Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Het huwelijk en het parlement

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Het huwelijk en het parlement

9 minuten leestijd

Afgelopen dinsdag > verd in de Staten-Generaal de lang venvachte toestemmings> vet voor het hu> velijk van kroonprins Willem-Alexander en zijn verloofde Maxima Zorreguieta behandeld. Een bijzondere wet in een bijzondere vergadering. Omdat in een verenigde vergadering de Eerste Kamer reglementair voorrang heeft, voerde namens de SGP mr. Holdijk het woord. Gelet op het belang van dit onderwerp en de moeilijke afv^eging v^aar de vijf SGP-leden voor stonden, v^ordt onze bijdrage hier integraal afgedrukt.

GEMEEN OVERLEG

"De Grondwet van 1922 en zelfs die van 1972 (artikel 17, eerste lid) maakte nog een onderscheid tussen een koninklijk huwelijk dat was aangegaan "buiten gemeen overleg met de Staten-Generaal" - dat van de Koning - en dat "buiten de wet verleende toestemming", - dat van een prins of prinses. Dat belette de wetgever echter niet om in 1936 het huwelijk van Prinses Juliana aan wettelijke goedkeuring te onderwerpen, al werd dat door de letter dus niet voorgeschreven.

fHet onderscheid tussen de gevallen waarin het een huwelijk van de Koning en die, waarin het dat van iemand die de kroon kan beërven betreft, is eerst in 1983 vervallen. Oud' had al in 1967 te kennen gegeven dat er voor dit verschil geen voldoende reden was: "De wet is de meest voor de hand liggende vorm van gemeen overleg tussen de Koning en de Staten- Generaal", zo betoogde hij. In de enige gevallen waarbij het voorschrift van artikel 17 is toegepast bij het aangaan van een huwelijk door een Koning - het tweede huwelijk van Koning Willem III van 1 878 en dat van Koningin Wilhelmina in 1906 - is ook voor het gemeen overleg in de vorm van een wet gekozen.

Gerekend vanaf 1 1 februari 1998, is het nu voorliggende toestemmingsvoorstel voor het aangaan van een huwelijk door een lid van het

Koninklijk hluis het vierde in successie dot in een tijdsbestek van ruim drie jaar is ingediend. De kring van leden van het koninklijk huis en potentiële erfopvolgers is groter dan in eeuwen het geval was. Welk een verschil met de eerste helft van de 20e eeuw! Toen vrees dat het geslacht zou uitsterven en grote vreugde in 1908 bij het bericht dot Koningin Wilhelmina in verwachting was. Vervolgens begroette Nederland, na jaren van rouw en van eenzaamheid, in 1936 de verloving van de kroonprinses. fHoogtepunten in de geschiedenis van onze dynastie waren ook altijd hoogtepunten in het leven van ons volk, en dat is nog steeds zo. We verheugen ons in het geluk van ons vorstenhuis en we delen in zijn rouw.

EERSTE ERFOPVOLGER

Zo mochten wij op 30 maart jl., weliswaar midden in voor vele veehouders in ons land uitermate trieste omstandigheden, het officiële bericht van de verloving van de eerste erfopvolger van de troon, de Kroonprins, met Maxima Zorreguieta vernemen. Het verblijdde ons dot het paar voor het wettig burgerlijk huwelijk koos om hun levensverbintenis vorm te geven. Bij het debat over de brief van de minister-president ter zake op 5 april jl. heeft de Tweede Kamerfractie reeds doen weten de conclusie van de regering te delen dat, in de gegeven omstandigheden en gelet op de getroffen regelingen, er voldoende redenen waren om een voorstel voor een toestemmingswet in te dienen.

Dot voorstel ligt er nu. Op zichzelf is het zeer verheugend te noemen dat het voorgenomen huwelijk van de kroonprins en Maxima geen oorzaak heeft behoeven te zijn om van het vragen van toestemming af te zien. De inzet van de minister-president en anderen om tot een aanvaardbaar arrangement te komen voor wat betreft de huwelijkssluiting, is terecht geprezen. Van onze kant hebben wij ons daarbij laten leiden door de bijbelse notie dat een dochter niet mag worden afgerekend op de daden van de vader. Respect verdient ook de wijze waarop Maxima afstand heeft genomen. Behalve respect past ons minstens evenzeer mededogen met een dochter d: . het offer heeft te brengen dat haar ouders niet bij haar huwelijk tegenwoordig zullen zijn.

