Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst! - Verslag van het congres van 22 september 2000 (2)

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst! - Verslag van het congres van 22 september 2000 (2)

12 minuten leestijd

In de vorige Banier is deel 1 gepubliceerd van het verslag van het congres van 22 september jl. Dit congres had als thema "Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst!" in het middagprogramma spraken dr. A.A.M. Kinneging, docent rechtsfilosofie Universiteit Leiden, en ds. D. Heemskerk, hoofdbestuurslid en hervormd predikant te Garderen, over jeugd, opvoeding en de plaats van het gezin in de maatschappij. Het middag-

deel > verd afgesloten door ds. Heemskerk. Na de maaltijd opende de heer J.D. Heijkamp, penningmeester van onze partij, het avondprogramma. Vervolgens gingen de bezoekers uiteen in twee groepen, om de > vorkshops over de brede school en jeugdbeleid te volgen.

WORKSHOP 'DE BREDE SCHOOL'

Deze workshop werd ingeleid door drs. M.J.M. Weekenborg, projectleider Jeugdbeleid van de sectie Primair Onderwijs van het Ministerie van OC& W. Allereerst ging hij in op de vraag wat een brede school is. De kracht én de zwakte van de brede school is, dat we het antwoord op deze vraag schuldig moeten blijven. Er is geen definitie van dé brede school. Wel zijn er kenmerken, maar deze komen niet bij alle brede scholen voor. De heer Weekenborg noemde het feit dat het bij een brede school altijd om een lokaal initiatief gaat; om verschillende redenen besluit een aantal organisaties in een gemeente om intensief te gaan samenwerken. Een

ander kenmerk is dat de gemeente de regierol heeft en verantwoordelijkheid

draagt. De gemeente heeft met de verschillende samenwerkende

partijen een directe relatie en vormt zo de samenbindende factor. De brede school kan omschreven worden als een netwerk van onderwijs, zorg en welzijn. Het gaat er niet zozeer om dat deze aspecten in één gebouw bij elkaar komen, maar dat de communicatie wordt verbeterd en dat er wordt samengewerkt ten gunste van het kind. Ten slotte is er een aantal motieven voor de brede school te noemen: 1) een goede dagindeling voor het kind, 2) het wegnemen van achterstanden en 3) het vergroten van de sociale competentie van het kind.

De tweede centrale vraag in de lezing van de heer Weekenborg was de vraag waarom de brede school ontstaan is. De brede school is ontstaan om de problemen op te lossen rondom toenemende arbeidsdeelname van beide ouders, taalachterstanden, leraren die behalve docent ook maatschappelijk werker moeten zijn en kleine scholen. Veel kleine scholen dreigden namelijk opgeheven te worden, maar door hun school te 'verbreden' en aldi s aantrekkelijker te maken voor de ouders, is het schaalprobleem opgelost.

Het derde thema in deze lezing • as "breed, breder, breedst". De spr^, ker gaf aan dat het aantal voor? ningen dat bij een brede schoo betrokken is, nogal uiteen loopt at maakt voor het concept van de brede school niet uit. Als voorbefj'd van "breedst" noemde hij de con munity school in Amsterdam, v/oo' veel voorzieningen in één gebot'V gevestigd zijn, en beheer en org : nisatie extern geregeld moeten wc den vanwege de omvang.

De rol van het rijk in al deze ont'-ikkelingen is deze: het rijk geeft g< - n definitie van de brede school en 'en "Wet op de brede scholen" zal e voorlopig nog wel niet komen, maar wél is het de bedoeling om zove' mogelijk de belemmeringen ront : ie ontwikkeling van brede scholen "jg te nemen. Via onderzoek worde' de ontwikkelingen bijgehouden : wordt de mogelijkheid geboden expertise uit te wisselen. Dit kan •"Ivoorbeeld op de website: v/ww.l' '6 deschool.net.

Ten slotte noemde de heer Weekenborg een aantal dialoogpunten, waar de overheid de komende t ; d over wil praten om de ontwikkeling van brede scholen in goede banen te kunnen leiden: 1) neemt de werkdruk van de leraren inderdaad ar? ; 2) hoe worden ouders en kinderen betrokken bij de ontwikkeling van de brede school? ; 3) hoe doet de gemeente het in haar regierol? ; en 4) wat houdt nu eigenlijk de verbetering van de sociale competentie von het kind in?

