- •den versitaan. Aan 'deze schriftopenbarln'g is de overheid, 'die haar kent of kennen kan, gehoorzaamheid schuldig, 'oniafhanfcelij'k van 'de vraag of zijzelf zich in de konsoiëntie 'daaraan gebonden weet". In 'de toelichting van 'deze stelling nu merkt Dr. Ridderbos O'p: „Het silot der stelling wijst er op, dat 'gelij'k ieder mens, zo' ook de overhedid, wanneer 2aj met de schriftopenbaring 'in aanrakin'g is gökomen, 'hieraan is 'gebonden". Hij laat hierop voorts dire'kt 'Volgen:

„De konsciëntie kan hier geen maatstaf zijn. Wel is er natuurlijk onderscheid to verantwoordelijkheid. 'De 'heidenen, tot wie het Bvamgelie nSiet geikomen is, zijn dus ook niet als verwerpers van 'het Bvan'gelie schuldig te verklaren: en hebben geen veramitwoordsimg voor hetgeen diie schriftuurlij'ke weteopenbaöng bevat aangaamde de Christus en 'aangaande (hetgeen wij Hem. verschuldigd zijn.

De 'heidenen zij'n verantwoordelijk voor de wet, zoals die oorsprorikelijk 'door God aan de mens gegeven is. Hiervan zegt 'de 'apostel, 'dat de hei'denen, 'die de wet niet he'bben, zichzelf een wet zijn, als di'e betonen 'het werk 'der wet geschreven in hun harten, 'hun 'geweten meidegetuigende en de 'gedachten onder elkander hen 'beschuldigende of ook onitsohuildiigende (Rom. 2 : 14 enz.). Dat hier 'de konsciëntie wordt 'genoemd, is 'om'dat 'dit voor hen, öÈe de schriftopen'biarin'g missen, ide plaats is, waar de openbaring tot hen 'komt. Maar ook dan is de konsoiëntie niet 'de m'aatstaf der verantwoorde'lijkheid. Trots de verduistering 'des verstands en de ver. troeibe'lirug der 'konsoiëntie zijn de heidenen toOh verantwoordelijk voor de gehele oorsponkelijtoe wet Gods, want 'di'e verdulsteTing is reeds een stuk van hun zondie; hiervan 'geldt: „God heeft de mens alzo geschapen, dat hij dat kon doen, maar de mens heeft ziciaelf en al zijn nak'omelingen door het ingeven 'des duivels en 'door moe-dwUlfige on'gehoorzaamheid van deze gaven 'beroofd", Heid. Katech, antw. 9.

Voor 'de mens, 'die leeft onder het licht van 'de schriftopenbaring, staat het nog weer anders. Hier bestaat verantwoordelij'khei'd ook ten opzichte van 'de schriftopen'bailng, die imen kennen kan en oo'k ten dele kent, maar waar naar men niet vraagt en 'die men verwerpt. En het feit, 'dat men zich in de konsciënitie 'daaraan •niet 'gebonden weet, 'kan van 'die veran'twoardeUjikh'eid iniet on'tslaan. Natuurlijk be'staat er 'nog wel weer 'gradatie 'in de verantwoordelij'kheW, al naarm'ate men meer of minder met die Schrift in aanrakinig is gekomen en 'Ook naarmate men meer of minder tegen het 'getioigenis vaai zijn konsciëntie heeft moeten Sngaan; maar 'dit kan het feit niet te niet 'doen, dat 'de mens, 'oök de met het overheidsgezag beklede mens, die leeft 'ooder het 'licht der HelUge Schrift, aan de wet Gods, zoals die in 'de natuur en in 'de Schrift is geiopenbaard, 'is 'geboonden en daarvoor verantwoordelij'k 'is".

In het bO'venstaande worden toch wel heel andere 'Icl'an'ken taelijisttsrü dan 'in 'de beschouwingen van Dr. Kuyper in zake 'de verhouding der 'ovenheid tot Gods Woord en wet. Later, na ongeveer twintig jaar, heeft 'Dr. Kuyper wel getracht aam zijn vroegere uiteenzetting, door hem toen 'genoem'd „een minder gelukkige uitdrukking vaai twintig jaren 'geleden" een wending te geven, m'aar hieraan hectoibte Dr. Hoedemaker riiiet 'de minste waarde. Bn dat anaes 'inKiens terechit. Het 'gto'g 'bij «die vroeger door Dr. Kuyper gegeven uiteenzetting van het door hem 'in 'het antirevolutionaire beginselprogram neergelegde beginsiel niet 'om een „minder gelukkige uitidrukkin'g", maar om een geheel onfbijbels principe, waardoor van het door Mr. Groen van Prinsterer voorgestane beginsel werd 'afgeweken. De vori'ge miaaA hebben vrij dienaanigaancte reeds op een 'artikel van Prof. Kamphuis in „De Refarm'atle" vam 22 september 1.1. 'gewezen. Daar deze hioogleraar in het volgend nummer 'op deze kwestie nog nader teru'g kwam, 'is hiet niet van belan'g oïitbtoot ook hierop nog even de aandacht te vestigen, omdat daaruit welh'aast nog 'diuidelijtoer uitkomt het 'grote verschil tussen Mr. Groen van Prinsterer en Dr. Kuyper in zaifce 'het 'gezag van Gods Woord met betreifcking tot de staatkunde.

Prof. Kamp'hu'is dan schxteef on „De Reformatie" van 29 september 1962 to zake 'de 'onderhavige kwestie: „Ben en 'ander komt samen, wanneer we de ontwijfelbare divergentie (afwijkto'g; verschil van mentog, red. De B.) tussen Groen en Kuj^er m'et betriekktog tot de vra­ gen over bet Woord Gods en üe steatkun'de in onzie taxaüie betee-kfcen. In 1871 sloot Kuyper zich nog aan bij de grote Ujii van de an'tirevolutiionadire worsbelinig van Groen; maar in 1874 heeft hij een eigen weg gevonden en zal die in }i©t vervolg ook blijven gaan, zioh in ailerlei konstrukties sterk maicende, imaaa: daarbij aich „onafhamkelij'k" makende van de uitspraken van de Schrift, als politi- ]£us en staatsman. Daar heeft Groen de lijn zien afbuigen en hij heeft nog gefwaarsohuwd, aoals de Icorrespondentiie ons heeft geleerd. Zij het, dat hij niet kraditiig waarsciliuwde, hij deed het wel op tijd. Bn ook nu is zijn oppositie weer gericht tegen het naar de aohitergrond dringen van de heerschappij van het Woord Gods, de kontorete beloften en bedreiginigen, de konferete geboden des Heeren, zoals Kuyper daartoe vanuit zijn afbuiging in spiribualistisohe lijn moest fcomen, nu dat spirituaMisme zich verbond met een chrisitelijk liberalisme, dat later in een gemenegratie-toonoept werd 'gefundeerid".

Uit deze toellohting van Prof. Kamphuiis blijkt alzo, dat Groen van Prinsterer zeer wel doorzag, dait Kuyper ten aanzien van een gewichtig beginsel van hem afweek en dat hij Dr. Kuyper zelfs gewaarschuwd heeft. Tooh ging Dr. Kuyper zijn eigen weg. Van een „imnder gelukkige ultdrukktog", zoals Dr. Kuyper later to zdjn boekwerk „De gemene gratie" schreef, was dus geen sprake. Dit blij-kt ook wel daaruit, dat Dr. Kuyper nimmer tot wijziging van het door hem opgestelde artikel 3 van het ^antiirevaluti'onaire beginseiprogr'am (1878) is overgegaan. Wel werden in 1916, dus toen Dr. Kuyper nog, in leven was, enige wijzigingen in diit beginselprogram aangebracht, maar artlkiel 3, dat juist wijziging behoefde, bleef onveranderd. Odk iin 1934, toen in 'artikel 3 van het antirevolutaionaire beginselprogram wel wijziging werd aangebracht, bleef eo: tooh in vermeld, öat het staatsgezag dus de overheid noch rechtstreeks nodh door de uitspraak van enige kerk, maar alleen in de konsoiëntie der overheidspersionen aan de ardrmantiën Gods gebonden is. Er werden slechts enkele uiitdrukkingen aan toegevoegd, waardoor artikel 3 als TOlgfc kwam te luiden:

„Ook op staatkunidig terrein belijdt zij de eeuwige beginselen, die ons in Gods Woord geopenbaard zijn; zo evenwel, dat "het Sitaatsgezag ten onzent noöh recihtstreeks, gelijk 'in Israël, noch 'door de uitspraak van enige kerk, maar in de konsciëmtie beide van overheid en onderdaan aan de ordinantiën Gods gebonden zij".