Niettemin kon en kan de fractie net heen om het feit dat het Nederlc, idse Koninklijk hluis geparenteerd raakt met een in ons land omsti - en familie; een feit dat, naar wij hf 'as moeten vrezen, ons zou kunnen, .ijven achtervolgen ook na de huv > lijkssluiting. Het is een gegeven jflaten we hopen van niet- van bu jn af en van binnen uit spanningen zou kunnen oproepen die de he ntheid van de band tussen de ech- , enoten en/of de band tussen volk ^n vorstenhuis op de proef zou kun ; n stellen. Naarmate de eerste ban • hechter blijkt, zal de tweede mii ier gevaar lopen, aannemende dot voor de gehuwden het belang v n de laatste voorop blijft staan. He huidige koningspaar heeft bewe en dat een ooit omstreden verleden noch het één noch het onder sC' de hoeft te berokkenen. Maxima ze een voorbeeld kunnen nemen o- : haar schoonvader. Tot zover OV' de politieke aspecten van het vc r- genomen huwelijk.

BEVOORRECHTE KERK

Sinds 1815 geniet, grondwettei k beschouwd, de Koning en zeke ook zijn echtgenote vrijheid von godsdienst. Dat betekent onder andere dat zij in de keuze van jn kerk vrij zijn. Wij hebben nimm een staatskerk gekend en sinds e staatsrechtelijke scheiding van • rk en staat is zelfs geen sprake mt. r van een bevoorrechte kerk. Dat tradities echter soms macht.jer zijn dan wetten, werd nog in T. 64 bewezen, toen een prinses van Oranje overging van de Nedei ; ndse Hervormde Kerk naar de Rt mskatholieke kerk en vervolgens c .k geen toestemming voor haar h-'/elijk met een Spaanse prins vroe.j en dientengevolge afstand deed vein haar erfelijke aanspraken op ce troon. Deze gang van zaken kon, ook objectief bezien, niet losgemaakt worden van het feit dat ieze prinses koos voor een kerk wc ^rvan geen vorst uit haar geslacht sii^ds de Reformatie ooit lid was geweeot, sterker, waartegen meer dan één Oranje had gestreden. Zij had gekoren voor een kerk die in het verlenen de vrijheid van godsdienst en geweten ernstig had bedreigd. Duidelijk moge overigens zijn dat men ? en kerk of stroming niet altijd mac olijven herinneren aan haar verleden, vooral niet als zij zich daafon heeft gedistantieerd. Ook in de geschiedenis van het calvinis'ie zijn feiten op te halen die menige calvinist thans niet meer zou verdedigen. Maar het ontstaan van de ^- aderlandse staat is nu eenmaal vervveven met de strijd tegen de Roorrse kerk, zeker voor het bewustzijn cm het volk, dat zich niet afvrt, jgt of de Nederlanders in de Tacb''gjarige Oorlog soms ook uit andere dan religieuze motieven hebben gehandeld; of zij bij voorbeeld ook voor politieke vrijheid hebben gevochten. Of zij hebben gestreden libertatis ergo - voor de vrijheid - of religionis ergo - voor de godsdienst - of beide, en hoe de verhouding tussen politieke en religieuze redenen was; men vindt dat de historici dat maar moeten uitzoeken. Voor het besef van het gereformeerd deel '/an het Nederlandse volk was én ij de Tachtigjarige Oorlog een geloofsstrijd.

COMMOTIE

Terur naar 1 964. in de toen ontstane commotie speelde uiteraard ook een belangrijke rol dat de prinses koos ''oor een politieke beweging wao'von de principes indruisten tege ; de beste tradities van het Nederlandse volk. Beide feiten, zowpi de kerkelijke als de politieke keui.r: , maken duidelijk dat het daofoij, naar vrij algemene opvatting, niet slechts ging om privé-aongelegenheden die de constitutionele verhoudingen onberoerd zouden kunnen laten.

Zo is het, in weerwil van de grondwettelijke scheiding van kerk en staat, ook bij deze gelegenheid alleszins gepast te noemen om aandacht te schenken aan het feit dat de memorie van toelichting, behalve over het burgerlijk huwelijk, ook over de kerkelijke bevestiging daarvan Deo Volente op 2 februari a.s. in de Hervormde gemeente van Amsterdam spreekt.

Wij hebben daarnaast met erkentelijkheid kennis genomen van de mededeling van de Kroonprins dot het Huis van Oranje niet katholiek zal worden en dat, mocht het aanstaande echtpaar kinderen krijgen, deze in de Nederlandse Hervormde Kerk zullen worden gedoopt. De regering gaf in de memorie van antwoord te kennen dat de gedane mededelingen naar haar oordeel de conclusie wettigen dat het de intentie van het aanstaande echtpaar is dat het Huis van Oranje in de protestantse traditie blijft en dot eventuele kinderen ook in die traditie zullen worden opgevoed.

VOLKSKERK

De aanstaande echtgenote van de Kroonprins heeft bovendien te kennen gegeven dat zij, behorend tot de volkskerk van Argentinië, serieus onderzoekt of zij zich kan aansluiten bij de keus die haar aanstaande man reeds heeft gemaakt door belijdenis van het geloof af te leggen in de Nederlandse Hervormde Kerk. Wij verbinden hieraan de opmerking dat, naar onze overtuiging, een persoonlijke en weloverwogen keuze van de aanstaande bruid de huwelijksband slechts kan versterken, het belang van de opvoeding van eventuele kinderen zou dienen en de band tussen koningshuis en volk zou bevestigen. Het effect daarvan zou wel eens spiegelbeeldig kunnen zijn aan dat van de handelwijze van de eerder genoemde prinses.

Bovengenoemde gegevenheden en overwegingen in samenhang genomen, hebben ons tot het standpunt gebracht dat het in het licht hiervan niet te verantwoorden zou zijn in de gegeven omstandigheden én aangezien wij ons niet aan stemming willen onttrekken, onze steun aan het voorliggende wetsvoorstel te onthouden. Onze instemming doen wij vergezeld gaan van hartelijke gelukwensen en van de verzekering dat wij ons niet zullen onttrekken aan onze dure plicht het aanstaande bruidspaar te vergezellen met onze gebeden, niet alleen rondom de dag van de huwelijkssluiting, maar ook daarna.

TITELS EN NAMEN

Ter afsluiting maken wij nog een enkele opmerking over de bij de memorie van antwoord gevoegde notitie 'Titels en namen leden Koninklijk Huis'. De notitie voegt niet zoveel toe aan datgene wat we al wisten of konden weten. Wat op onderscheiden momenten door de regering naar voren is gebracht, wordt nog eens in tijdsvolgorde achter elkaar geplaatst. En het impliciete verzoek dat daarvan uitgaat is, als ik goed zie, dat wij deze informatie opnieuw op ons laten inwerken.

Er tekent zich een zekere lijn in bepaalde keuzes af, maar persoonlijke voorkeuren van betrokkenen en argumenten op grond van de historie spelen eveneens een rol. Het geheel zal voor de gemiddelde Nederlander ondoorzichtig blijven - daarvoor is het te gecompliceerd-, maar ook het gemiddelde kamerlid zal de systematiek, voor zover daarvan sprake is, niet steeds paraat hebben. Dat is waarschijnlijk slechts voorbehouden aan de echte ingewijden. Ons voornemen is om bij de komende, althans aangekondigde wijziging van de Wet op het Koninklijk Huis op deze materie terug te komen."

1 Prof. mr. P.J. Oud, schrijver van het staatsrechtelijke standaardwerk 'Het Constitutioneel Recht van het Koninkrijk der Nederlanden'.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 2001

De Banier | 20 Pagina's

Het huwelijk en het parlement

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 juli 2001

De Banier | 20 Pagina's

PDF Bekijken