Drs. J. van Belzen, burgemeester van de gemeente Graafstroom, reageerde in een co-referaat getiteld "Een brede school op smalle basis? ". Deze titel zet de toon van zijn reactie, die kritisch van aard v/as. De coreferent is het eens met het overheidsbeleid v\^anneer dat de G iwikkeling van brede scholen wil bevorderen op de plaatsen waar het nodig is. Maar hij is beducht voor een toepassen van dit beleid in Wijken en op scholen waar de noodzaak niet aanwezig is. De heer Van Belzen wees onder andere op een verschuiving in verantwoordelijkheden wanneer de brede school zo'n gioot deel van de opvoeding gaat overnemen van de ouders. Is dit een juiste ontwikkeling? Spreker vond dat in ieder geval één van de ouders voor de kinderen beschikbaar moet zijn.

Natuurlijk is het zo dat in bepaalde wijken van grote steden de brede school een middel is om de achterstonden te verkleinen. Maar de oorzaak van de achterstanden wordt daarmee niet aangepakt. Het moet niet blijven bij symptoombestrijding, maar er moet ook een grondige c olyse gemaakt worden van de ciicper liggende oorzaken.

Ook vroeg de heer Van Belzen zich af of de identiteit van de bijzondere scholen behouden kan blijven bij de ontwikkeling van brede scholen. Kan het zo zijn dat scholen straks gedwongen worden om vormen van kinderopvang binnen de muren te halen of dat zij benadeeld worden als ze dit niet doen? De realiteit van 'sleutelkinderen' en rondhangende jongeren die geen 'thuis' hebben als ze uit school komen wordt niet ontkend en voor hen kan het concept van de brede school een oplossing zijn, maar ook hier geldt dat eerst een grondige analyse van het ontstaan van de problemen gemaakt moet worden - namelijk de dagindeling van de ouders.

Naast deze principiële kanttekeningen uitte de coreferent ook praktische bezwaren als de financiering en de aansturing van brede scholen. Tevens kwam het pedagogisch aspect aan de orde van het uitgaan van de autonomie van het kind in het concept van de brede school. Waar wordt dit op gebaseerd? De spreker vroeg zich verder af of de brede school werkelijk zal leiden tot verlichting van de docenten. Zo zijn er dus nogal wat kanttekeningen te plaatsen bij het brede school-concept, hoewel er ook goede kanten aan zitten. De burgemeester verwoordde het als volgt: "Ik kan mij in de doelstellingen wel vinden, maar niet in de algemene toepassing ervan. Alleen in specifieke situaties dient dit instrument te worden ingezet."

In de discussie over de brede school bleek dat dit concept duidelijk nog in de kinderschoenen staat en dat er juist daarom nog veel over te praten valt. Er werd gesproken over de vraag naar de financiering van de ontwikkeling van zo'n brede school in de gemeente, over manieren om de ouders te betrekken bij de school, over de plaats van het bijzonder onderwijs in alle ideeën rondom de brede school en over de verdeling van de maatschappelijke organisaties over de scholen. Vooral de aansluiting qua identiteit van de verschillende in een brede school samenwerkende organisaties bleek voor het SGP-publiek een aangelegen punt.

WORKSHOP 'JEUGDBELEID'

De tweede workshop werd ingeleid door dr. J.E. Post, RPF-wethouder jeugdbeleid van de gemeente Katwijk. Hij schetste een aantal ontwikkelingen die de achtergrond vormen voor het jeugdbeleid. Volgens hem heeft de jeugd veel tijd en veel gelden en zijn veel kwalijke zaken (bijv. drugs en alcohol) makkelijk voor hen verkrijgbaar. Dan is er het proces van individualisering: 'ouderwetse' verenigingen kunnen de diversiteit en dynamiek van culturen niet aan, met als gevolg dat jongeren maar op straat blijven en overlast bezorgen. Tegelijk is er geen sprake van grote omgevingsspanning (oorlogen, honger, grote maatschappelijke misstanden, sociale onrust). De jeugd zoekt die spanning echter wel, onder andere in drugs en alcohol, maar ook in geweld en gevaarlijke sporten. Waar het jeugdbeleid zich in de gemeente Katwijk op richt, is: jongeren verantwoordelijkheid leren dragen, voor zichzelf en hun omgeving. De gemeente heeft daarbij 1 00% van de jongeren op het oog. Daarvan redt 85% het zonder al te veel problemen: voor hen zijn clubs, sportverenigingen, basketbalveldjes e.d. genoeg. Vijftien procent volt echter in een risicocategorie en komt niet zonder problemen (criminaliteit, drugsgebruik enz.) de jeugd door en heeft dus begeleiding nodig.

Vervolgens concentreerde de heer Post zich op de vraag: moet een christenbestuurder ook zorgdragen voor het niet-christelijke jeugdwerk? Immers, je krijgt ze niet allemaal op het kerkelijk jeugdwerk? Zijn antwoord was: ja. Een christelijke lokale politicus is mede verantwoordelijk voor het niet-christelijke jeugdwerk. Hij moet dus keuzes maken tussen bijvoorbeeld een hangplek (zo blijven jongeren op straat] en een sociëteit met muziek en activiteiten waar we niet zo blij mee kunnen zijn (zo haal je de jongeren wel van de straat). Hij moet er zoveel mogelijk aan bijdragen om ook dat nietchristelijke jeugdwerk zo pedagogisch en verantwoord mogelijk te laten zijn. Die verantwoordelijkheid moet hij ook nemen omdat ook christelijke jongeren van zulke nietchristelijke faciliteiten gebruik maken. Binnen dit kader moet je als bestuurder toch zoveel mogelijk proberen de ouders erbij te betrekken en de jeugd veel eigen verantwoordelijkheid te geven, zo was de referent van mening. Voor de christenbestuurder zijn de marges dus klein om het jeugdbeleid volgens zijn idealen in te richten.

Dr. Post besloot met een pleidooi voor een actieve opstelling van de kerken en voor stimulering van het kerkelijk jeugdwerk: de kerk moet de jongeren alternatieven te bieden . hebben.

Vervolg op pagina 12 De heer J.P. Tanis, gemeenteraadslid voor de SGP te Sliedrecht en hoofdbestuurslid, verzorgde het coreferoat. Hij v\/as van mening dat v/ethouder Post te positief over de jeugd dacht: geef ze meer verantwoordelijkheid en het gaat wel goed. Volgens het HB-lid moeten we uitgaan van het Doopformulier: ook onze jongeren zijn in zonde ontvangen en geboren. Dat laat onverlet dat de lokale overheid haar verantwoordelijkheden moet nemen. De spanning, zoals dr. Post die schetste, tussen de praktijk van het jeugdbeleid en onze christelijke normen moet niet uit de weg gegaan worden. De heer Tanis vond dat de ChristenUnie in het algemeen, maar ook in het jeugdbeleid teveel van bestaande situaties uitgaat. De SGP daarentegen stelt de idealen heel hoog. In de praktijk betekent dat dat we ook in het jeugdbeleid alles moeten toetsen aan Gods Woord en soms dus ook tegen moeten stemmen. Het Sliedrechtse raadslid was echter met wethouder Post van mening dat we onze verantwoordelijkheid moeten nemen, ook voor de niet-christelijke jeugd. Tegelijk moeten we het christelijke jeugdwerk zoveel mogelijk stimuleren.

In de discussie werd gevraagd wat beide sprekers zouden doen met een groep niet-christelijke, overlastgevende jongeren. Het hoofdbestuurslid uit Sliedrecht durfde de verantwoordelijkheid voor een hangplek wel aan, maar dr. Post vond dat geen oplossing; dan liever een sociëteit, want dan zijn ze van de straat. Naar aanleiding van een hartenkreet uit de zaal zeiden beide sprekers dat er in het jeugdbeleid plaats moet zijn voor het compromis, mits daar maar een integere worsteling van de christelijke lokaal bestuurder aan vooraf gegaan is.

Ander punt van aandacht was de taak van de kerken. Onder de deelnemers aan de workshop leefde breed het gevoelen dat de kerk vaak verstek laat gaan, zeker waar het gaat om jeugdbeleid voor nietchristelijke jongeren. Er was weliswaar begrip voor de verlegenheid van de kerken, die inderdaad opzien tegen de concrete invulling van jeugdbeleid, maar toch zou het wenselijk zijn dat ook kerken aanwezig zijn op inspraakavonden en in klankbordgroepen, en dat vertegenwoordigers van de kerken zitting hebben in besturen. Ten slotte een aanbeveling van de heer Post: wijs de gemeente op de mogelijkheden om ook het christelijke jeugdwerk te steunen, bijvoorbeeld financieel, want daarvoor zijn mogelijkheden; zorg, als lokaal bestuurder, ervoor dat ook christelijke jeugdwerkers door de gemeente in openbare instellingen, stichtingen en verenigingen voor jeugdwerk benoemd worden.

AFSLUITENDE PLENAIRE DISCUSSIE

Het congres werd afgerond met een plenaire forumdiscussie onder voorzitterschap van de heer E. Klein, bestuursvoorzitter van Voorlichting en Vorming. Aan dit forum namen alle sprekers van de workshops deel. De heren dr. C.P. Polderman en drs. D. van Meeuwen brachten verslag uit van de workshops, de eerste over het jeugdbeleid, de tweede over brede scholen.

Eerst werd het thema brede scholen aangesneden. V^ethouder Post vond het te gemakkelijk om de brede school te gebruiken om kinderen van de straat te houden, maar vond het voor sommige maatschappelijke problemen wel degelijk een oplossing. Vast stond voor hem echter ook dat de brede school wel een intrinsieke bedreiging in zich hee( hij zag het gevaar van het afsch; j ven van opvoedingsverantwoordG lijkheid, die toch in de eerste pico bij de ouders ligt. Burgemeester V . Belzen constateerde dat de heer Weekenborg en hij het wel eens waren over de maatschappelijke problemen die er zijn, maar dat .: van mening bleven verschillen ovr de vraag of de brede school wel ^ oplossing biedt. De heer Weekei borg reageerde daar nog op dote zeggen dat hij de brede schoc een gouden kans blijft vinden, m'.: jr zijn ogen niet sluit voor de wel degelijk serieus te nemen vragen over bijvoorbeeld beheer en exp'jitatie, personeel en dergelijke. Daarna werd in de discussie de koppeling gelegd met het jeugdr •- leid. Vanuit de zaal kwam de vr g of je in het jeugdbeleid maar eir .Miloos geld moet blijven pompen alleen maar maatregelen tegen, o- bleemjongeren. De heer Post wo het daar absoluut mee oneens: moet 1 00% van de jeugd op heoog hebben en ook preventief jeugdbeleid voeren voor jonger*: met wie het overigens verder gC' ., gaat. De heer Rottier, directeur v jn Hogeschool De Driestar, merkte .> D van hoe groot belang het ook is n onze eigen mensen op te leiden voor het werken onder onchriste < e jeugd. Hij noemde de gemeente otterdam als voorbeeld. Rotterdar had 3 ton gereserveerd voor chr telijk onderwijs op openbare schc n, maar de gemeente kon geen me sen vinden om hier handen en v ten aan te geven. Het zou zo nimoeten zijn.

Ten slotte was er aandacht voor ; rol van de kerken. Ds. Heemskeen de heer Tanis onderstreepten og eens dat de kerk een stad op ee^' berg moet zijn. De heer Pijl, raadslid in Den Haag, bepleitte een ocüeve opstelling van raadsleden om contact op te nemen met kerken. ï^e heer Van Belzen vond dat voor wethouders van nog groter belang: betrek de kerken volledig bij de invulling van het jeugdwerk en het onderwijs.

Nadat dagvoorzitter de heer Woaijenberg iedereen bedankt had, besloot de heer Klein de dag met gebed en werd Ps. 75: 1 en 4 gezongen.

R. Biemond/E.J. Brouwer

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 2000

De Banier | 20 Pagina's

Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst! - Verslag van het congres van 22 september 2000 (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 oktober 2000

De Banier | 20 Pagina's

PDF Bekijken