Men ziet Meruit, dat in het oorspronkelijik artikel 3 zijn ingevoerd de woorden , ; gelij'k 'in Israël" en de woorden , ^en onderdaan". Van een •prijsgeven der minder 'gelukkige ultdntkklng van meer dan 20 jaren geleden fe in 1934 derhalve geen sprake geweest. Integendeel, niet alleen de fconsciëntie der overheid, maar ook de fconsoiëntd'e der onderdanen werden tot maatstaf gesteld. In plaats van een verbetering werd 'zoidoende een versleohteiiaig van de redaktie van het toch ai zo 'aanveohtbare 'artikel 3 van het ^antirevolutionaire begiröeiprogram verkregen. Dit artikel werd nu door de aangebrachte wij'zaiging gelheel en lai 'afgestemid op de omsbamdigheden en de heersende toe­ standen in plaats van op de vaste gronidslag van Gods Woord. Dr. Oolijn onderschreef dit feiteUjk door in zijn toeliclhting 'op het anitirevolutiionaire beginselprogram aangaande artikel 3 van düt program te verklaren, dat onveranderde ihandhaiving de voorkeur verdiende iboven 'bloot redaktioniele wijziging, om'dat artikel 3 zakelijk een veilige giids was.

Tegen voornoe^md 'artikel was in de 'loop der jaren scherpe kritiek geleverd. Reeds werden verscheüdene namen van personen genoemid, die te dezer zake Dr. Kuyper hebben bestreden, en ook na Dr. Kuypers dood tegen 'arüikel 3 van het door hem in 1878 aan de A.R.P. gegeven program ernstige bezwaren hebben iingebraoht. Dit bracht de A.R.P. er vóór de ooi^log echter iniet toe airtifcel 3 radikaal te wijai'gen. Zelfs niet nadat Prof. Dr. Se ver ij n, 'die todi niet de eerste de beste was, maar in hervormd-antirevolutionaire kringen tot de vooraanstaande personen beihoorde, niet londuidelijk had 'te verstaan gegeven, dat arbik'el 3 van het antirevolutionaire beginselprogram de toets van Gods Woord niet kon doorstaan. Hierop tooh komt het neer, wat Prof. Severljn 'in verband met deze aangelegenheid schreef. In wat vooraf 'ghi'g werd reeds woordelijk weer gegeven, wat door hem te dien 'aanzien werd geschreven, zodat wij dit niet 'zullen herhalen. Na de twec'de wereldoorlog kwam er ook van andere kant verzet tegen voornoemd artikel van heit a.r. beginselprogram. Het waren de vrijgemaakte gereformeerden, die voorheen steeds on'der het vaandel der A.R.P. waren 'opgetrokken, en toen, zover 'ons bekend is, tegen dit aröi'kel 'nimmer bezwaren hebben kenbaar gemaakt. Hierin kwam echter verandering na de breuk met de synodail'e Gerefarmeerde Kerken. Dit kwam onder meer tot uiting in de resolutie van het „Congres van Gereformeerden", dat van 30 maart tot 1 aprü 1948 te Am.ersfoort van vrijgemaakt gereforni'eerde zijde werd betegd. In punt 3 'Van deze resolutie werd het navolgende verklaard:

„Het A.R. 'beginselprogram berust goeddeels op bepaalde theologi'sch-wetenschappelijke cjedachitenkoniStrükties (zoals die omitrent „algemene openbarto'g", „natuurlijke 'godskennis", „geim'ene gratie", de verh'ouding van de overflield 'tot de wet Gods, de „soevereiniteit in leigen kring", de „eeuwige beginselen", de itaak der overheid enz.), •welke gedach'tenreeksen zich wezenlijk van Schrift en belij'denis verwijderen".

Ook Dr. C. Smits (miiet te verwarren met de staatkundig-'gereformeerde Ds. C. Smits) heeft in een brochure van 1959 over deze kwestie mededelingen gedaan. Hij zegt daarin, dat al direkt na 'de vrijmaking door de vrijgemaakten bezwaren 'Zijn gemaakt 'tegen bepaalde 'gedeelten van het beginselprogram 'der A.R.P. Voorts verklaart hij 'niet "te verhelen, dat de kiemen voor de verkeerde gang van zaken in 'de A.R.P. reeds jaren laanwezig waren, waarop hij laat volgen:

„Het oude beginselprogram der A.R.P. laat 'zich op een essentieel punt zeer vaag uit. Immers, er wordt gesproken van „'eeuwige beginselen" en „ordin'antiën - Gods", zonder duidelijk uit 'te spreken, dat zij zich 'heeft te bin'den aan het gehele Woord van God, zoals dit in de Bijbel tot ons komt". Wat in het bovenstaande 'door Dr. Smits werd opgemerkt, is door de S.G.P. reeds sedert lang naar voren gebracht, 'tot zelfs 'in 'de Tweede K'am> er toe, wat uit het vervolg nader zal blijken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1962

De Banier | 8 Pagina's

De beginselen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 oktober 1962

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken