Bekijk het origineel

Kwetsende tekst van het schriftelijk examen Nederlands

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Kwetsende tekst van het schriftelijk examen Nederlands

4 minuten leestijd

Bind mei zijn door de heer Jongeling (GPV) aan de staatssecrekris van Onderwijs vragen gesteld over de tekst van het schriftelijk examen Nederlands 1 voor mavo- IV. Aan deze vragen knoopte ds. Abma nog een vraag inzake , , de eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen".

^^fe zullen eerst de vrs^en van de heer Jongeling en de antwoorden door staatssecretaris De Jong afdrukken en vervolgens de vraag van ds. Abma met het daarop g^even antwoord. Bevredigend iwiren de antwoorden allerminst.

1 b de Staatssecretaris niet van mening, dat de tekst van het schriftelijk examen Nederlands 1 voor navo-IV zeer kwetsend is voor die leerlingen, die geloven in het unieke karakter van de kruisiging van Jezus Christus, Gods eniggeboren Zoon?

2 fen de Staatssecretaris meedelen wlgens welke maatstaven, naast het niveau, de woordkeuze e.d., de inhoud van een bij het schrif-telijk examen Nederlands gebruikt artikel wordt uitgekozen?

3 Is de Staatssecretaris niet van mening, dat het weinig moeite behoeft te kosten voor een dergelijk examen een artikel te vinden, dat voldoet aan alle technische eisen en waarbij de inhoud voor niemand aanstootgevend zal zijn?

4 Is de Staatssecretaris bereid te bevorderen, dat in de toekomst zorgvuldiger gelet zal worden op de inhoud van examenartikelen, zodat niemand zich daardoor gekwetst behoeft te, voelen?

Ibelichting

Ifet in de vragen genoemde artikel is een gedeelte uit het boek , , Op hoop van Leven" van Roel van Duyn. Hij stelt daarin onder meer dat de christelijke beschaving gelet op het uitmoorden van diersoorten niet voldoende heeft aan de kruisiging van Jezus Christus en Uijkbaar behoefte heeft aan een nieuwe kruisiging, nl. van Franciscus van Assist.

.^twoord

1 Neen

2 en 3 Ete bedoelde examenoi^ave, waarin de gewraakte passage voorkomt, is uitgezocht en vastgesteld door een commissie waarin onder voorzitterschap van een inspecteur zes leraren zitting hebben, te wetai twee van een rooms-katholieke school, twee van een protestantschristelijke school en twee van een openbare school.

EBze commissie probeert naar beste weten en kunnen zoveel mogelijk teksten te kiezen, waarin eai genuanceerd betoog, bij voorkeur over een actueel onderwerp, \w)rdt geleverd. Zij tracht teksten te vermijden, die duidelijk kwetsaid zouden kunnen zijn voor bepaalde groeperingen, of teksten waarin te controversiële onderwerpen ter sprake worden gebracht of die extreme standpunten vert^enwoordigen. Dit neemt niet weg, dat desondanks altijd de kans tiijft bestaan dat bepaalde passa-ges door sommigen toch als kwetsend worden ervaren.

4 literaard zal bij het samenstellen van toekomstige examenop- ^ven met even grote zorg gelet worden op de inhoud en strekking van de teksten zoals tot dusver is geschied. Ik zal de belrokken commissie, wellicht ten overvloede, nogmaals wijzen op het belang van deze zorg. Met de adviescommissie Nederlands, die in eerste instantie verantwoordelijk is voor bedoelde examencpgave, ben ik van menii^, dat haar niet verweten kan worden, dat zij een tekst heeft gekozen die duidelijk aanstootgevend zou zijn en die de godsdienstige opvattingen van bepaalde groeperingen niet zou hebben gerespecteerd.

CVerigeas betreur ik het dat bedoelde tekst bij een deel van de p-otestants-christelijke bevolking toch verkeerd is over gekomen.

AANVULLENDE VRAAG VAN ES. ABMA.

Wl de Staatssecretaris bij de beantwoording van de vragen van heden van het lid Jongeling voorts uiteenzetten wat hij verstaat onder de term uit het de laatste tijd veel besproken artikel 208 van de Grondwet , , met eerbiediging van ieders godsdienstige begrippen", vaaraan de Regering blijkbaar hecht, gezien het feit dat in het voorstel tot verandering van bepalingen inzake Onderwijs (wetscntwerp 13 874) in hoofdstuk 1, grondrechten in artikel 23 onder 2 gesproken wordt , , eerbiediging van ieders godsdienst en levensovertuiging" ?

Antwoord

Lid 3 van artikel 208 van de Q-ondwet luidt: Het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging \Qn ieders godsdienstige begrippen, bij de wet geregeld. Dit houdt een opdracht aan de wetgever in. Dat neemt overigens niet weg dat ook de uitvoerders \Qn de wetgeving die voor het openbaar onderwijs geldt, moeten handelen in overeenstemming met dB gedachte die aan dit artikel ten grondslag ligt. Die gedachte is - naar mijn mening- dat het qjenbaar onderwijs de leerlingen bepaalde opvattingen niet mag Cïxiringen. Evenmin mogen opvattingen verkondigd worden die kwetsend zouden kunnen zijn voor de mening van bepaalde leerlingen. Dat betekent geenszins dat leerlingen niet in kennis gebracht mogen worden met teksten e.d. die ingaan tegen hun godsdienstige cpvattingen. De algehele ontwikkeling van de leerlingen, die het openbare onderwijs volgens de wet dient na te streven, vraagt er cm dat de leerlingen in kennis \rorden gebracht met de verscheidenheid van levensovertuigingen die in ons land leven. Dit geldt evenzeer in een situatie als de cnderhavige waar het ging om het tdcstbegrip van de leerlingen te toetsen. De bewuste examenop- ^ve acht ik niet in strijd met deze grondgedachte.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1976

De Banier | 8 Pagina's

Kwetsende tekst van het schriftelijk examen Nederlands

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1976

De Banier | 8 Pagina's

PDF Bekijken