Bekijk het origineel

Korte beschouwing n.a.v. Troonrede en Miljoenennota

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Korte beschouwing n.a.v. Troonrede en Miljoenennota

8 minuten leestijd

Dat de Troonrede veel nieuws zou opleveren, was niet te verwachten. Slechts vijf maanden geleden toch werd door de huidige regering een uitvoerige verklaring gegeven betreffende de hoofdpunten van het door haar te voeren beleid, zodat hieraan niet veel meer toe te voegen viel.

Uit dien hoofde heeft het dan ook weinig zin om over de Troonrede een breedvoerige beschouwing te gaan geven, temeer daar binnenkort de algemene politieke en financiële beschouwingen zullen plaats hebben en dan de in de Troonrede vermelde onderwerpen opnieuw aan de orde komen.

Bij het doornemen van de Troonrede valt het direkt al op, dat zij langer is dan die van het vorige jaar toen het kabinet-Cals nog aan het bewind was. Op zichzelf behoeft dit nog allerminst te betekenen, dat de Inhoud zo veel beter is dan die van de troonrede van 1966. Een korte rede zou zelfs zake-Ujker en rijker van inhoud kunnen zijn dan een lange rede met veel omhaal van woorden.

De inhoud van de Troonrede 1967 wekt onzes inziens echter meer vertrouwen dan de twee troonredes, die onder het kabinet-Cals verschenen. Terwijl toch in deze redes allerlei am-_ bitieuze plannen werden aangekondigd en voornemens werden bekend gemaakt, waarvan te voorzien was, dat zij op verstoring van het financieel-ekonomlsch evenwicht zouden uitlopen, kenmerkt de laatste troonrede zich door behoedzaamheid en bedachtzaamheid. Dit is dan ook wel hoogst noodzakelijk. Het is toch geen kleinigheid dat deuitgaven voor 1968 worden geraamd op ruim 23 miljard gulden, terwijl de ontvangsten op nog geen 20, 5 miljard worden geschat, zodat het tekort maar eventjes bijna 2, 8 miljard bedraagt, als het tenminste hierbij blijft, want de ervaring heeft genoegzaam geleerd, dat het werkelijke tekort gewoonlijk hoger is dan het geraamde tekort. Dit geldt wel heel sterk ten aanzien van de begroting 1967 van het kabinet-Cals. Nu toch is reeds gebleken, dat dit tekort niet 1176 miljoen zal bedragen, zoals de heer Vondeling in uitzicht had gesteld, maar bijna 3000 miljoen! Ware het kabinet-Cals in de nacht van Schmelzer niet ten val gebracht, dan zou het geraamde tekort voor 1968 nog hoger zijn geworden dan het zo even genoemde bedrag van 2, 8 miljoen. In de Troonrede wordt dit nadrukkelijk vermeld, namelijk in de zinsnede:

„Hoewel door de voorgestelde maatregelen de uitgavenstijging, die bij „ongewijzigd beleid" zou zijn ontstaan, belangrijk kan worden beperkt".

Ook in de miljoenermota wordt hiervan melding gemaakt. De Minister van Financiën merkt daarin op, dat bij „ongewijzigd beleid" de uitgavenstijging 1968 de begrotingsruimte voor dat jaar met meer dan één miljard zou overschrijden.

Herziening van het uitgavenbeleid, waarvan in de Troonrede wordt gesproken, is derhalve een absolute noodzakelijkheid. Afgewacht moet worden of minister Witteveen de enorm gestegen staatsuitgaven ingrijpend zal weten te verlagen. De maatregelen, die hij tot heden heeft genomen, hebben nameüjk hoofdzakelijk betrekking op het voorkómen van stijging der uitgaven in plaats van op een werkelijke verlaging hiervan. In de miljoenennota heeft de minister van Financiën niet verzuimd om hiervan rekenschap te geven. Hij deelt dienaangaande mede, dat het onmogeüjkis de overheidsuitgaven op korte termijn drastisch te besnoeien. Als reden hiervoor geeft de minister op, dat deze uitgaven in belangrijke mate bepaald worden door eerder genomen beslissingen, weUce inmiddels in wetten en kontrakten zijn vastgelegd. Lopende projekten kunnen volgens hem niet halverwege worden opgeschort. De minister wU daarom op langere termijn zien te bereiken wat op korte termijn niet te verwerkelijken is. Uit deze mededelingen van de minister van Financiën blijkt wel overduidelijk in welk een uitermate moeilijke positie het kabinet-Cals met zijn hoogopgeschroefde plannen ons land heeft gebracht. Het is nu maar de vraag of de minister het klaar zal spelen om de uitgaven op langere termijn ingrijpend terug te dringen. Zelf is hij hieromtrent nogal optimistisch gestemd, want hij meent, dat de opzet van het kabinet reeds in 1969 kans van slagen heeft. Of er bestaansgrond voor dit optimisme is, zal ongetwijfeld niet door ieder worden onderschreven. Te betreuren is het inmiddels, dat noch in de Troonrede noch in de miljoenennota wordt gerept over schrapping van de subsidieposten, die betrekking hebben op hetgeen slechts dient tot publiek vermaak. Tegen die posten werd van SG P-zijde jaar op jaar opgekomen. Niet één der vorige regeringen echter was bereid om deze posten uit de begroting te schrappen. Van niet één zijde uit de Kamer werd hiervoor in het verleden bijval verkregen.

Wat de beperking op de staatsuitgaven betreft, zij vermeld, dat deze onder meer betrekking heeft op een viertal onderwerpen, namelijk defensie, onderwijs, volkshuisvesting en sociale voorzieningen.

Zo zal het plafond voor de defensiebegroting niet worden verhoogd, zoals dit in vorige jaren gewoonlijk wel plaats vond. Wat het onderwijs betreft zal vooral het wetenschappehjk onderwijs onder de loep worden genomen door het toepassen vanherstrukturering, waardoor men vermindering van het aantal studenten wU verkrijgen.

Voorts wordt inzake de woningbouw als voornemen der regering aangekondigd, dat zij het aantal te bouwen woningwetwoningen wU beperken tot 50.000, wat neerkomt op een vermindering van dit soort woningen met 7000. Hiertegen zal uit de Kamer wel sterke oppositie komen, zoals de ervaring uit het verleden genoegzaam heeft geleerd. Desniettemin houdt de regering vast aan een produktie van 125.000 te bouwen woningen in 1968. Voorts wdl de regering de investeringen in Deltawerken en Zuiderzeewerken temporiseren. Dit is wel zeer te betreuren vooral ook met het oog op de werkgelegenheid.

De zo even genoemde beperking op de uitgaven wordt echter weer teniet gedaan door de bespaarde gelden weer voor andere doeleinden te gaan besteden.

Zo wil de regering het bedrag voor de ontwikkelingshulp, die tot nu toe 450 miljoen bedraagt, met nominaal 75 miljoen gulden gaan verhogen tot 525 miljoen. Hierover zuUen nog wel heel wat woorden in de Kamer gewisseld worden, daar de voornoemde verhoging door verscheidene partijen 'te laag zal worden geacht.

.Betreffende de ontwikkelingshulp 'wordt voorts in de Troonrede opgemerkt, dat de regering de in ons volk bestaande krachten meer dan tevoren tot werkzaamheid wU brengen. Hiermede wordt ongetwijfeld bedoeld het uitschrijven van leningen, waarvan de opbrengst voor de ontwikkelingshulp bestemd zal zijn. Hieruit zal dan kunnen blijken of er onder ons volk velen zijn, die voor de onontwikkelde landen offers willen brengen.

Voorts zullen de bespaarde gelden dienen voor maatregelen ter stimulering van de werkgelegerüieid en steun bij de herstrukturering van Zuid-Limburg; voor de extra-uitgaven ten behoeve van het voortgezet onderwijs; voor verhoging van het subsidiepercentage voor bijzondere Universiteiten en hogescholen en de Universiteit te Amsterdam tot 100; voor verhoging van studietoelagen; voor bijdragen aan gemeenten bij stadsrekonstruktie; voor uitkering van 30 miljoen ter dekking van de tekorten van openbare vervoerbedrijven; voor een bijdrage van 70 miljoen aan de spoorwegen en voor extra uitgaven voor de wegenbouw.

Het enorme tekort, dat voor 1968 te verwachten zou zijn, indien er niets zou worden ondernomen om het te verminderen, heeft de Regering er toe gebracht om enkele maatregelen aan te kondigen. Gezien de zware druk, welke de inkomstenbelasting reeds op de bevolking legt, heeft zij echter afgezien van een verhoging der inkomstenen loonbelasting. De desbetreffende maatregelen, welke in de Troonrede gedeeltelijk en in de miljoenennota volledig worden vermeld, komen hierop neer:

1. de voor 1967 als tijdelijk bedoelde verhoging van de benzine-accijns wordt blijvend.

2. op het tien-procenttarief van omzetbelasting worden 20 opcenten geheven, wat neerkomt op een verhoging dezer belasting met 2 procent. Deze verhoging heeft betrekking op chokolade-en suikerwerken, op bier, wijn en frisdranken alsmede op bromfietsen.

3. een wijziging van de aftrekregeling van buitengewone lasten, hierop neerkomend dat ziekteverzekeringspremies niet meer aftrekbaar zuUen zijn.

4. een wijziging in de omzetbelasting in verband met de overgang naar een ander stelsel, waaruit de regering 230 miljoen denkt te kunnen verkrijgen.

5. verhoging van de luister-en kijkgelden (radio en televisie).

6. verhoging van het inschrijfgeld en examengeld bij instellingen voor wetenschappelijk onderwijs, waarbij echter degenen, die een beurs hebben, niet zwaarder zullen worden belast.

7. verhoging van het schoolgeld voor kleuters.

Al deze maatregelen zullen van de bevolking dus offers vragen. Het enige lichtpunt betreft de vermindering van lasten door verhoging van de aanslaggrens voor de inkomstenbelasting, wat voor degenen, die van een klein inkomen moeten leven, enige verlichting zal geven.

Tenslotte moet helaas gekonstateerd worden, dat deze regering ten aanzien van de geesteUjke belangen van ons volk, welke tóth bij haar prioriteit behoorden te hebben, dezelfde weg volgt als haar voorgangsters. Namelijk het voeren van een politiek, die in het teken staat van brood en spelen, in plaats dat wordt opgeroepen tot verootmoediging voor Gods aangezicht en aangespoord tot het verlaten van de paden der zonde, wat toch naar de eis van Gods Woord tot de roeping der overheid behoort.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1967

De Banier | 8 Pagina's

Korte beschouwing n.a.v. Troonrede en Miljoenennota

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1967

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken